Het maakt nogal verschil of een mens door geld en bezit wordt beheersd of dat hij er beheerst mee omgaat. Vergeef me het misschien wat flauwe woordspel, ik wil er alleen maar mee duidelijk maken wat Jezus in Lucas 16 de mensheid meegeeft.

Jezus vertelt een verhaal over een rijke man die zijn vermogensbeheerder moet ontslaan. De baas heeft namelijk ontdekt dat zijn werknemer dat vermogen veel te gemakkelijk door zijn handen laat glippen.
De beheerder ziet na het slecht-nieuws-gesprek geen toekomst voor zichzelf in een andere baan. Donkere wolken stapelen zich op, hij ziet zichzelf al in de goot liggen en dagelijks door het prak en de straten struinen. Daarom vraagt hij zich vooral – voordat hij daadwerkelijk ontslagen wordt – af hoe hij ervoor kan zorgen dat hij zich sociaal staande kan houden.

Hij besluit naar de schuldenaars van zijn baas te gaan. Hij paait ze door de openstaande schuld te verlagen.
Ook dat wordt natuurlijk door de baas ontdekt, maar – verrassend genoeg – prijst de baas zijn bijna ex-werknemer om zijn slimme handelwijze.

Geld, bezit, rijkdom is op zich geen probleem. (Er kleven alleen risico’s aan die een mensenziel ongelooflijk kunnen aantasten.)
Jezus leert zijn leerlingen een manier-van-omgaan-met-geld aan. Hij zegt: “Maak vrienden met behulp van de valse mammon (=geldgod).” Geld en rijkdom is geen doel op zich maar een middel met het oog op iets groters – zoals vriendschap.
Anders gezegd: Jezus leert mens aan geen vriend te worden van geld en bezit, maar er vrienden mee te maken. (Je zult dan ook vanzelf ontdekken of je nieuwe vrienden het om jou of om je geld te doen is.)

De test of de mens deze manier van leven accepteert, vindt plaats in de toekomst. Jezus: “Maak vrienden met behulp van de valse mammon, opdat jullie in de eeuwige tenten worden opgenomen wanneer de mammon er niet meer is.”
Ooit verdwijnen de pinpassen, het papiergeld en de klinkende munten voorgoed. Dan wordt, volgens Jezus, duidelijk met wie wij vriendschappen zijn aangegaan. En of we, zonder geld, in de kou staan en doelloos om ons heen staan te staren.

Ik vind het een prachtig verhaal. Want het laat vooral zien hoe Jezus zelf is. Zonder het hardop te zeggen is hij die rijke man, de big boss. En het gegeven dat hij zijn vermogensbeheerder niet afbrandt maar prijst om zijn slimme handelwijze geeft een geweldige inkijk in de manier waarop hijzelf (en dus ook God, zijn Vader) met bezit en vermogen omgaat.

Het was me gisteren het zondagje wel.

Vroeg op, kids klaarmaken, eten, naar de kerk, Naomi laten dopen, thuis een klein doopfeestje, daarna een lang interview voor De Dertiende Man, vervolgens snel omkleden voor de kerkdienst in de Kandelaar die ik mocht leiden. In die dienst sprak ik ook nog ’s over de hemel en de hel.

Dus ja, het was me het dagje wel.
En het was vooral leuk. Ik werd de hele dag achterna gezeten door een camera(man), regisseur en geluidsman. Leuke, boeiende gasten.

In de preek ging het dus over hemel en hel. Vooral een onderwerp als de hel houden christenen liever op afstand. Ik denk om de volgende redenen:

1. Ze vinden het niet fijn om arrogant over te komen, als we (moeten) zeggen dat wij naar de hemel gaan, en anderen niet. Omdat die ander niet als wij geloven.
2. Ze kunnen denken dat de Bijbel er totaal niet duidelijk over is. Als het over hemel en hel gaat, hoor ik allerlei stemmen uit zowel heden als verleden die tegen me zeggen: “We moeten zwijgen, God gaat over hemel en hel.”
3. Ze kunnen denken dat hemel/hel een dogmatisch onderwerp is. Je kunt er pas wat over zeggen als je een afgestudeerd theoloog bent.

Toch kun je zonder hoogmoed over de hel spreken (alternatief: doe ‘t bewogen), is de Bijbel er behoorlijk duidelijk over (Jezus voorop) en is het allesbehalve dogmatiek (maar gewoon goed Bijbellezen).

Het punt dat ik maakte was dat de hel een keuze is. ‘Ga ik naar de hel?’
Nee, alleen als je dat wilt.

Jezus’ verhaal over een rijke man en een arme bedelaar stond centraal (Lucas 16). Hieronder is de preek na te lezen. Het heeft mezelf erg verder geholpen in het denken en spreken over hemel en hel. Misschien en hopelijk de hoorders en lezers ook.

Lucas 16, 14-31 [Jezus over koninkrijk en dodenrijk]

[Als muziek, als noten konden praten... dan ontstaat er zomaar een verhaal. Over mensen, Jezus en het koninkrijk van God.]

Een dertiental noten was druk met elkaar in gesprek. Ze hadden het over hun nieuwe muziekstuk en hun eigen specifieke rol daarin.
Helaas werd de sfeer naarmate de discussie vorderde grimmiger. Bes was de aanstichter, de grootste stoker.

Bes: “Ik begrijp niet waarom jullie overwegen het nieuwe lied zonder mij te spelen. Ik kan een lied gevoeliger maken, mooier ook.”
A reageerde: “En ik begrijp niet waarom jij jezelf altijd zo belangrijk maakt.”
Bes: “Dat komt omdat ik de beste ben.”
“Nee, jij bent de bes”, reageerde A. “Waarom hoor je altijd meer dan nodig is? En, bovendien, ik kom nog altijd vóór jou, dus ff dimmen, graag.”
“Sorry hoor, A, maar als ik jou niet kon verhogen, stelde jij helemaal niets voor.
“Jij verhoogt mij niet! Jij verlaagt B, je verhoogt mij niet…
“Ach, hoe het ook zij, ik maak jou in ieder geval mooi.”
“Mooi? Jij mooi? Nu snap ik weer”, zei A, “waarom ik jou veel liever mol dan bes noem. Je bent niet alleen doof maar ook hartstikke blind, man!”

U begrijpt, de noten werden weer eens gekraakt. Maar niet alleen A en Bes – alias de Mol – hadden het met elkaar aan de stok. Ook de anderen konden elkaar niet luchten of zien.

D: “Ik kan jou onderhand niet meer luchten of zien, C.”
“O”, zei C, “en waarom dan wel niet?”
“Gewoon, omdat jij altijd zo bazig op me overkomt. Je hebt veel te vaak het eerste woord, je noemt jezelf altijd en maar al te graag de grondtoon van de muziek, het begin van alles.
“En dan voel jij je natuurlijk tekortschieten, is het niet? Alsof jij er niet toe doet. Accepteer dat nou gewoon, jongen. Je mag er gewoon zijn. Zonder jou, D, ben ik en zijn de anderen maar van weinig waarde, hoor.
“Kijk, dat bedoel ik nou”, zei D. “Die toon van jou. Zo belerend. ‘Accepteer het nou. Zonder jou stel ik niets voor.’ Je profiteert van me, C, meer niet! Je bent alleen maar blij met mij met het oog op je eigen geluk. Door mijn bestaan bevredig ik het jouwe.”
C zuchtte, en bromde wat.

Ook F en G waren de grootste vrienden niet meer. G werd door F gehaat omdat er een beroemde sleutel naar hem vernoemd was, waarmee G, volgens F dan, altijd iets te zelfvoldaan zwaaide. Uiteraard in zijn rechterhand. En zo losjes, dat G door de anderen gekscherend Gay werd genoemd.)

En zo discussieerden en zeurden en bromden de noten wat af. Van het muziekstuk kwam weinig terecht.
Totdat er een stem te horen was. Een onopvallende.

“Jongens, stop nou ’s, luister ’s, kijk ’s naar mij. Ik ben Fis.”
Bes: “Jij bent vies? Ga je dan wassen!” [Gelach, en zowaar waren er even vrolijke noten te horen]
A: “Nee, dove, Fis zegt-ie, met een f!
Jou horen we niet vaak, Fis. Wat wil je ons zeggen?
Fis: “Ik denk dat ik jullie allemaal terwille kan zijn, en de vrede onder ons kan herstellen.”
“O, is dat zo?” reageerden G en D in koor.
“Ja, wie mij leert kennen, met mij speelt, zal leven, ook al voelt hij zich achtergesteld, anders geaard, of meent hij of zij belangrijk te zijn.
Fis keek naar Bes, en zei met een glimlach: “En zelfs een blinde en dove mol komt tot zijn bestemming.”

Fis keek de andere noten aan, keerde in zichzelf en begon zichzelf te spelen. Urenlang, totdat hij niet meer kon, ophield en stil werd.

De anderen probeerden hem wakker te schudden, vooral zijn buren F en G. Maar Fis gaf geen krimp. Het leek alsof hij van de wereld was, van de toonladder gevallen.

“Hij doet ‘t niet meer”, zei F met tranen in zijn ogen.
“Hij was ons gezeur meer dan zat, denk ik” zei A schuldbewust.
“Maar wat moeten we zonder onze Fis?” zei Bes.

De noten waren in rouw. De discussie was veranderd in een stilte, vol schaamte.
Bijna leek het gesprek weer op gang te komen, toen ze naast hen een stem hoorden:

“Het is mij, Fis!”
“O, je doet ‘t weer!” riep iedereen blij, en eenstemmig.
“Ja, ik ben weer in town. Maar, beste noten, zullen we nu dan doen waarvoor we bestaan? Lekker spelen, met elkaar?”
“Ja, is goed, Fis, sorry dat we je zo’n pijn hebben gedaan” zei C, uiteraard namens de groep.
“Het is al goed,” zei Fis,” maar noem me maar geen Fis meer.
“O, maar hoe dan wel?” vroeg Bes als eerste.
“Noem mij geen Fis meer, noem mij Het Kruis.”

Wanneer een mens niet uit de genade van Jezus Christus leeft, moet hij/zij terugvallen op een alternatief om recht voor God te kunnen blijven staan. Dat alternatief heeft een naam: zelfrechtvaardiging.

Ik kom daarvan twee vormen tegen die ik ook in mijn eigen leven herken(d heb).

1. De eerste manier om jezelf voor God te rechtvaardigen is om voorbij te lopen aan je egocentrische en vaak duistere manier van leven en denken. Steeds vaker hoor ik dat als Christus in je leeft, begrippen als ‘zonde’, ‘bekering’ en ‘berouw’ naar de achtergrond verdwijnen.
Laat ik vooropstellen dat een mens die in Christus is, vrij is. De veroordelende kracht van de zonde bestaat niet meer, want tenietgedaan aan het kruis van Golgota.
Dat betekent alleen niet dat je geen zonde meer kent of voelt in je leven met Christus. Iemand als Paulus schrijft in Romeinen 7 dat hij zichzelf een “ellendeling” vindt. En in andere brieven laat hij zijn medechristenen weten hij dat hij niet opgehemeld moet worden vanwege zijn geloof en prachtige brieven, want hij was een vervolger van de christelijke gemeente.
Zulke gitzwarte conclusies kun je alleen trekken als Christus in je leeft.

Juist wie in Christus is, en zijn Geest ontvangt, ontdekt hoe zwart en zondig hij van nature is. Jezus is namelijk het licht (van de wereld), dus als hij op je begint te schijnen… “Wees mij zondaar genadig!”

Zelfrechtvaardiging = ontkennen van je zondige aard, waardoor je je recht moet praten of recht moet denken voor God. Anders gezegd: je vult Gods genade structureel aan.

2. Een tweede manier die m.i. vaker voorkomt, is de tegenovergestelde weg. In plaats van je zondige aard te ontkennen of niet te benoemen, benoem je die veel te vaak, of altijd.

Er gaat geen gebed voorbij of je ‘belijdt’ je zonden, ook als je er niet één kunt bedenken. Je praat jezelf zo zwart mogelijk voor God, of je (lees: God!) keurt je gebed pas goed als je jezelf even goed in een kwaad daglicht hebt gesteld.
“God, ik ben zo slecht, ik heb te weinig aan u gedacht, en ik had meer voor u moeten doen, sterker moeten zijn, enz. enz.”

Door je jezelf zo voor God te plaatsen hoop je dat God je alsnog genadig wordt. En hij moet wel, denk je, omdat je je toch kleinmaakt voor hem..?

Zelfrechtvaardiging = het plichtmatig benoemen van je zondige aard om God daarmee voor je (reddings)karretje te spannen. Anders gezegd: je doet Gods genade structureel tekort.

Trucjes hebben geen zin. Oftewel: heb je geen zonden gedaan, belijd ze dan ook niet, maar “dank hem in al je gebeden.”
Wees gewoon eerlijk tegen je Vader. En geef hem de eer als je ervan geniet dat Christus – door zijn genade en Geest – in je leeft.

Zo, ben net terug uit Mijdrecht, een plaats waarvan ik nooit gehoord zou hebben als de gerenommeerde topamateurclub Argon er niet zou voetballen… ;)

Een broer en zus in Christus hebben me willen chauffeuren, en dat lukte hen zelfs door afgezet en doolhof Hilversum heen. Bedankt, Christine en Albert!

De kerkdienst in de Veenhartkerk vond ik een verademing. Lekker ontspannen zingen voor de Heer, een uitstekende gastvrouw (maar ja, wat wil je als je Heek van achteren heet…), een puike muzikale leiding (Deployed is de naam), heerlijk evangelie, en dat alles in een lekkere, ontspannen sfeer.

Ik hoefde alleen maar te (s)preken en mocht, aan het eind, een prachtige zegen opleggen. Ik vind het heerlijk om als prediker hoorder onder de hoorders te blijven.

Deployed is een band die vorig jaar in Thailand is geweest, in Pattaya, een stad die één groot openlucht-bordeel is. Er wonen 110.000 burgers waarvan er zo’n 50.000 in de prostitutie werken. Ongelooflijke cijfers!
De band heeft daar in de grootste bordeelbar en in en rond het opgerichte Tamar-centrum Jezus’ naam bezongen en grootgemaakt. Gewoon spelen, hoewel… gewoon, de band voelde de duivelse duisternis om hen heen.
Ze kregen de kracht om het te doen, want het licht wint het van de duisternis. Ze speelden, en dat allemaal met één gewenst doel: de meiden en vrouwen bevrijden uit de seksslavernij. Een van de nummers die ze zongen heet ‘God of the city’ en kun je hier beluisteren.

De groep wil dit najaar terug naar Thailand (zal ik meegaan?), heeft daarvoor geld nodig, en daarom willen ze met hun verhaal de kerken rondgaan. Ik mag hun vaste prediker daarbij zijn.
(Dus, mocht u dit lezen, en zou u hun verhaal in een van uw kerkdiensten willen horen, reageer: deployed@davidium.nl!)

Hieronder is de preek na te lezen en te beluisteren die bij de tour hoort:

Handelingen 20, 32-35 [Geven maakt gelukkiger dan ontvangen]

Vanaf 22 augustus a.s. is mijn preekagenda zo goed als leeg. Dat betekent dat ik weer geboekt kan worden voor spreekbeurten.
Stuur je aanvraag naar preekverzoek@davidium.nl.

Een kanttekening die ik hierbij maak is dat het zou kunnen zijn dat ik in de loop van 2010 in een nieuwe setting samenkomsten ga leiden. Mocht ik een afspraak met uw gemeente hebben staan, dan zal ik me tijdig bij u afmelden.
De nieuwe setting krijgt mijn voorkeur.

Hieronder de data waarop ik ben te boeken:

29 augustus:
Ochtend: BEZET (Doopdienst Naomi in de Boogkerk in Amersfoort-Nieuwland)
Middag: Amersfoort-Centrum (17.00 uur)

5 september:
Ochtend:
Middag: Amersfoort-Emiclaer (15.00 uur)

12 september:
Ochtend: BEZET
Middag:

Enzovoort. Zo goed als alle volgende zondagen kan ik ook nog ingeboekt worden.

Als je die Bijbeltekst van gisteren serieus doorleest, lijkt het alsof God in paniek is. Hij ziet dat zijn eigen, geliefde volk totaal van hem los is. En dan gaat God op zoek, maar die zoektocht levert hem niets op.

‘Ik heb gezocht naar iemand die een muur om de stad kon bouwen, die voor het land in de bres wilde springen, opdat het niet zou worden vernietigd – maar zo iemand heb ik niet gevonden. Dus vervloekte ik hen…’ Met alle gevolgen van dien.

Dat klinkt en is ook heftig, als je vervloekt wordt. Vooral als het perspectiefloos is. Ik hoor dat zo nu en dan om me heen, bijvoorbeeld op het voetbalveld. ‘Krijg toch de tering!’ of ‘Loop naar de hel!’. Ook Nederlanders weten wat vervloeken is.
God vervloekt dus ook, maar niet op bovenstaande wijze. God vervloekt met een doel. Als hij zijn volk vervloekt, verwoordt hij dat bijvoorbeeld zo (Ezechiël 22, 15):

‘Ik zal je verdrijven naar verre landen en verspreiden onder vreemde volken; ik zal een einde maken aan je onreinheid.’

God is dus nooit in paniek geweest, maar wist destijds al wat hij aan het doen was.

Toch blijft het triest dat God niemand kon vinden die Jeruzalem kon beveiligen tegen al het vunzige gedrag. Want dat wil God eerst. Voordat God vervloekt, zoekt hij naar andere oplossingen, in dit geval naar profeten, priesters, leiders die opkomen voor het volk en de vinger op de pijnlijke plek leggen. Maar hij kon er geen één meer vinden.

Totdat God – uit ons gezichtspunt bekeken – zijn trukendoos opendeed. Hij liet het Kerst worden, en het onmogelijke gebeurde en van de ene dag op de andere lag er een kind in een voerbak, een uniek wezen: een goddelijk kind, zonder biologische vader.
En dat kind groeide op, werd volwassen, en besloot dat te doen waarnaar God – die hij zijn Vader noemde – al die tijd naar op zoek geweest.

Iemand, die een muur om mensen kan bouwen.
Iemand, die voor mensen in de bres wil springen.
Iemand, die ervoor kan zorgen dat mensen niet vernietigd worden door zichzelf langzaam maar zeker te vernietigen.

Jezus is zijn naam. De muur om mijn leven. Dat geloof ik. En, beeldend verwoord, geloof ik dit:
Als Jezus een (muur om de) stad is, dan ben ik in hem.

In de mens, zijn eigen Zoon Jezus heeft God iemand gevonden die aan zijn verlangen voldoet: redding van de mens. Waarom Jezus die redder is? Dat blijft ergens heel vaag, onbegrijpelijk en onverklaarbaar, maar ik weet dat deze Jezus zich in mijn plaats liet vervloeken toen hij zich liet vermoorden aan een kruis buiten Jeruzalem. (’Want op een gehangene rust Gods vloek’, Deuteronomium 21, 23. Vergelijk Galaten 3, 13.)

Het is een vervloeking met een doel. Jezus liet zich vervloeken, zodat de nieuwe mensheid niet vervloekt zal worden. En zolang ik, door Jezus’ liefde aangespoord, mijn leven toevertrouw aan Jezus, zal ik nooit vervloekt worden of ‘naar de hel moeten lopen’.

Behalve als ik dat laatste wil. Als ik Jezus niet wil accepteren als mijn Heer en redder.
Kies ik voor mezelf of voor wat ik in deze wereld kan bereiken, kies ik voor een leven buiten Jezus om, dan zal hij tegen mij zeggen: “Oké, mijn Vader en ik nemen je serieus in die keuze, dan moet je het zelf maar weten. Zoek het dan – tot ons verdriet – maar zelf uit!”

Als scheidsrechter doe ik mijn best om een wedstrijd soepel te laten verlopen, zodat het spel gespeeld kan worden zoals het bedoeld is. Ik probeer tempo in dat spel te houden, de overtredingen te zien, de juiste sancties daaraan te koppelen, eerste conflicten verbaal in de kiem te smoren, ook met spelers te communiceren tijdens het spel (en niet alleen bij overtredingen), duidelijk te zijn in woord en gebaar, en meer van dat soort zaken.

Maar ja, soms zijn er van die dagen dat het allesbehalve soepel gaat. En hoewel ik behoorlijk zelfkritisch ben aangelegd – daar ontkomt een serieuze calvinist niet aan… – ligt dat niet altijd aan mij. Er lopen namelijk van die spelers rond die niet op het veld zijn gestapt om hun favoriete spel te spelen. Dan loop ik negentig minuten rond met zeurende, zuigende en schoppende gasten. Er is niets aan te doen, maar soms loopt er een te groot percentage geboefte rond binnen de grote, groene rechthoek.
En als ik dan echt pech heb, werken de trainers ook niet mee. Krijg je opeens met stokers in plaats van liefhebbers te maken.

De uitdaging wordt in zulke wedstrijden natuurlijk groter om de boel in het gareel te houden, en m’n hele arbitrale trukendoos moet dan ook opengetrokken worden.
Maar soms raakt die doos leeg, in die zin dat er alleen nog maar (veel) kaarten getrokken kunnen worden. En neem van mij aan: drie gele kaarten geven in vijf minuten is niet leuk voor een scheids, niet in de laatste plaats omdat de sanctie dan, in ieder geval voor mijn gevoel, z’n doel voorbij schiet. Ik wil geen kaarten trekken, ik wil dat het negatieve gedrag ophoudt.

Ik moet die straf natuurlijk wel gedecideerd blijven uitdelen. Gewoon denken: “Oké, als het zo moet, dan incasseer je ook maar! En als je dan nog niet normaal blijft doen – alsjeblieft; je tweede waarschuwing: m’n veld af!”

Iets van zulke scheidsrechterlijke ervaringen meen ik te zien bij zowel God, de Vader van Jezus Christus, als bij Jezus zelf. De Vader is dan alleen niet de scheidsrechter maar het hoofd van de scheidsrechters. De Dick van Egmond, de huidige scheidsrechtersbaas. De spelers zijn het volk Israël. En Vader wilde niets anders dan dat zijn volk speelde, leefde, genoot van het leven dat hij voor hen had uitgedacht en gecreëerd.
Maar teveel spelers maakten naarmate de tijd vorderde een bende van het leven. En de scheidsrechters die de Baas had aangesteld traden niet op, en deden net – zoals scheidsrechters dat zo goed kunnen – alsof hun neuzen bloedden.

En Vader zag het aan, en zei: “Oké, ik wil het niet, maar ik kan niet anders. Als het zo moet, zoek het dan maar zelf uit.”

Ezechiël 22, 29-31 Het volk gaf zich over aan uitbuiting en diefstal, het onderdrukte de machtelozen en de armen, het buitte de vreemdelingen uit en deed hun geen recht. Ik heb gezocht naar iemand die een muur om de stad kon bouwen, die voor het land in de bres wilde springen opdat het niet zou worden vernietigd – maar zo iemand heb ik niet gevonden. Dus vervloekte ik hen, met het vuur van mijn toorn vernietigde ik hen, ik liet hun daden op hun eigen hoofd neerkomen – zo spreekt God, de HEER.”’