Vorige week kregen wij een brief van de Beheergroep DigiD in de bus. DigiD is een nieuw initiatief van de overheid, waarmee “je altijd vooraan staat”. Met onze DigiD-gebruikersnaam en wachtwoord krijgen we toegang tot steeds meer overheidsdiensten op het internet, zoals het aangeven van de belasting.
Elke burger zijn eigen nummer.
Ik ben niet alleen burger, maar ook christen. Gisteren en eergisteren verwoordde ik mijn gedachten voor een ander. De vraag was of God mij persoonlijk kent. En zo ja, hoe dan? Ik wil de vraag iets ombuigen. Niet: hoe kan ik God zien? maar: hoe ziet God (en de wereld) mij?
Hoe identificeer je een christen? Wat heb ik dat een ander niet heeft? Wat zijn hiervan de voor- en nadelen? Kortom: wat is de identiteit van een christen?
Ik zal dit vanuit en voor mijzelf beschrijven.
Vandaag deel 1.
Gal 2,19-20:
Want ik ben gestorven door de wet en leef niet langer voor de wet, maar voor God. Met Christus ben ik gekruisigd: ikzelf leef niet meer, maar Christus leeft in mij. Mijn leven hier op aarde leef ik in het geloof in de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en zich voor mij heeft prijsgegeven.
Ik moet wat treurig beginnen. Wat onpersoonlijk ook. Mijn identiteit is namelijk niet te ontdekken. En dan ligt de klemtoon op het woordje ‘mijn’. David de christen is ten diepste een tegenstelling.
Als ik zou ontdekken wie David is, dan hoort daar niet de classificatie ‘christen’ bij. Net als Paulus zal ik zeggen dat ik niet meer leef. Sterker nog: dat ik ben vermoord. Met Jezus, aan een kruis. David is niet meer. En bij mijn graf is eens een keer wat anders gezegd: “Het was geen goeie jongen, die Heek.”
Maar ik ben toch gewoon te zien en aan te raken? Ben ik dood? Wat is dit voor horror-gefilosofeer?
Een identiteitskenmerk is dat een christen dood is en toch leeft. Is dat te zien? Ja. (Maar vaker staat de oude David weer op uit de dood.)
Jezus is sterker dan ik. Net als Jezus hang ik aan het kruis op Golgota. En net als Jezus mag ik met hem het graf uit. Het leven in. Nieuw leven.
Maar ‘de slechte jongen David’ blijft aan dat kruis hangen en in het graf liggen: dood. En gelukkig maar. Want dan kan Christus met de echte David aan de slag. Dat doet hij graag en goed.
En ik geloof dat Jezus dat blijft doen. Hij heeft mij lief. Mijn leven lang.