Toen ik gisteren mijn stukje over het volgen van Jezus geschreven had, overviel me een voor mij vreemd heiligheidsstreven. Opeens las ik hetzelfde stuk Bijbel vanuit een ander perspectief. Komt-ie nog een keer.
Johannes 1: 40-48 Een van de twee die gehoord hadden wat Johannes zei en Jezus gevolgd waren, was Andreas, de broer van Simon Petrus. Vlak daarna kwam hij zijn broer Simon tegen, en hij zei tegen hem: ‘Wij hebben de messias gevonden’ (dat is Christus, ‘gezalfde’), en hij nam hem mee naar Jezus. Jezus keek hem aan en zei: ‘Jij bent Simon, de zoon van Johannes, maar voortaan zul je Kefas heten’ (dat is Petrus, ‘rots’).
De volgende dag besloot Jezus naar Galilea te gaan en daar ontmoette hij Filippus. Hij zei tegen hem: ‘Ga met mij mee.’ Filippus kwam uit Betsaïda, uit dezelfde stad als Andreas en Petrus. Hij kwam Natanaël tegen en zei tegen hem: ‘We hebben de man gevonden over wie Mozes in de wet geschreven heeft en over wie ook de profeten spreken: Jezus, de zoon van Jozef, uit Nazaret!’ ‘Uit Nazaret?’ zei Natanaël. ‘Kan daar iets goeds vandaan komen?’ ‘Ga zelf maar kijken,’ zei Filippus. Jezus zag Natanaël aankomen en zei: ‘Dat is nu een echte Israëliet, een mens zonder bedrog.’ ‘Waar kent u mij van?’ vroeg Natanaël. Jezus antwoordde: ‘Ik had je al gezien voordat Filippus je riep, toen je onder de vijgenboom zat.’
Mijn vreemde gevoel kon ik begrijpen toen ik ontdekte dat ik me als bijbellezer altijd identificeer met iemand. Ik kies onbewust een persoon of meerdere personen, vanuit wie ik het gelezen stukje interpreteer.
Gisteren identificeerde ik me met Petrus en Natanael die wel heel erg vreemd hebben moeten opgekeken toen Jezus zich zo direct met hun levens bemoeide.
Maar na me één met hen gevoeld te hebben, veranderde mijn perpectief en leefde ik me in in Andreas en Philippus. Ik keek naar wat zij deden.
En dat greep me nog veel meer aan. Zij zijn namelijk vol van die ‘vreemde’ man. Johannes vertelt dat zij hun meest intieme dorpsgenoten op de hoogte van Jezus’ macht stellen. Andreas en Philippus willen hun verhaal kwijt.
Vandaar mijn heiligheidsstreven. Al vraag ik me af of dit het goede woord is, het maakt nogal uit met wie ik me identificeer. Met Petrus of Natanael die Jezus nog moeten leren kennen, of met Andreas en Philippus die Jezus al gedeeltelijk hebben leren kennen. Vanuit mijn eigen christensituatie zal ik me beter met de laatste twee kunnen identificeren.
Ik ben vaak vol van die ‘vreemde’ man Jezus, en ik hoop dat ik van God nog meer de gelegenheid krijg om in mijn naaste omgeving van hem te getuigen.
Dit mag ik al doen en daar dank ik voor: Ik begrijp steeds meer hoe bijzonder het is om voor groepen te mogen spreken of catechisatie te mogen geven. Andreas en Philippus zouden hetzelfde gedaan hebben.
Dit zou ik ook willen doen en is mijn gebed: niet-christenen bereiken en hen bij God brengen. Ik wil meewerken aan de bouw van het aanstaande koninkrijk!