En niet even snel. Maar grondig en vol ijver. Mijn moeder weet heel goed wat schoonmaken is; ze is met niemand in mijn omgeving te vergelijken wat dat betreft. Maar Jezus kan het pas echt! Hij maakt mij geestelijk en daarmee meteen ook lichamelijk schoon.
Dat zie ik zo goed als ik het laatste deel van Johannes 2 lees.
13 Kort voor Pesach, het Joodse paasfeest, reisde Jezus naar Jeruzalem. 14 Daar trof hij op het tempelplein de handelaars in runderen, schapen en duiven aan, en de geldwisselaars die daar altijd zaten. 15 Hij maakte een zweep van touw en joeg ze allemaal de tempel uit, met hun schapen en runderen. Hij smeet het geld van de wisselaars op de grond, gooide hun tafels omver 16 en riep tegen de duivenverkopers: ‘Weg ermee! Jullie maken een markt van het huis van mijn Vader!’ 17 Zijn leerlingen dachten aan wat er geschreven staat: ‘De hartstocht voor uw huis zal mij verteren.’ 18 Maar de Joden vroegen: ‘Met welk teken kunt u bewijzen dat u dit mag doen?’ 19 Jezus antwoordde hun: ‘Breek deze tempel maar af, en ik zal hem in drie dagen weer opbouwen.’ 20 ‘Zesenveertig jaar heeft de bouw van deze tempel geduurd,’ zeiden de Joden, ‘en u wilt hem in drie dagen weer opbouwen?’ 21 Maar hij sprak over de tempel van zijn lichaam. 22 Na zijn opstanding uit de dood herinnerden zijn leerlingen zich dat hij dit gezegd had, en zij geloofden de Schrift en alles wat Jezus gezegd had.
Wat verwacht Jezus als hij voor het eerst naar Jeruzalem gaat? Ik denk ijverige Joden die plichtsgetrouw en vroom hun God dienen. Vooral in het centrum van Jeruzalem: de tempel. Het heilige der heiligen van de stad Jeruzalem.
Maar het is een bende. In plaats van dat er gebeden en verheerlijkt wordt, wordt er verkocht en gewinkeld. Je kunt er schapen kopen om die 30 seconden verderop te offeren. Dat scheelt natuurlijk een hele tijd zeulen.
De eer van God is verschrompeld naar een maniertje van godsdienstig leven. En Jezus kan daar dus niet tegen! Met een touw in de hand gaat hij helemaal door het lint. (Het beeld van een zoetsappige Jezus kan ik dus omgooien.)
Het is wel te vergelijken met de manier waarop ik in de kerk zit. Niet Jezus verheerlijk ik, maar ten diepste zit ik er voor mezelf. Ik haal m’n kostje op, de naaste interesseert me geen zier, en ik ben gauw weer vertrokken.
Ergens ben ik ‘blij’ dat er ook nog mensen zijn die zeuren over beamers, nieuwe gezangen en het al dan niet applaudiseren in de kerk. Zo erg ben ik gelukkig niet…
Mijn lichaam is een tempel van de heilige Geest. Ook in mijn tempel zit veel rotzooi waar de bezem eens stevig doorheen moet. Op de een of andere manier wil ik dat maar niet, of kan ik dat niet. Of ik denk dus dat andermans tempel nog veel smeriger zijn dan die van mij. Eerst zij, dan ik.
Van die gedachte moet ik me zo snel mogelijk afkeren. Ik heb Jezus zo nodig. Want ik weet zeker dat wanneer Jezus in mijn hart woont, er geen plaats meer is voor andere rotzooi en verslavingen.
De laatste tijd vraag ik aan de Heer of hij mij wil schoonmaken. Of ik vol van zijn Geest mag worden. En dus niet meer vol van de wereldgeesten. Daar ben ik helemaal zat van. En ik merk dat hij mijn gebed verhoort. Want hij regeert mijn hart, mijn hoofd en mijn handen. En de duivel maakt op dit moment geen kans bij mij.
Ik weet dat Jezus naar mij luistert. Hij doet er alles aan om niet mij, maar het vuil in mijn hart aan te pakken. Hij verlangt naar een schone David; ik verlang naar zijn schone wereld.
Reageer
Reacties
Ik zie nu dat deze zinnen verwarrend kunnen werken.
Ik heb het namelijk steeds over mezelf. Die’ ik’ is steeds David. Het hele verhaal gaat trouwens over mijals ik over ‘ik’ spreek.
Ik zal de eerste zin die jij aanhaalt, veranderen in: Het is wel te vergelijken met de manier hoe ik in de kerk zit.
Ik hoop dat Jezus door zijn geestkracht inderdaad mijn smerige, egocentrische houding wegwast. En ik moet zeggen dat dat vanmorgen (19-2-2006) goed lukte!
“Het is wel te vergelijken met de kerk waar ik lid van ben. Niet Jezus verheerlijk ik, maar ten diepste zit ik er voor mezelf. Ik haal m’n kostje op, de naaste interesseert me geen zier, en ik ben gauw weer vertrokken.”
Ook je stereotype en eenzijdige beeld van je kerk(leden) mag je natuurlijk laten opruimen.