Vanmorgen kwam ik hem weer tegen. Op straat. Hij liet zijn hond uit, ik mezelf.
Hij: “Ik heb een alternatief, hoor!”
Ik: “Een alternatief?”
Hij: “Ja, het klooster.”
Ik: “Leg uit.”
Hij: “Nou, in plaats van zelfmoord te plegen zou ik natuurlijk ook gewoon in het klooster kunnen gaan.”
Ik: “Niet van, maar in de wereld!”
Hij: “Precies.”
Ik: “Oke, ik ben blij dat je je conclusies getrokken hebt. En ik wens je veel succes toe.”
Hij: “Hm, vind je m’n alternatief helemaal niets dan?”
Ik: “Eigenlijk niet, nee. Beetje godslasterlijk weer.”
Hij: “Begin je nou weer?”
Ik: “Sorry, ik gebruik grootse woorden. Ik wil je niet beschuldigen, maar het evangelie van Jezus vertellen.
Hij: “Vertel me het maar. Ik ben een en al oor.”
Ik: “Weet je, het zit ‘m niet zo in het begrip ‘de wereld’. Veel meer in jou zelf.”
Hij: “Ga door.”
Ik: “Jij zegt dat je niet van de wereld bent. Volgens mij is dat een onmogelijkheid. En nog sterker: ik denk dat je jezelf niet toewenst niet van deze wereld te zijn.”
Hij: “Hoezo?”
Ik: “Jij bént de wereld. Of zo je wilt: je bent er een onderdeel van. De wereld zit in je. In je spieren, je gewrichten, je gedachten. In je hart.”
Hij: “Je vindt dus dat ik een onwerkelijke, niet te ervaren scheiding aanbreng tussen mijzelf en de wereld?”
Ik: “Je begrijpt me.”
Hij: “Maar wat bedoelt Paulus dan?”
Ik: “Je bedoelt weer Romeinen 12: 2?”
Hij: “Jaja.”
2 U moet uzelf niet aanpassen aan deze wereld, maar veranderen door uw gezindheid te vernieuwen, om zo te ontdekken wat God van u wil en wat goed, volmaakt en hem welgevallig is.
Ik: “Ik geef je een opdracht voor morgen mee.”
Hij: “O nee he, ik moet in de schoolbankjes kruipen?”
Ik: “Ja en luister naar je leermeester.”
Hij: “Uw wens is mijn bevel, o grote heer!”
Ik: “Kom morgen naar deze plek met een antwoord op de volgende vraag: ‘Wat wil de wereld?’
Hij: “Wat wil de wereld? Mag het iets specifieker?”
Ik: “Wat wil jij? Wat is de zin van jouw leven? Waar leef jij voor?”
Hij: “Moet ik jou dat gaan vertellen?”
Ik: “Vertrouw je me niet meer dan? Ik heb dat antwoord van je nodig om Paulus aan je uit te leggen.”
Hij: “Hm, oke dan. Ik doe m’n best.”
Ik: “Mooi, ik spreek je.”
Daar ging hij heen. Ietwat gebukt. En ik zag hem denken. En in mijn verbeelding zag ik hem in zijn bed. Peinzend en woelend.
In de tuin van m’n overbuurman zag ik de kat-van-gister weer. Opnieuw proberend het lieve musje te verrassen. Ik bleef naar het kat en mus-spel kijken. En opeens borrelde het verlangen naar het gesprek van morgen in me op.