Gisteren schreef ik dat christenen niet hoeven mee te maken dat zij medemensen dood zien gaan. Ik denk dat het zelfs meer is dan ‘niet hoeven’. Volgens mij hebben we het te zijner tijd niet eens door. Dit meen ik op grond van Matteüs 25: 1-13.
1Dan zal het met het koninkrijk van de hemel zijn als met tien meisjes die hun olielampen hadden gepakt en erop uittrokken, de bruidegom tegemoet. Vijf van hen waren dwaas, de andere vijf waren wijs. De dwaze meisjes hadden wel hun lampen gepakt, maar geen extra olie. De wijze meisjes hadden behalve hun lampen ook olie in kruiken bij zich. Omdat de bruidegom op zich liet wachten, werden ze allemaal slaperig en dommelden ze in. Midden in de nacht klonk er luid geroep: “Daar is de bruidegom! Kom, ga hem tegemoet.” Dat wekte de meisjes en ze brachten hun olielampen in orde. De dwaze meisjes zeiden tegen de wijze: “Geef ons wat van jullie olie, want onze lampen gaan al uit.” De wijze meisjes antwoordden: “Nee, straks is er nog te weinig voor ons en jullie samen. Zoek liever een verkoper en koop zelf olie.” Terwijl zij op olie uit waren, arriveerde de bruidegom, en zij die klaarstonden gingen met hem naar binnen voor het bruiloftsfeest, waarna de deur gesloten werd. Enige tijd later kwamen ook de andere meisjes. Ze riepen: “Heer, heer, laat ons binnen!” Maar hij antwoordde: “Ik ken jullie werkelijk niet.” Wees dus waakzaam, want jullie weten niet op welke dag en op welk tijdstip hij komt.
Over dit verhaal van Jezus is veel te zeggen. Maar het gaat me nu even over die deur.
Je ziet het zo voor je. De wijze meiden rennen de zaal in waar gefeest wordt. Hun lange, heel erg lange wachten (ik zie hier Gods geduld met de wereld in!) is eindelijk beloond. Het is tijd om iets te drinken, tijd om te relaxen en onder langdurig brandend licht te genieten van feestmuziek en gezellige mensen.
Ik zie hen genieten en het verleden snel vergeten. Ze hebben niet eens doorgehad dat de deur achter hen gesloten werd…
Er is er één die het verleden niet vergeet. Dat is de Heer van het feest. Die laat zich nog naar de deur roepen. En hij moet verschrikkelijke dingen tegen de laatkomers zeggen.
Dat hoeven wij dus niet te doen. Voor die ellende worden wij bewaard. Christenen mogen voor altijd feesten. In een (waarschijnlijk niet te kleine) zaal zonder ramen en met gesloten deuren. Wij zullen de veroordeelden niet zien, want we hebben het te druk met feesten.
Wij hebben niets te maken met het oordeel over onze medemensen. Dat mogen wij heerlijk over laten aan de eerlijke rechter Jezus Christus, onze Heer.