Archief van februari, 2007

Afgelopen zondag hoorde ik een preek die is blijven hangen. Helaas gebeurt dat wel vaker bij me: de slechte toespraken blijven in m’n kop plakken.
Dat heeft te maken met zowel mijn hevig verlangen naar bevrijdend evangelie als mijn trots waaraan ik moet werken. Ik heb tijdens zo’n dienst de behoefte om op te staan en en het woord over te nemen…

Het ging over de luisterende Maria en de bezorgde Marta (Lucas 10). Er werd gezegd dat “iedereen wel een Marta in zich heeft” (behalve Maria dan?). En aan het eind verviel de beste man in hevige moraalridderij. Hij ruilde zeg maar de ene zorg (altijd maar druk moeten zijn) in voor de andere (kom op, bijbellezen!).

Ik denk dat daarom de sfeer na de preek ook niet bevrijdend en opgelucht was. Want stel je voor dat de hele gemeente van Hoogland zou beslissen om vanaf nu zes keer per dag de bijbel te gaan lezen, zou er dan iets veranderd zijn?
Ja oke, het gedrag zou veranderen, maar de identiteit niet. Laat staan een verandering van het hart.

En daar gaat het misschien wel om in dit stuk. Marta gaat naar Jezus en ze legt de vinger op het gedrag van haar zus Maria. Maria doet niets.

En wat doet Jezus vervolgens? Hij kijkt in het hart van Marta. “Je bent zo bezorgd. En dat terwijl ik in je huis ben!”

En als Jezus in je leven is, dan belooft hij gewoon (!) dat de rest echt wel komt.
Of, in het geval van Maria en Marta. Als Jezus je in beslag neemt, komt het heus wel goed met dat kopje koffie en de borrelnootjes.

En anders maar niet. Lekker belangrijk!

“O nee hè, niet dát onderwerp!”

Ik denk dat de meeste christenen niet graag over deze zonde na willen denken. En dat zou ook een goede zaak zijn, want Jezus zegt dat deze zonde onvergeeflijk is.
En je zúlt maar nooit vergeving krijgen. Zelfs een moslim moet daar niet aan denken…

Jezus zegt dit in een felle confrontatie met verdorven maar o zo uitgekiende theologen die veilig samenhokken in een partij: Farizeeën. Zij beschuldigen Jezus ervan dat hij mensen kan genezen omdat hij een hulpje van de ‘vorst der demonen’ is.

En dan zegt (de steeds kwader wordende) Jezus op een gegeven moment dit:

Matteüs 12, 31-32 Daarom zeg ik u: elke zonde en elke godslastering kan de mensen worden vergeven, maar wie de Geest lastert kan niet worden vergeven. 32 En iedereen die iets ten nadele van de Mensenzoon zegt, zal worden vergeven. Maar wie kwaadspreekt van de heilige Geest zal niet worden vergeven, noch in deze wereld, noch in de komende.

Als je niet beter weet, start je zo’n discussie over ‘de zonde tegen de heilige Geest’ zonder die in de context te laten staan. Dan verval je (misschien langzaam, maar) zeker in moralisme en dan vul je de hele avond met voorbeelden van zonden die in de onvergeeflijke categorie zouden kunnen vallen.
En ik zou je namen van dominees kunnen noemen die in dit laatste héél erg bedreven zijn.

Lees meer »

Stel, je komt een moslim tegen.
En hij vraagt je:
“Is Allah dezelfde als God?”

Antwoord dan nooit met: “Ja.”
Dat betekent namelijk: einde gesprek én een tevreden moslim.

Antwoord ook nooit met: “Nee.”
Dat betekent namelijk: einde gesprek én een kwade moslim.

Antwoord maar met: “Dat gaan we bestuderen!”
En het gesprek begint én de moslim zal zelf een keuze moeten maken.

Tegenover het kruis van Christus krijgt je leven de spanning die het zal moeten ervaren: vóór of tegen déze Jezus, want het is niet de Jezus (Isa) van de Koran.
Kortom: de doodlopende weg blijven bewandelen of de weg van het leven kiezen.

Dit en nog veel meer besprak ik gisteren in Kampen. Ik legde eindelijk weer eens een tentamen (Missiologie & Oecumenica) af. Succesvol: een 7.5.

“Zoek God!”
“Richt je hart op hem!”
“Stel je open voor de Geest!”
“Laat je door God vinden!”

Zomaar wat kreten die ik vaak hoor. Vaak in de kerk, maar ook in de familiekring, op catechisatie of op zoetsappig-christelijke videos-met-nog-zoetiger-muziek die het internet rondgaan.

Jeruzalem – dé stad van Gods volk – wordt vergeleken met een baby, die door twee heidenen is verwekt én onmiddellijk na de geboorte is verstoten.
Daar lig je dan. Te spartelen…

Ezechiël 16, 6-8 Toen kwam ik voorbij en zag hoe je in je bloed lag te spartelen. Ik zei tegen je, terwijl je onder het bloed zat: “Leef! Blijf in leven, bedekt met bloed als je bent.” Ik liet je groeien als een bloem in het veld: je groeide, je werd groot en je werd hoe langer hoe mooier. Je kreeg stevige borsten, je kreeg schaamhaar, maar je was nog helemaal naakt. Ik kwam voorbij en zag dat je rijp was voor de liefde, ik spreidde mijn mantel over je uit om je naaktheid te bedekken. Ik zwoer je trouw, ik sloot een verbond met je – spreekt God, de HEER – en je werd de mijne.

Alsof God het tegen zichzelf zegt. “Zoek [vul je naam in].” En hij loopt rond, zoekt, én vindt.
En hij leeft letterlijk met zijn vondst mee. De zuiverheid, de liefde en het hoffelijke respect van God valt me op.

Als christen(en) hoef je niet veel te doen. Misschien is stilstaan soms wel het beste. Even naar jezelf (en anderen) kijken. Ontdekken hoe mooi je bent.
En ontdekken hoe geliefd je bent. Want God laat zich zo kennen.

Ik ben altijd wat huiverig voor bovenstaande oproepen. Ze zijn niet fout, zelfs bijbels.
Het kan alleen nog mooier. Het evangelie van de ware God is namelijk grootser dan het resultaat van mijn zoektocht.

Want n.a.v. het eerste deel van Ezechïel 16 komt deze (geweldige!) retorische vraag in me op:

Hoe moet je op zoek gaan naar iemand die jou niet los kan laten?

Met open en droge mond kijken ze elkaar aan. Want dit is niet normaal.
De Israëlieten maken kennis met hemels wonderbrood. En ook weer eens met de bakker.

Exodus 16, 13-15 Diezelfde avond kwamen er grote zwermen kwartels aangevlogen, die in het kamp neerstreken, en de volgende morgen lag er overal rond het kamp dauw. Toen de dauw opgetrokken was, bleek de woestijn bedekt met een fijn, schilferachtig laagje, alsof er rijp op de aarde lag. ‘Wat is dat?’ vroegen de Israëlieten elkaar toen ze het zagen; ze begrepen niet wat het was. Mozes zei tegen hen: ‘Dat is het brood dat de HEER u te eten geeft.

De benaming van dit brood (’manna’) geeft wel aan hoe de Israëlieten erbij stonden toen ze deze witte schilferachtige laag vonden. ‘Man’ betekent namelijk ‘wat?’. Ze keken echt hun ogen uit.

God laat hier zien wat genade is. Ik heb laatst iemand horen zeggen hoe je heel eenvoudig kunt onthouden wat genade inhoudt. De 6 g’s vormen een prima kapstok.
God Geeft Graag Gratis Goede Gaven.

Dat is precies wat in de woestijn gebeurt.

1. Lees Exodus 16 en verbaas je, om de vijf zinnen.
2. Lees de eerste vier boeken van het Nieuwe Testament en verbaas je nog meer.
Want het manna mag dan verdwenen zijn, dé vraag van verwondering is in de loop van de bijbelse geschiedenis blijven staan. Ok, op het eerste woordje na dan.

Wie is dit, hé!?

Eindelijk, eindelijk kregen we het formulier binnen. Ik heb er om de maand voor moeten bellen.

Margreet en ik hadden recht op huurtoeslag voor de periode van juni-december 2006. Maar onze aanvraag bleef maar tussen wal en schip hangen.

Stuk voor stuk beloofden de medewerkers van de belastingdienst beterschap. En steeds zou het de volgende maand gestort worden.

Nu, 8 maanden (!) verder, krijgen we het. We kunnen het goed gebruiken.

Ik hoop dat het volgende kabinet, waar ik trouwens best enthousiast over ben, wat weet te doen aan dit bureaucratisch gehannes.

Mijn eerste week als docent Latijn zit erop. Samen met René Barkema heb ik kennis gemaakt met de Guido. Twee lessen heb ik zelf verzorgd.

Ik vind het spannend. Omdat het nieuw is. Een vreemde plek, nieuwe mensen en kinderen. Maar ik hoop en denk dat ik er binnenkort wel aan gewend ben.

De komende week draai ik de zeven uur Latijn geheel zelf. Ik ben benieuwd hoe het gaat.
De theologische studie staat in ieder geval op een laag pitje.