Tegen mijn gewoonte in nu eens een lang en waar gebeurd verhaal.
Want gisteren heb ik iets beleefd waar ik wel eens van droom en waarvoor ik God wel eens bid.
Het was heerlijk weer en ik besloot zoals vaker met een boek het park op te zoeken. Op een bankje genoot ik van de zon en van m’n lectuur.
Na een goede drie kwartier komt er een wat kalende man van een jaar of 35 op me af en hij vraagt me wat ik aan het lezen ben.
Ik antwoord: “Een boek over Jezus” (nl. Jezus van Allister McGrath). Dat vond hij – hij heet Roelof – machtig interessant en hij vertelde me dat hijzelf ook veel leest. En dat ontdek ik zelf snel genoeg.
We raken aan de praat over zijn en mijn verleden. En ik merk dat hij mij goed in zich opneemt. Binnen 3 minuten – echt waar! – weet hij me te melden dat ik gereformeerd moet zijn. Ik sta stomverbaasd en vraag hem hoe hij dat toch ziet. “Ach”, zei hij, “dat straal je uit en ik ontmoet veel mensen.”
Hij vertelt op een intellectuele manier hoe hij op zijn manier in Jezus gelooft (want ik wil het gesprek daar steeds op aan laten sturen). Hij vindt hem een profeet en absoluut niet de Zoon van God. “Want”, zegt hij, “God heeft het niet nodig zichzelf te verlagen.”
Ik vind dat een machtige gedachte en ben het dan ook met hem eens. God heeft dat inderdaad niet nodig. Helaas voor hem heeft de mens dat enorm nodig.
En rond die kern speelt ons gesprek zich af. Roelof gelooft in de mensheid. Want diezelfde morgen was hij door de politie op straat gewekt (balen!) maar even later kreeg hij van een vrouw zomaar een zak krentenbollen en een fles drinken. “En dan begin ik gewoon te janken”, vertrouwt hij me toe.
Omdat Roelof erg dorst heeft vraagt hij mij om wat drinken. Ik wil wel wat halen, maar hij wil ook wel met me mee. Ik aarzel toch even, maar vertrouw hem. Dus op naar de Eikenlaan.
In m’n huisje slaat hij in no time drie glazen cola achterover, want hij had echt dorst. Ik had met hem te doen en voelde veel liefde voor hem. Wilde hem graag helpen.
Ook thuis spraken we nog lang door. Hij vertelde dat hij wel eens ’s zondags bij de kerk gaat staan. En dan vraagt hij de kerkmensen, die net de kerk uitkomen, om wat geld voor wat drinken. En dan krijgt hij niets.
Zonder het hardop uit te willen spreken – hij is erg bescheiden en mild – vindt hij dat hypocrtiet gedrag. En ik moet hem weer gelijk geven.
De tijd verstrijkt en ik vertel hem het volgende: “Roelof, weet je wat me opvalt in dit gesprek: jij leeft in een enorme paradox. Aan de ene kant geloof je in de mensheid (”mensen zijn bouwstenen naar God”), aan de andere kant ben je behoorlijk teleurgesteld in diezelfde mensheid.”
Toen knapte hij en de tranen biggelden even later over zijn wangen. “Weet je”, zei hij, “ik heb jaren bij een psychiater gezeten maar jij hebt binnen een uur door waar ik meezit en je hebt helemaal gelijk!”
Is toch wel gaaf om te horen, moet ik zeggen. Ik zeg hem dat hij zijn geloof in de mensheid kritisch moet bekijken. Ik hou hem Jezus voor. En hij luistert.
En hij wil ook weg. Ik voel iets van schaamte bij hem, wat hij ook verwoordt. Daarop probeer ik hem gerust te stellen.
Niet veel later stapt hij op. Ik bied hem nog te eten (voor onderweg) aan, maar hij weigert pertinent.
Ik zeg hem graag nog eens te willen ontmoeten. Ik vertel hem dat ik overdag vaak thuis ben.
Daar reageert hij enthousiast op.
“Hou je taai”, waren m’n laatste woorden. En hij fietste weg. Ik vraag me af of ik hem ooit nog weer zie.
Ik hoop vurig dat de ware God zijn zwaar gehavende leven openbreekt.