
Eerst denk ik: “Ach, hoepel toch op met jullie praatjes”, maar toch sta ik nog zeker een halfuur met hen te praten.
Ze belden weer eens aan. De getuigen van Jehovah. Ik deed open en hoorde: “Dus jij bent David?”, terwijl ze naar ons naamplaatje keek. Twee vrouwen: de een een typische wat mollige huisvrouw, de ander een vrolijke bruingetinte vrouw. Bekeerd, dat was wel duidelijk.
Ik weet niet wat het is met deze mensen. Aan de ene kant heb ik medelijden met hen, anderzijds moet ik hen hun drang naar evangelisatie nageven. Ze doen het toch maar. En waarom (vroeg ik)? “Om de komst van de HEER te bespoedigen, want hij komt pas als iedereen van het evangelie (in hun woorden: dreigende oordeel) gehoord heeft.”
Het was een gezellig gesprek, met humor. Ok, vooral van mijn kant, maar het werd vooral door de donkere dame wel gewaardeerd.
Op een gegeven moment ging het over het eeuwige leven. Ik vroeg of zij uitverkoren was. Zij vertelde me dat ze naar dat leven verlangde. “Ik verlang naar het paradijs, dat hier op aarde zal zijn. Of ik bij het getal der uitverkorenen zal zijn weet ik niet, maar dat maakt me ook niet uit. Ik zal in het paradijs zijn en ik zal geregeerd worden door de zogenaamde gezalfden (bijzondere mensen die dichtbij God staan; vergelijk de oudsten in het boek Openbaringen).
Dus ik vroeg: “Maar ga je dan God wel zien als jij hier op aarde blijft, terwijl God daarboven is?” Zij: “Nee, maar dat maakt me ook niet uit. Ik ben in het paradijs!”
Ik vertelde dat ik daar vreemd van opkeek. En dat ik niet met haar wilde ruilen. “Het is mijn grote wens God te zien”, zei ik. En: “Als dat vooruitzicht me ontnomen wordt, kan ik er net zo goed mee nokken”. Waarop zij zei: “Het maakt toch niet uit of je God ziet?” Ik: “Nou, dat vraag ik me wel af. Of ik mijn vrouw alleen spreek door de telefoon of haar óók mag zien, maakt mij echt wel uit. Bovendien zegt Paulus wel anders.”
“Maar Paulus was een gezalfde, híj mag God dus wel zien”, zei ze. Dat ik daar niet verder op ben ingegaan zit me nog steeds dwars. Tsjonge zeg, ze pakken je het evangelie af waar je bij staat.
Ze zeiden dat ze de bijbel erg goed bestudeerd hadden (en dat ik dat ook nog eens goed moest doen) en ze begonnen nog verder over gezalfden, wat bijbelteksten en wat getallen. Allemaal goed bedoeld, maar regelrechte onzin, vol exegetische fouten. Je kunt dus wel lang studeren, maar ook heel lang verkeerd studeren. En dat levert medelijden met zulke mensen bij mij op.
Ergens leken deze twee mensen op moslims. Het zal ze een zorg zijn of God/ Allah / Jehova in het paradijs is, als ze er zélf maar zijn.
Volgens mij mis je dan net de grootste vreugde. Oog in oog met God staan. (En dat je dán in leven blijft!)
1 Korintiërs 13, 10-13 Wanneer het volmaakte komt zal wat beperkt is verdwijnen. Toen ik nog een kind was sprak ik als een kind, dacht ik als een kind, redeneerde ik als een kind. Nu ik volwassen ben heb ik al het kinderlijke achter me gelaten. Nu kijken we nog in een wazige spiegel, maar straks staan we [dus niet alleen Paulus! DH] oog in oog. Nu is mijn kennen nog beperkt, maar straks zal ik volledig kennen, zoals ik zelf gekend ben. Ons resten geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de grootste daarvan is de liefde.




