In verband met mijn afstudeerproject reis ik geregeld af naar Kampen, de stad van m’n studie. Ik spreek daar dan af met Kees Haak, m’n projectbegeleider.
Dat gebeurt meestal ’s maandags. Het voordeel daarvan is dat er markt is. En dus koop ik dan geregeld een visje voor Lieuwe, Marinus, Harry en niet te vergeten: mezelf.
Samen met Lieuwe stond ik aan de kraam. Ik bestelde twee lekkerbekjes en een paar ons kibbeling. Ik kan dan echt genieten van die verkoperstaal. Als de Kamper visboer 7 euro teruggeeft zegt-ie dat op zo’n typisch maniertje: “Alsjeblieft, met z’n zevenen!”
Ik vroeg: “Verkoopt u ook Heek?” Waarop hij bevestigend antwoordde. M’n lekkerbekjes bleken Heek te zijn (wist ik veel, dat kan ik niet zien). Ik zei: “Dat is namelijk m’n achternaam.” “O”, zei hij, “dan kom je zeker uit Spakenburg?” Ik keek hier nog niet zo van op (dat weten die visboeren wel), maar hij ging door. “En van wee bin jie d’r één dan?” vroeg hij met óók een licht Kampens accent. Ik vertelde van wie ik er één was. En wat bleek: hij kende m’n opa (Heek) en een van de zussen van m’n vader.
Ik vond het grappig en dacht even: Wat is die viswereld toch klein! De lekkerbekken daarentegen waren groot en goed te eten. Bottenberg is de naam (zie foto voor twee van de werknemers).