Archief van oktober, 2007

In mijn omgeving leven veel christenen. Ik kom uit een christelijke familie en niemand in mijn schoonfamilie heeft dat stempel niet. Bovendien ben ik lid van een christelijke gemeente waar zo’n 300 anderen ook lid van zijn. Ook mijn vriendschapskring kent uitsluitend christenen (wat ik wel ’s jammer vind).

Toch ken ik maar weinig mensen van wie ik onder de indruk kom. Van wie ik zeg: “Aan hem kan ik zien dat hij Christus als Heer heeft.”

Het is natuurlijk veel te gemakkelijk om naar anderen te wijzen als ik zélf bijbel lees. Ik hoop dat mensen aan mij merken dat ik Jezus als Heer heb! Anders hoor ik dat graag.

Als ik Jezus hoor zeggen dat hij de ware wijnstok is en dat hij zonder pardon iedereen wegsnijdt die geen vrucht draagt terwijl hij aan hem vast zit (dus christen is), dan denk ik: volgens mij heb je echt een probleem als je alleen formeel christen bent. Als je niet groeit (of je je daar niet eens druk over maakt). Je wordt met je goeie gedrag rigoreus weggesneden.

Maar het gaat nog verder. Áls je groeit, snijdt God ook. En dat is naar mijn idee misschien nog wel irritanter dan in een keer weggesneden te worden. Want snoeien gebeurt vaker en gaat dwars door je ziel heen.

Ik merk dat door de afgelopen jaren heen. Ik groei zeer zeker, maar ik maak groeifouten. Waar ik eerst zo stellig van overtuigd was om naar toe te groeien, ben ik door God allang weer van afgebogen. Dat maakt me verdrietig, maar (later) nog blijer dan voorheen. Bovendien vind ik het een heerlijk idee dat God zich met mijn leven bemoeit. Dat hij me fouten láát maken. Zoals een goede leraar dat ook doet.

Als ik bedenk waarom God snoeit, krijgt mijn leven zin. Dwars door de groeipijnen heen weet ik dat het Jezus om dat ene gaat. Dat ik God groot maak en dat hij zichtbaar in mijn leven wordt. En het gekke is dat ík daarvoor beloond ga worden.

Ach, met die beloning op zak weet ik dan wel beter.

Johannes 15, 1-2 en 8 [En Jezus zei:] “Ik ben de ware wijnstok en mijn Vader is de wijnbouwer. Iedere rank aan mij die geen vrucht draagt snijdt hij weg, en iedere rank die wel vrucht draagt snoeit hij bij, opdat hij meer vruchten draagt. [...] De grootheid van mijn Vader zal zichtbaar worden wanneer jullie veel vrucht dragen en mijn leerlingen zijn.”

Vanmorgen was ik getuige van de doop van Lydia, de jongste telg van mijn oudste broer.

In zo’n volle kerk word ik al gauw overdonderd door het immense volume wat zo’n mensenmassa teweegbrengt. Het gaat traag, maar wel hard. Ik kan begrijpen dat mensen dat mooi vinden of erop kicken.

Ikzelf mis de aanbidding zoals ik die graag zou willen meemaken. Ik zing oude liederen die me amper aanspreken. Ik zie oudere mensen hard zingen, en ik zie jongeren zich vervelen en een beetje meebrabbelen.

Ik sprak erover met m’n broers. Ik vertelde dat ik op catechisatie geregeld hoor dat jongeren niets met de liturgie binnen onze gereformeerde kerken kunnen. Ze voelen zich niet aangesproken. En kunnen God in hun eigen taal niet aanbidden.

Dat doet me pijn; elke keer als ze dat zeggen.

Ik wil niet zeggen dat oude liederen niets meer te zeggen zouden hebben (integendeel, ze gaan niet voor niets al zo lang mee), maar ik weet zeker dat veel jongeren in de nabije toekomst de gereformeerde kerken om deze reden de rug zullen toekeren.
En durf hen dan eens ongelijk te geven. Als je God niet in je eigen taal kunt aanbidden, wordt diezelfde God al snel een museumstuk of de-God-van-je-(groot)ouders.

Ik neem de jongeren daarom ook niets kwalijk. Ik bedoel: je moet God wel kúnnen aanbidden in Geest en waarheid. Niet sporadisch, maar wekelijks.

Johannes 4, 23 Maar er komt een tijd, en die tijd is nu gekomen, dat wie de Vader echt aanbidt, hem aanbidt in Geest en in waarheid. De Vader zoekt mensen die hem zo aanbidden.

Vanmorgen moest ik denken aan nóg een verschil tussen God en de rest. Naast nabijheid is er is ook een verschil in kracht. Dat haal ik uit de laatste zin van het tweede gebod: ‘Maak geen afgodenbeelden’ (Exodus 20, 4-6).

Exodus 20, 4-6 Maak geen godenbeelden, geen enkele afbeelding van iets dat in de hemel hier boven is of van iets beneden op de aarde of in het water onder de aarde. Kniel voor zulke beelden niet neer, vereer ze niet, want ik, de HEER, uw God, duld geen andere goden naast mij. Voor de schuld van de ouders laat ik de kinderen boeten, en ook het derde geslacht en het vierde, wanneer ze mij haten; maar als ze mij liefhebben en doen wat ik gebied, bewijs ik hun mijn liefde tot in het duizendste geslacht.

De meeste Nederlanders geloven niet meer in (het bestaan van) God, maar hebben of hadden waarschijnlijk wel (streng-)gereformeerde of diepgelovige katholieke groot- of overgrootouders. Ik denk dat je kunt zeggen dat de ouders van de meeste Nederlanders er voor hebben gezorgd dat hun kinderen niet meer geloven. En de kans is groot dat hun kleinkinderen God zelfs helemaal niet meer kennen. Laat staan hun kroost na 2030.

Maar dan houdt het op, zegt God. Want meer eer wil hij de afgoden van hun overgrootouders niet geven. Meer eer en kracht hébben ze vooral ook niet.

Want het geslacht van na 2030 zal niet meer ‘geloven’ in de goden van hun overgrootouders. Die zijn dood en vergaan. Deze kinderen gaan gewoon hun eigen, niet-godsdienstige weg met hun eigen goden. Het woordje ‘af-’ is op hun goden al niet meer van toepassing. Ze worden van geen god afgeleid, ze weten niet beter dan hun manier van leven.
(En ze staan waarschijnlijk ook weer meer open voor het evangelie van Jezus Christus en de God van hun betovergrootouders.)

Daarom heeft de echte God ook zoveel kracht. Hij zegt dat hij zijn liefde bewijst tot in het duizendste geslacht. Daar lees ik zo overheen, maar dat is dus ongeveer 30.000 jaar!
Ik heb wel eens gehoord dat deze manier van zeggen voor een Jood meer gevoelswaarde heeft dan het woordje ‘eeuwig’. Moet je nagaan!

En God maakt zijn woord gewoon nog waar, hoor. Ik ervaar nog steeds de liefde van God die hij al aan mijn vroegste voorouders beloofd heeft.

Gods liefde snijdt dwars door zijn woede heen (maar wat zonde van die drie, vier generaties!).

Een groot voordeel van mijn afstudeerproject is dat ik de bijbel anders ga lezen. Omdat ik meer kennis krijg over andere godsdiensten, vallen me al snel grote verschillen tussen het christelijk geloof en die godsdiensten op. Tussen mijn God en andere goden.

Een belangrijk aspect is wel dat de God van christenen als enige van alle andere goden dichtbij komt. En zo omschrijf ik dat inderdaad het best: hij komt dichtbij en hij komt dichtbij.

Een hindoe is op zoek naar de god in zichzelf. Hij moet de goede strijd strijden om die god uiteindelijk te vinden. Via allerlei meditatietechnieken zal de hindoe zichzelf verliezen en vergoddelijkt opgaan in het Al.
Zijn god is dus wél dichtbij (nl. vanaf de conceptie in hem), maar hij komt niet naar hem toe.

Een boeddhist staat er alleen voor. Hij vertoont overeenkomsten met de hindoe, maar kent geen god. Een boeddhist wil de geestelijke top bereiken en kan dat doen door steeds meer af te zien van zijn begeerten. Zijn manier van leven in dit leven beïnvloedt de status van zijn volgende leven (promotie of degradatie). Zo zal hij uiteindelijk (na tig levens) het volmaakte geestelijke niets bereiken.
Geen god, geen nabijheid.

Een moslim is grotendeels het tegenovergestelde van de hindoe. Een moslim gelooft dat god met zijn heilige wil (nl. de Koran) in de wereld gekomen is. Door vele profeten (onder wie ook Jezus alias Isa), maar vooral door de laatste profeet Mohammed.
De God van de moslim komt dus wel (hij openbaart zijn wil), maar hij komt niet dichtbij. Niet in de mens, of in het hart.

Wat vind ik het dan geweldig dat ik christen ben. En wat gaat een tekst als hieronder dan nog meer voor me leven.

1 Petrus 5, 7 – DE OUDE, DE NIEUWE EN MIJN VERTALING

NBG ‘51 – Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u.

NBV – U mag uw zorgen op hem afwentelen, want u ligt hem na aan het hart.

Mijn ‘vertaling’ – Werp al je zorgen op hem, want jouw zorgen zijn ook zijn zorgen.

Soms maak je er grappen over, soms is het doorkomen met ze. Je schoonfamilie. (Wat móet je ermee?)

Het afgelopen weekend zat ik met hen opgescheept. In de Ardennen. Een mooi cadeau van m’n schoonouders n.a.v. hun 35-jarig huwelijk.

Zie je me al zitten tussen die zussen en broers van Margreet, die allemaal wat van haar uiterlijk en karakter hebben – maar dan net typisch anders zijn?

En tussen al die kids? We waren met z’n twintigen in totaal. Acht daarvan waren 8 jaar en (vooral) jonger. En die maken met elkaar zoveel geluid dat geen enkele geluidswal zin zou hebben gehad. En dan hoop je natuurlijk dat de ouders het geluid weten te temperen, maar ook dat is ijdele hoop. Als je pech hebt, wakkeren ze het nog juist aan ook…

En toch…toch heb ik het overleefd. En ik wil het eerlijk zeggen: ik vond het een topweekend!

Prachtige omgeving, veel water, lekker kajakken, zingen, goed eten, veel drinken, veel gelachen, veel gezelligheid, knetterend haardvuur, pokeren (jaja, ik kan het nu ook), foute grappen maken, het fanatiekst gespeelde spel Party @ Co ooit, mooie gesprekken met deze en gene, kortom: top.

Mijn schoonfamilie is een mengeling van de meest uiteenlopende karakters, maar met de harten op de goeie plek. Dat maakte dit weekend vooral top.

Natuurlijk zijn er foto’s gemaakt. Héél veel. Klik hiernaast op ‘Bekijk het fotoboek’ of gewoon hier voor een uitgebreide impressie.

Voor het weekendverhaal van een van mijn schoonzussen, Menrike, klik hier.

Soms bluf ik een beetje tijdens mijn wekelijkse lessen in de kerk. Zo zei ik vorige week dat ik elke theologische kwestie kan verduidelijken met een voetbalmetafoor. Zo is het werk van de Geest van God bijvoorbeeld goed te vergelijken met het werk van een coach dat hij voor, tijdens en na een wedstrijd verricht: hij bemoedigt, vermaant en troost als het moet.

Dit is maar een simpel voorbeeld. Afgelopen dinsdagavond ging het even over de heiligheid van God. Ik liet de catechisanten ontdekken dat God in de eerste plaats heilig is (dus niet: liefde, goed of barmhartig). De vier wezens – zo staat in Openbaring 4 en vergelijk ook eens het Oudtestamentische Ezechiël 1! – bezingen rond zijn troon die heiligheid onophoudelijk:

Openbaring 4, 8 Elk van de vier wezens had zes vleugels, met overal ogen langs de randen en aan de binnenkant. Dag en nacht herhalen ze: ‘Heilig, heilig, heilig is God, de Heer, de Almachtige, die was, die is en die komt.’

Een van de catechisanten vroeg waarom dat nu per se drie keer uitgesproken moet worden. “Eén keer is toch genoeg?”
Goeie vraag, dacht ik. En ik dacht er even over na. Daarop zei een ander meteen: “David, jij bent toch zo goed in voetbalmetaforen, nou, gebruik hier maar eens zo’n metafoor voor.” En ik zag hem zo typisch gemeen lachen.

Ik dacht bij mezelf: dit wordt moeilijk, maar ik probeer het. Ik zei:

“Het mooiste doelpunt dat ik live in mijn leven heb gezien is dat heerlijke doelpunt van Bergkamp tijdens de kwartfinale van het WK in 1998.” [En toen werd ik geholpen door een van de catechisanten die ik de naam van Jack van Gelder hoorde fluisteren.]

Ik ging verder: “Als je dan het commentaar van Jack van Gelder hoort (hij bijft de naam van Bergkamp maar uitschreeuwen), heb je precies door waarom de vier wezens ook de grootheid en heiligheid van God blijven bezingen.”

Er is dus sprake van een extase rond God in de hemel. Een sfeer van verwondering die eindeloos is, nooit stopt. Gods heiligheid doet je versteld staan en moet je gewoon bezingen. Je kunt niet anders als je hem tegenkomt.

En laat die heilige God nu zelfs mijn Vader willen zijn!

Wil je de extase van Van Gelder eens horen, klik dan op de link hieronder. Kippenvel gegarandeerd! Tenminste, als je net als ik gek op het spelletje bent.

Jack van Gelder – Dennis Bergkamp 1998.mp3

Een blog over eten. En dromen over eten en drinken bij God.

Vroeger werden christenen beschuldigd van kannibalisme. Ze zouden mensenvlees eten en -bloed drinken. Dat gerucht was goed te begrijpen als je bedenkt dat Jezus zelf zei dat hij zijn lichaam en zijn bloed aan zijn leerlingen aanbood. “Eet dit en drink dit!” Daar wil je niks mee te maken hebben natuurlijk.

Ik vind het ook een gek idee. Dat ik – tijdens het Heilig Avondmaal – Jezus eet en drink. Natuurlijk zijn christenen geen kannibalen, maar had Jezus het niet op een beter verteerbare wijze kunnen zeggen?

Denk ik hier over na en lees ik de goede literatuur (Ravy Zacharias, Jesus among other Gods) dan ontdek ik dat dit ritueel geweldige geheimen van het christelijk geloof blootlegt.

1. Jezus komt op een geestelijke manier in mijn hart, zoals eten in mijn maag belandt. Jezus stilt een geestelijke honger in mij die dieper gaat dan honger naar eten (zie bijvoorbeeld het verhaal van Johannes 4; vergelijk de bekeerde vrouw eens met Jezus’ leerlingen!). Jezus zegt in Johannes 6 dan ook niet voor niets dat hij het levende brood is.

2. Dit maaltijdritueel onderscheidt het christelijk geloof van élke andere godsdienst.
A. In de Islam is er een onoverbrugbare afstand tussen Allah en de mens. Alleen via geboden en ethische gebruiken kan de mens aan de wil van Allah voldoen. Er is geen liefdevolle relatie mogelijk.
B. In het Boeddhisme moet je via allerlei religieuze wegen (honderden regels voor man en nog meer voor de vrouw) opklimmen naar het hoogste doel (Nirvana). Van een persoonlijke God is geen sprake, laat staan iemand die zich aan je aanbiedt.
C. In het Hindoeïsme moet elk individu op zoek gaan naar de God in zichzelf: zelf-deïficatie. Hier is het de vraag wie jij dan ten diepste bent (mag je er wel zijn?) en wie die God is. Het christelijk geloof neemt zowel het individu als God serieus. Ze worden duidelijk van elkaar onderscheiden; Jezus gééft zich namelijk.

3. Een maaltijd is geweldig. God en Jezus gebruiken het vaak. Als Mozes en de oudsten op de berg zijn, eten ze met God (Exodus 24, 11). Al is dat niet nodig (Exodus 34, 28).
En Jezus deelt tweemaal brood uit en houdt genoeg over.
De kracht van een maaltijd is, denk ik, dat alle zintuigen aan het werk komen. Je voelt, ziet, hoort, ruikt en proeft.
Eten met God is tot je bestemming komen. Je lichaam gebruiken waar het voor bedoeld is.
Daarom belooft Jezus zijn leerlingen dat er een dag zal komen dat hij weer samen met hen hemelse wijn zal drinken.

Met het Heilig Avondmaal in de kerk mogen we al een beetje ervaren wat het is als onze geest en ons lichaam door God bij elkaar worden gebracht. Hoe zal dat dan niet zijn als we bij hem in de buurt zijn?

PS. Is het niet opvallend dat de ogen van de Emmaüsgangers juist dan opengaan wanneer Jezus voor hun ogen het brood breekt? Juist op dat moment sluiten geest en lichaam op elkaar aan!

HET AVONDMAALSRITUEEL – DE EERSTE KEER

Matteüs 26, 26-29 Toen ze verder aten nam Jezus een brood, sprak het zegengebed uit, brak het brood en gaf de leerlingen ervan met de woorden: ‘Neem, eet, dit is mijn lichaam.’ En hij nam een beker, sprak het dankgebed uit en gaf hun de beker met de woorden: ‘Drink allen hieruit, dit is mijn bloed, het bloed van het verbond, dat voor velen wordt vergoten tot vergeving van zonden. Ik zeg jullie: vanaf vandaag zal ik niet meer van de vrucht van de wijnstok drinken tot de dag komt dat ik er met jullie opnieuw van zal drinken in het koninkrijk van mijn Vader.’

En ja hoor, op de verjaardag van mijn vrouw werd er weer aangebeld. Weer stond de goedlachse donkere vrouw aan de deur. Met dit keer iemand anders aan haar zij: een oudste binnen de Jehovah-gemeente! Ze had dus meer theologische kennis meegenomen.

Het ging over de vorige keer: Zullen we God zien? [Ik:] ja of [zij:] nee, behalve als je een van de gezalfden bent.

Ook ging het over de naam Jehovah. Voor hen is het belangrijk dat hij zó aangesproken wordt, want dat is zijn naam. Van mij mag de vertaling HEER ook meteen in Jahweh veranderd worden, maar dit is m.i. geen belangrijk issue. Bovendien heeft onze vertaling HEER de oude werkwoordsvorm ‘zijn’ in zich. Heer betekent ‘de zijnde’, ik ben die ik ben.

Ze maken er m.i. een absolute kwestie van, terwijl ik denk: God let niet op de aanspreekvorm, maar op de intentie. Als ik God aanspreek met ‘Vader’ impliceert (en verdiept!) dat natuurlijk de naam Jahweh. Hetzelfde gebeurt met de aanspreekvorm ‘Machtige’ of ‘Heer’.

Ik zei nogmaals dat zij het evangelie van me afnamen, namelijk dat ik God (misschien) niet mag zien. Want zij maken een onderscheid binnen christenen. De ene groep mag God wel zien (nl. de zogenaamde gezalfden), de andere blijft op aarde en zoekt het feestelijk met elkaar uit.

Ik zei: “Ik ben christen, weet u wat dat betekent?’ De man aarzelde en ik zei: “Dat betekent dat ik gezalfd ben. Elke christen is dus een gezalfde.” Waarop hij zei: “Nee, een christen is een volgeling van Christus, dé gezalfde.” Je voelt op je klompen aan waarom hij dit zei. In principe laten deze Getuigen Christus niet Heer over iedereen zijn. Ze maken Jezus kleiner dan hij wil zijn en houden hem zo op een afstand voor veel hongerige mensen. En op afstand van zichzelf!

Lees meer »