Archief van november, 2007

Voordat ik gisteravond aanwezig was op het bulfeestje van Margreet, mocht ik weer eens een praatje houden voor een Alpha-groep. Het ging over de relevante vraag hoe je nu zekerheid van je eigen, christelijk geloof krijgt.
Ik vergeleek het met een pak koffie uit Brazilië. Ik vroeg aan de groep: “Hoe weet je nu zeker dat deze koffie uit Brazilië komt?” En al gauw kwamen ze met twee antwoorden op de proppen.

1. Je moet het lezen (op de verpakking).
2. Je moet het kunnen zien (je kunt een reis naar Brazilië maken).

Het leuke is dat het binnen het geloof precies hetzelfde gaat. Ook als je er zekerheid in wil krijgen.

1. Om zekerheid te krijgen moet je de inhoud van het christelijk geloof horen, toegezegd krijgen. Daarom gaf ik op een flap-over binnen vijf minuten een overzicht van de geschiedenis van de bijbel. Via het paradijs, Babel, Abraham, Israël met z’n profeten, Jezus, Pinksteren en de heilige Geest, de apostelen, en tenslotte via de kerk(geschiedenis) kwamen we bij David Heek (of vul je eigen naam maar in) terecht.

Dat vind ik geweldige kennis. Dat ik op één geestelijk-historische lijn sta met Jezus, mijn door God verwekte medemens. Dat ik op die lange, flinterdunne maar duidelijke lijn mag staan.
Veel mensen – ook veel christenen – weten dit gewoon niet of vinden dit niet relevant, maar deze kennis verwondert me helemaal. De bijbel geeft zo’n eenvoudig overzicht van de aardse geschiedenis dat zelfs een kind het kan begrijpen.

2. Om zekerheid te krijgen moet het geloof ook zichtbaar zijn. Want zien is nog altijd geloven. Het geweldige hiervan is dat God zélf dit bedacht heeft. Alsof hij gedacht heeft: “Ik wil het zo graag, maar hoe krijg ik in vredesnaam de mens weer bij mij?” Daarom heeft hij zichzelf op allerlei manieren geopenbaard – het Oude Testament loopt er van over.
Maar dat was nog niet duidelijk genoeg. Mensen liepen nog steeds bij hem vandaan. En daarom gaf hij zichzelf, toen hij Jezus gaf. Eindelijk zichtbaar, eindelijk Gód-op-aarde, eindelijk dichtbij. En dat gaf en geeft nog steeds heel veel mensen de zekerheid die ze zochten en zoeken.

Geen andere godheid in welke godsdienst dan ook heeft hetzelfde gedaan. Allah is onbekend, alleen zijn wíl is aan Mohammed geopenbaard. Maar of dat echt Góds wil is, wordt mij niet met de volle 100% gegarandeerd. Dat moet ik maar van Mohammed en de zijnen (en dat zijn medemensen zoals ik!) aannemen.
En andere godsdiensten werken juist vanuit de mens die zichzelf met al z’n verlangens moet wegcijferen om het goddelijke in zichzelf te ontdekken en tenslotte in het Al op te kunnen gaan.
En dan al die (nieuwe) religies. Ze geven van alles, maar nooit die zekerheid die ik wil hebben.

God is in Jezus zichtbaar geworden. Maar… ik moet ik mij natuurlijk wel eerlijk afvragen of die Jezus écht God is (of toch een psychopatische praatjesmaker!). In Johannes 10 krijgt hij juist die vraag: bent u het of bent u het niet? Aan ons de keus. Die van mij mag duidelijk zijn. Kun jij hem op een fout betrappen of word je, net als ik, juist door hem verrast?

Johannes 10, 22-30 In Jeruzalem werd het feest van de Tempelwijding gevierd; het was winter. Jezus liep in de tempel, in de zuilengang van Salomo. Daar kwamen de Joden om hem heen staan, en ze vroegen hem: ‘Hoe lang houdt u ons nog in het onzekere? Als u de messias bent, zeg het ons dan ronduit.’ Jezus antwoordde: ‘Dat heb ik u al gezegd, maar u gelooft het niet. Wat ik namens mijn Vader doe getuigt over mij, maar u wilt me niet geloven, omdat u niet bij mijn schapen hoort. Mijn schapen luisteren naar mijn stem, ik ken ze en zij volgen mij. Ik geef ze eeuwig leven: ze zullen nooit verloren gaan en niemand zal ze uit mijn hand roven. Wat mijn Vader mij gegeven heeft gaat alles te boven, en de Vader en ik zijn één.’

Omdat het de laatste weken erg lekker gaat met Vogels Drie heb ik een lied gemaakt. Want er is bijna niets leukers, vind ik, dan je blijdschap na een gewonnen wedstrijd er samen uit te brallen.

Het lied gaat op de wijze van: ‘Hou eens op met al dat werken’. Een melodie die ik op de basisschool heb geleerd en ‘eenmaal in het jaar’ ;) op Koninginnedag zong.

Couplet 1:

Hou eens op met al dat werken.
En laat iedereen het merken.
Slechts de groene wei heeft onze sympathie.
En we gaan de wedstrijd winnen;
de drie punten komen binnen.
Het is zaterdag; ‘t is tijd voor Vogels drie.

Refrein:

Wij zijn Vogels drie!
Wie kent onze ploeg nou nie(t)?
Want we zijn het gekste team van Nederland.
Bier en voetbal gaan bij ons nog hand in hand.
We spelen ploegen dol
en gieten ons dan vol,
want wij houden veel van alcohol.
Vogels is een mooie club – is het waar of nie?
Maar mooier kan het altijd nog:
bij ons in Vogels drie!

Couplet 2:

Als onze voeten weer gaan spreken,
dan is dat voor ons het teken
dat het balletje het net voldoende raakt.
En als de scheids heeft afgefloten
wordt het bier opnieuw vergoten
en het voetbalpotje dan pas afgemaakt.

Refrein

Ik denk dat het één van de meest intieme en dus ook geliefde psalmen in de bijbel is. God en de dichter: zo dichtbij elkaar. Zo veilig, waar hij ook gaat, staat of heenvliegt. Psalm 139.

God kent hem door en door en hij wordt er in het geheel niet bang van. De dichter is daarentegen ondersteboven van Gods doordringbare kennis van zijn leven en lichaam.
Hij begrijpt er niets van, maar hij vindt het heerlijk. God: het enige ‘röntgenapparaat’ dat de mens blij, verwonderd en aanbiddend maakt.

Maar dan, ineens:

Psalm 139, 19-22

19 God, breng de zondaars om,
– weg uit mijn ogen, jullie die bloed vergieten –
20 ze spreken kwaadaardig over u,
uw vijanden misbruiken uw naam.

21 Zou ik niet haten wie u haten, HEER,
niet verachten wie tegen u opstaan?
22 Ik haat hen, zo fel als ik haten kan,
ze zijn mijn vijand geworden.

De geestelijke lol is er meteen vanaf. Wat een raar stukje, of niet dan?

Ik heb wel gedacht: ‘Kijk, dit is nou typisch Oude Testament. Ik weet wel beter, want Jezus zou ons later duidelijk leren: heb je vijanden lief. En dat moet deze jongen blijkbaar nog leren.’

Ook de jongerenbijbel stelt die gedachte voor. Ik vraag me nu af of dat klopt. Ik denk namelijk dat wij echt met God mee mogen haten. Want heeft Jezus het over mijn vijanden (”Heb jouw vijanden lief”), deze dichter heeft het over Gods vijanden (vers 20b).

En dat laatste zit de dichter ontzettend dwars. Hij kan er niet tegen dat zijn geweldig nabije God bespot en gehaat wordt. En dus klimt hij op Gods veilige schouders – zo dichtbij komt God vast ook wel – en haat hij met God mee. Op die manier is de dichter ook heel dichtbij Gód (vers 18b).

Gods vijanden, dat zijn ook mijn vijanden. Want ik hoor bij die God. En ik wil dat ook.

Deze Joodse dichter heeft het, als hij redelijk is, over mensen die God net zo goed als hij kúnnen kennen. Ik denk dat hij het vooral over zijn eigen, afgevallen volksgenoten heeft.

Dat wil niet zeggen dat ik niet hoop dat Gods vijanden veranderen. Ik hoop maar wat graag dat ze zich bekeren en God als hun God leren kennen. Dat wil God natuurlijk ook. En was dat niet zijn motivatie om zijn Zoon te zenden?

Maar als ze zijn vijanden blíjven (terwijl ze beter weten), dan hebben ze een groot probleem. Want dan komt God óók dichtbij, maar dan heb je hem tegen je. En is ‘t gebeurd met je.
Dat openbaart God duidelijk in de bijbel, zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament. En dus openbaar ik dat met hem mee. Zulke mensen haat ik ook.

Een vervolg op m’n blog van gisteren. Mij wordt namelijk wel eens verweten het zondebesef uit de kerk te willen weren. ‘David gaat alleen maar voor een halleluja-sfeer en gezelligheid’, wordt me dan gezegd. Ik kan me voorstellen dat mensen dit mij n.a.v. mijn blog van gisteren ook verwijten.

Laat ik duidelijk zijn: een christen die geen zondebesef heeft kan geen christen zijn. Hij begrijpt dan werkelijk niet waarom Jezus de aarde bezocht en zijn leven voor de mensheid opgaf.
Dat staat bijvoorbeeld duidelijk in Johannes 3, waar Jezus zijn komst naar de aarde meteen koppelt aan zijn kruisdood. “De Mensenzoon (dat is Jezus zelf) móet hoog verheven worden”, zegt hij in vers 14.
Bovendien ontdek ik in mijn eigen leven veel zonden en ben ik blij dat ik die voor God niet verborgen hoef te houden.

Maar waar het me om te doen is, is hoe je dit evangelie aan je hoorders bréngt. Wat is je insteek als je als predikant de wet voorleest en daaraan Jezus koppelt? Oftewel: wat is je hoordersbeeld?
Ik leer daar iets over van Gods Zoon zelf. Hij zegt als hij over zijn Vader spreekt:

Johannes 3, 17-18 “God heeft zijn Zoon niet naar de wereld gestuurd om een oordeel over haar te vellen, maar om de wereld door hem te redden. Over wie in hem gelooft wordt geen oordeel uitgesproken, maar wie niet in hem gelooft is al veroordeeld, omdat hij niet wilde geloven in de naam van Gods enige Zoon.”

Als je voor een rechtbank moet verschijnen, weet je het wel. Er komt een oordeel aan. Maar Jezus zegt: God stuurt Jezus niet om een oordeel te vellen. Terwijl ik dat van een rechter-God juist wél zou verwachten!

God komt redden. Dat is de insteek van God. Niet oordelen, maar redden. En ik vind dat dat de insteek van Gods wet moet zijn. Ook als je hem in je gebed toepast. Niet primair overgaan op oordeel (we hebben gezondigd, we zijn weer slecht geweest), maar primair danken voor Gods verrassende manier van doen, zijn verbazingwekkend geheim, zijn ondoorgrondelijke liefde voor mensen.

En waarom? Omdat er ’s zondags christenen in de kerk komen, géén lamzakkige ongelovigen. Ik weiger dat primair te zijn. Niet omdat ik zo goed ben, maar omdat ik van Christus ben en me dat ook láát zijn.

Ik ben van mening dat gereformeerde predikanten er voor moeten waken die status-quo-cultuur in stand te houden. Want ik ben echt bang dat veel gereformeerde mensen deze cultuur al lang en breed geaccepteerd hebben. ‘We zijn slecht en daar moeten we elke zondag op gewezen worden.’ Nou, daar geloof ik dus niets van en het verklaart mijns inziens de vaak ingekakte cultuur binnen de gereformeerde kerken. We schieten geen meter op in onze heiliging, doordat de genade en Gods Geest – en dus ook God zelf – op deze manier beperkt worden tot (m.i. oppervlakkig) zondebesef en vergeving van zonden. En dat neem ik veel predikanten kwalijk. Alsof er alleen te preken valt als er ongelovige, tekortschietende christenen voor je neus zitten.

Als predikant zou mijn hoordersbeeld zijn dat we elkaar elke zondag als christenen in een dienst ontmoeten. Net als mijn Vader zal ik de gemeente wijzen op Gods liefdevolle zending van onze Heer Jezus. Waarom? Omdat het heerlijk is om te weten dat er over ons geen oordeel wordt uitgesproken. Man, dat betekent nu al dat ik aan het eeuwige leven ben begonnen en dat ik dankzij God op de goede weg ben. En hij geeft me daarbij drie letterlijk bovenaardse hulpmiddelen: zijn wet, zijn Zoon en zijn Geest.

Ik geloof dat op deze wijze de zonde ook anders en beter aan het licht komt. Hypocriete mensen in de kerk zullen ontdekken dat mensen om hen heen écht geloven. Ze zúllen vanbinnen onrustig worden als ze merken dat Gods redding voor hun medemensen leeft en echt is.
En dat gebeurt niet als je na de wet maar blijft verkondigen dat iedereen slecht is en vergeving nodig heeft. Het is niet onwaar, maar het is ook een gereformeerde waarheid die geen scheiding aanbrengt. Iederéén is het daar namelijk mee eens, al ben je het misschien alleen maar gewénd om het daarmee eens te zijn. Als het je zo vaak gezegd wordt…

Om over geestelijke groei nog maar te zwijgen.

Steeds vaker hoor ik Tim Keller aangehaald worden bij ons in de kerk.

Keller is een geweldige theoloog die in New York grootse, geestelijke dingen gedaan heeft en nog steeds doet. De uitspraak van hem die naar Europa is overgewaaid, luidt: “Je bent slechter dan je denkt te zijn en geliefder dan je wenst te zijn.”

Dat vind ik een geweldige uitspraak. En een originele hedendaagse vertolking van de aloude uitspraak van Maarten Luther: “Je bent tegelijk zondaar en rechtvaardig.”

Ik vind dat met dit grootse evangelie vaak te weinig gedaan wordt. En dat zie ik vooral terug in de manier waarop de wet bij ons in de kerk gebruikt wordt.

Hij wordt vaak aan het begin van de dienst gelezen, vaak ingeleid met woorden van de psalm die je daarvoor net hebt gezongen. De wet wordt voorgelezen, er volgt een lied op en dan volgt het gebed. En wat gebeurt er in dat gebed? Precies, daar wordt aan God verteld hoe slecht wij in de afgelopen week hebben geleefd of dat we tekortgeschoten zijn als we ons leven spiegelen aan die wet. Vervolgens danken we dan voor vergeving die we uit genade ontvangen.

Het feit dat dit door veel predikanten week in week uit gedaan wordt, heeft onvermijdelijk een demotiverende en verslappende werking. Want waarom zou je je aan Gods wet (willen) houden als je een paar dagen later toch gegarandeerd te horen krijgt dat het weer niks was? Vaak wordt in zo’n gebed gewoon vergeten (of is het ‘gereformeerde’ weigering?) dat we God ook echt wél hebben willen gehoorzamen of dat we hem dankbaar zijn voor de groei en heiliging in ons leven. Vergelijk psalm 1 (met de boom en de groei!) en 119 maar eens met onze kerkelijke praktijk. De dichters zijn lyrisch, terwijl ik vaak behoorlijk zit te balen van dit onderdeel in de dienst. Zó saai en zó voorspelbaar.

Als het gaat om Gods liefde in combinatie met onze slechtheid, zoals in de uitspraak van Tim Keller, dan vermoed ik het volgende wel eens: zouden veel predikanten (maar ook vele kerkgangers) denken dat God ons pas écht kan liefhebben als we inzien hoe slecht we zijn? Dat de erkenning van onze zondige aard voorwaarde wordt voor Gods liefde. En ook voorwaarde om hem te ontmoeten. Dat zij eigenlijk denken: “Je bent slechter dan je denkt te zijn en (op basis daarvan!) geliefder dan je wenst te zijn.”

Ik moet er niet aan denken dat ik mijn toekomstige zoon of dochter pas ga liefhebben als hij of zij erkent dat ze iets slechts gedaan heeft. Elke keer als het kind mij ontmoet. Dan is er namelijk geen sprake meer van wederzijdse liefde, maar van een verhouding waar elke intimiteit en plezier principieel uit verdwenen is.

Hoe komt het dan dat zoveel predikanten zo vaak onze zonden benadrukken als we voor hem in gebed verschijnen? Zit God daarop te wachten; vindt hij dat fijn? Of hoort dat gewoon zo? Gaf hij ooit de wet om ons op onze zondige aard terug te laten vallen, zodat we wel móeten knielen als we hem ontmoeten?

Paulus zegt terecht dat de wet rechtvaardig, heilig en goed is. Dat is het startpunt. En dat doet me meteen denken aan Jezus, die óók rechtvaardig, heilig en goed is. En die Jezus wilde onze broer worden en dus mogen we zijn en onze Vader in alle vrijmoedigheid benaderen. En hem dankbaar zijn voor die twee concrete dingen die hij gegeven heeft: zijn wet (met zijn eigen vingers geschreven, maar die liep voor ons op de dood uit) en zijn Zoon (door hemzelf op wonderlijke wijze in eeuwigheid en tijdelijkheid verwekt, en hij leeft nog steeds – ook in mij). Jezus zélf is het geheim achter alle gedachtes van God. En geheimen kunnen nooit saai zijn.

Laat dat onderdeel van de dienst daarom niet verworden tot eenzelfde schuld-verlossings-riedeltje waar je op een gegeven moment op uitgekeken bent. En dat je dan ook vanzelf niets meer dóet. Laten we veel eerder Gods geheimen ontdekken, want dat zijn de tien geboden. En dat is zijn Zoon net zo, maar dan nog mooier, nog duidelijker en nog spannender.

Wedden dat het dan een (h)eerlijk onderdeel van de dienst wordt?! Dat de verwondering – dat vind ik zo belangrijk in mijn relatie met God – terugkomt. En wedden dat de waarheid van Tim Keller dan voelbaar en echt waar wordt?!

Een man is bezeten door legio duivelse demonen. Daarom heeft hij de naam Legioen gekregen. Jezus ontmoet hem en bevrijdt hem van deze demonen. Hij laat hen verkassen naar een stel varkens die zich even later te pletter storten. De man kan zijn geluk niet op.
Laatst hoorde ik hier een preek over die de plank op een vervelende manier missloeg.

Voor de mensen die deze preek hebben gehoord, schrijf ik deze blog. Want wat kun je met deze geschiedenis (het staat in Lucas 8, 26-39) toch net de verkeerde kant op slaan. De prediker vertelde terecht dat Jezus mensen kan bevrijden van demonen en dat hij overmacht op hen heeft.

Maar de inleiding daarop klopte niet. Er was, zo moet ik concluderen, weer eens sprake van moralisme. De dominee waarschuwde ons voor demonen. Ook wij kunnen zomaar voor de demonische krachten kiezen en daardoor overmeesterd worden (hij noemde de drang naar seks, sigaretten enz). Dat is wel waar, maar onze verkeerd gemaakte keuzes voor de duivel is niet het punt van Lucas 8. (Het is wel makkelijk scoren voor dominees: ‘O, wat zijn we slecht en wat maken we toch verkeerde keuzes, maar gelukkig: Jezus redt.’ En volgende week weer hetzelfde riedeltje.)

Bovendien kreeg de preek hier in het begin een vervelend, moralistisch karakter door. Zeurderig, zeikerig en demotiverend. Wat zijn we toch slecht met z’n allen. Net als Legioen.

Het punt is dus dat Legioen niet voor zijn ongelukkige status gekózen heeft. Tenminste, dat wordt niet vermeld. En ook Jezus verwijt hem dat niet. Hij is bezéten (vers 27), ze hadden hem in zijn macht (29), hij werd door de demonen gedréven (29) en ze waren in hem komen wonen (vers 30). Oftewel: het gaat hier niet om de verkeerd gemaakte keuzes van die ongelukkige man, maar over de immense, onmenselijke kracht die die demonen hebben.

Satan en zijn duistere mannen zijn principieel sterker dan wij. En dat zegt zoveel over de verloren status van onze leefwereld. We zijn hier niet helemaal vrij, we kunnen zomaar overvallen wórden. Zo gevaarlijk is het hier! En Legioen is daar het ongelukkige voorbeeld van. (Hij is geen haar slechter dan zijn stadsgenoten. Alsof alleen híj openstond voor demonen en alleen híj verkeerde keuzes in zijn vroegere leven gemaakt heeft.)

In de preek maakte de dominee ons dat verwijt van onze slechte keuzes wél. En dat stond me tegen, vond ik zwaar irritant en slechte toepassing.

De preek liep tenslotte dan ook uit op het het maken van een keuze. Kies je voor satan of Jezus? Dat was dus geen vraag die bij Lucas 8 hoort. Het gaat hier niet om óf-óf. Het gaat hier wel over Jezus die wij zo hard nodig hebben, omdat wij zomaar overmeesterd kunnen worden door duivelse demonen. Jezus loopt in Lucas 8 heel duidelijk in zo’n rotwereld rond. Maar niet zomaar: hij is namelijk de énige mens die de mensheid van die demonen kan verlossen. En hij doet dat ook nog.

Wat een terecht door God verdoemde klootzakken zijn dat, zeg! En wat valt leven in een wereld waar deze demonische krachten nog steeds huishouden zwaar. Tenminste, als je Jezus niet kent. Wat sta je dan alleen in de oorlog. En wat hebben christenen een geweldige kennis, een schitterend geheim in huis en hart.

De preek had dus moeten gaan over de demonische status van onze wereld en over het noodzakelijke belang die unieke Jezus aan de mensheid bekend te maken. Onze medemensen snakken – misschien onbewust, maar zeker ook bewust – naar verlossing. En die universele behoefte naar verlossing komt Jezus in Lucas 8 nou precies tegemoet. Kijk maar naar de reactie van de mens áchter Legioen. Hij is dolblij. Hij heeft eindelijk de goede machthebber ontmoet!

Conclusie: weg met het simpele moralisme. Laat het vólle evangelie van de unieke, verlossende Jezus maar komen.
Was dat in deze preek gebeurt, dan hadden we God kunnen loven en aanbidden. Nu voelde ik me meer schuldig dan bevrijd. Ik voelde me meer aangevallen en op oneerlijke wijze in een zondig hoekje gedrukt dan dat ik onder de indruk kwam van Jezus, de verlosser van de wereld. En daar baal ik van.

Als christenen door de natuur lopen, hoor je het hen wel ’s zeggen: “Ik kan niet begrijpen dat mensen niet in God geloven. Dit moet toch geschapen zijn door een God?”

Ik kan daar niet goed tegen. Ik vind deze claim namelijk oneerlijk tegenover de heidenen van vandaag.
Kijk, als christen kun je wel zeggen dat je God herkent in de schepping. Je verbindt de prachtige natuur met dat wat je wéét uit de bijbel. Je weet dat God zich bekend gemaakt heeft als de schepper van hemel en aarde en dus ‘zie’ je dat ook.

Maar wat als je die bijbel niet kent? Hoe weet je dan dat die schitterende vlinder voortkomt uit de rijke fantasie en het secure vingertoppenwerk van God?

Veel christenen beroepen zich echter op Romeinen 1.

Romeinen 1, 19-21 Want wat een mens over God kan weten is hun bekend omdat God het aan hen kenbaar heeft gemaakt. Zijn onzichtbare eigenschappen zijn vanaf de schepping van de wereld zichtbaar in zijn werken, zijn eeuwige kracht en goddelijkheid zijn voor het verstand waarneembaar. Er is niets waardoor zij te verontschuldigen zijn, want hoewel ze God kennen, hebben ze hem niet de eer en dank gebracht die hem toekomen. Hun overpeinzingen zijn volkomen zinloos en hun onverstandig hart is verduisterd.

“Zie je wel”, zou een christen kunnen zeggen, “Gods werken zijn zichtbaar vanaf de schepping. Dus de heiden kan het weten!”

Dat is, denk ik, verkeerde exegese. Lees goed! Er staat namelijk niet ‘door’, maar ‘vanaf’ de schepping. Paulus bedoelt hier te zeggen dat God het de mensen vanaf het allereerste begin duidelijk heeft gemaakt. Heel letterlijk, door het aan Adam, Noach en al die mensen te vertellen. Maar wat deden de mensen toen met die waarheid?

Dat wordt duidelijk in de tweede onderstreping hierboven. De NBG-vertaling vertaalt beter dan de nieuwe vertaling. Er moet namelijk een verleden tijd staan: ‘Hoewel ze God kenden…’. In de tijd van Noach en Babel kénden de mensen God, maar ze moesten hem niet. Daarom zondigden ze maar raak (gevolg: zondvloed) en bouwden ze een God-tergende tempel op aarde (toren van Babel).

Mensen dwaalden bewust van God af (Romeinen 1, 25), terwijl ze echt wel beter wisten. En God heeft hen na Babel aan hun lot overgelaten en hen over de aarde verspreid. Met alle gevolgen van dien, te lezen in Romeinen 1, 26 en verder.
(Gelukkig ging hij – en dat is ook echt mijn redding – na Babel met één man en één volk door: Abraham en Israël.)

Bedenk dus goed wat je tegen niet-christenen zegt als je even in de natuur gelopen hebt. Je kunt God níet leren kennen door de natuur, behalve als het je door zijn Woord en Geest geopenbaard is. En als je gelooft wat je gezegd is.

MAAR DE NGB DAN?

Even voor de gereformeerden onder ons. In artikel 2 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis staat dat we God door twee middelen kunnen kennen, namelijk door de natuur en de bijbel. Hoe zit dat dan? Kun je God dan toch wél kennen door de natuur?

Hier moet je goed bedenken dat het een gelóófsbelijdenis is. Wij, christenen, geloven dat Gods werken zichtbaar zijn in de natuur. Het is dus geen belijdenis waarmee je niet-christenen tegemoet kunt treden (want zij geloven niet). Vertel hen maar over Jezus en zijn Vader die ook schepper is.

En laten we als christenen inderdaad blijven genieten van de originaliteit en vindingrijkheid van onze schepper. Want creatief is hij; alleen die vlinder al!

Ik ben blij dat ik een christen ben. Ik vind het evangelie van Jezus Christus schitterend. Ik kan er uren over vertellen en ik begrijp hem steeds beter. Ik krijg hem ook steeds meer lief.

Maar die God treft me ook in negatieve zin. Want God zit me soms ook helemaal niet lekker. Ik vind hem zo anders, zo groots, zo goddelijk dat hij me tegenstaat. Dan komt hij te dichtbij en vind ik hem streng. En dan krijgt hij soms zelfs iets weg van een chagrijnige tiran.

Gisteren lazen Margreet en ik dit huiveringwekkende stuk in Numeri 15:

Numeri 15, 32-36 Tijdens hun verblijf in de woestijn troffen de Israëlieten eens een man aan die op sabbat hout aan het sprokkelen was. Degenen die hem aangetroffen hadden, brachten hem voor Mozes en Aäron en voor de hele gemeenschap. Hij werd in bewaring gesteld, omdat nog niet was bepaald wat er met zo iemand moest gebeuren. De HEER zei tegen Mozes: ‘Die man moet gedood worden. De hele gemeenschap moet hem buiten het kamp stenigen.’ Toen brachten ze hem met zijn allen buiten het kamp, en daar doodden ze hem door hem te stenigen, zoals de HEER Mozes had opgedragen.

De beste man had het misschien koud, hielp zijn vrouw met koken, of dacht aan de dag van morgen. Ok, misschien was hij wel hebberig, maar dan denk ik: een beetje hout op zondag zoeken. Kom op, zeg.
Als ik God niet beter zou kennen, zou ik hem niet moeten. Wat een overdreven straf, zeg.

Ik heb hier twee dagen lang geregeld over moeten nadenken. Het spookte maar door m’n hoofd.
En ik moet me schamen, heb ik geconcludeerd. Want, zo denk ik nu, wie was er eerder: God of ik? Wie bepaalt wat goed en fout is: God of ik? Wie bepaalt hoe het leven met God het best geleefd kan worden: God of ik? Wie gaat er überhaupt over het leven: God of ik? Kortom, wie is er nu God: God of ik?

Lees meer »