Gisteravond zat ik met wat geestelijke broers en zussen in een huiskamer. Dat doen we vaker op een avondmaalszondag.
Het was gezellig en bij tijd en wijlen had het gesprek een mooi, geestelijk niveau (daar hou ik van). Een oudere broer sprak me opeens belangstellend aan: “David, ik wilde het je altijd al vragen, maar jij bent de enige in onze gemeente die tijdens het avondmaal het brood wil ontvangen. Waarom doe je dat?”
Wij kennen in onze gemeente een lopend avondmaal, zoals katholieken dat al eeuwen doen. Je loopt naar voren en je pakt een stukje brood uit de schaal die de predikant vasthoudt. Vervolgens loop je door en neem je een slok wijn.
Maar ik pak het brood zelden of nooit zelf van de schaal. Ik houd mijn hand open en wil het brood krijgen. Ik heb deze wijze overgenomen van een medestudent.
Ik ben namelijk gek op het geheim, dat het avondmaal voor mij is. Ik mag Jezus ontvangen. Met lege handen komen en hem – en daarmee alles wat hij aan mij belooft – ontvangen.
Ik mag concreet beleven wat genade is: God Geeft Graag Gratis Goede Gaven. Hij geeft zichzelf. Zelfs aan mij.
En dus blijf ik – net als Jezus – voor altijd leven (Johannes 6).
Johannes 6, 50 [Jezus zegt over zichzelf:] Maar dit is het brood dat uit de hemel is neergedaald; wie dit eet sterft niet.