Archief van februari, 2008

Deze week ben ik behoorlijk grondig beziggeweest met mijn onderzoek. Ik heb namelijk in het bijbelboek Matteüs bekeken hoe vaak Jezus zelf over het Laatste Oordeel spreekt. En of hij dat dan impliciet (vooral in gelijkenissen) of expliciet doet. Tenslotte heb ik me afgevraagd met welke bedoeling Jezus in de desbetreffende perikoop over dit Oordeel heeft gesproken.

In slechts 6 van de 28 hoofdstukken waarin Jezus publiekelijk optreedt spreekt hij er niet over. In het overgrote deel dus wel.

Dat zet mij aan het denken. Want ik denk dat met mij veel christenen ervoor terugdeinsen het Laatste Oordeel ook maar aan te stippen. Het klinkt zó definitief.

Voor Jezus zelf is het ook niet altijd gemakkelijk geweest, denk ik. Hij was een geboren Jood die zijn volk grondig lief had. Maar op een gegeven moment verlaat hij zijn landsgrenzen – en dan komt mijn land in zicht! – en praat hij op een universele manier over zijn Koninkrijk en dus ook over het Oordeel. Het staat in Matteüs 8.

Dit moet de vrome Joden geschokt hebben! “Wat moeten die heidenen bij ónze voorouders!?”

Matteüs 8, 11-12 [Jezus zegt:] ‘Ik zeg jullie dat velen uit het oosten en uit het westen zullen komen en met Abraham, Isaak en Jakob zullen aanliggen in het koninkrijk van de hemel, maar de erfgenamen van het koninkrijk zullen worden verbannen naar de uiterste duisternis; daar zullen zij jammeren en knarsetanden.’

PS. Ik hoorde laatst iemand iets zeggen over de manier waarop Jezus zal oordelen. Hij was ervan overtuigd dat Jezus nooit met dwang oordeelt of mensen kansloos tegen de muur zet. Volgens hem zullen mensen ooit zelf erkennen dat ze krijgen wat ze verdiend hebben.
Waarom zou je met God willen leven als je dat in dit leven ook al niet wilde?

Gisteren was het heerlijk, vandaag een stuk minder. Ik vind het heerlijk als de zon me verwarmt; ik mis wat als zonnestralen zich niet door de wolken weten heen te breken.
Wie verlangt er niet naar de lente (nog 24 dagen!)?

Mijn bijbelse naamgenoot heeft een geweldige ontdekking gedaan. En opgeschreven. In psalm 19 vergelijkt hij de zon met Gods wet.

Het lijkt er trouwens op of hij wil zeggen dat we God in de natuur kunnen leren kennen. Dat is niet onwaar, maar niet het punt van psalm 19. (Wordt vaak gedacht.)

Davids vergelijking loopt zo: zoals de zon zich dagelijks onderwerpt aan Gods duidelijke bedoeling ermee, zo geeft Gods wet mij ook heel duidelijk ruimte om te leven.

De zon heeft nog nooit bedacht om ’s nachts te schijnen. Ook gaat hij niet opeens van noord naar zuid. Zijn baan en zijn uren staan vast. Vastgelegd door de schepper. En de zon vindt het prima zo (vergelijk vers 5b-7).

Gods regels zijn ook nog nooit veranderd. God heeft nooit gezegd dat we opeens wél mogen stelen of mogen scheiden. Die regels staan vast. Vastgelegd door de schepper.
Deze David leert mij te genieten van God en zijn regels.

En dan gaat hij helemaal los. Hij somt 4 overeenkomsten tussen de zon en Gods wet op. Overeenkomende punt: we kunnen leven en krijgen ruimte.

Psalm 19, 8-9: VERGELIJKING TUSSEN DE ZON EN GODS REGELS

1. De wet van de HEER is volmaakt:
levenskracht voor de mens.

2. De richtlijn van de HEER is betrouwbaar:
wijsheid voor de eenvoudige.

3. De bevelen van de HEER zijn eenduidig:
vreugde voor het hart.

4. Het gebod van de HEER is helder:
licht voor de ogen.

[Met dank aan mijn goede vriend Teun]

Ik vind het belangrijk dat wij in onze kerkelijke gemeente leren toe te passen wat wij in preken horen. Dat is een van de redenen waarom wij m.i. de tweede dienst moeten afschaffen om zo de eerste (morgen)dienst – in groeigroepen o.i.d. – te kunnen voortzetten.

Nou, om de daad bij het woord te voegen heb ik een verwerkingsopdracht bij de preek van gisteren over Handelingen 17 bedacht. Die ziet er zo uit:

VERWERKING VAN HANDELINGEN 17,22-31

We hebben gistermiddag de Apostolische Geloofsbelijdenis gehoord. Die bestaat uit twaalf artikelen:

1. Ik geloof in God de Vader, de Almachtige, Schepper van hemel en aarde.
2. En in Jezus Christus, zijn eniggeboren Zoon, onze Here;
3. die ontvangen is van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria;
4. die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven,
5. neergedaald in de hel; op de derde dag opgestaan uit de doden;
6. opgevaren naar de hemel, en zit aan de rechterhand van God, de almachtige Vader;
7. van daar zal Hij komen om te oordelen de levenden en de doden.
8. Ik geloof in de Heilige Geest.
9. Ik geloof een heilige, algemene, christelijke kerk, de gemeenschap van de heiligen;
10. vergeving van de zonden;
11. opstanding van het lichaam;
12. en een eeuwig leven.

Ik heb hieronder enkele – soms typisch Nederlandse – uitspraken opgeschreven. Welk(e) geloofsartikel(en) of zogenaamde heilsfeiten kun je gebruiken om mee te shockeren?

a. “De dood hoort nou eenmaal bij het leven.”
b. “Jezus is niet meer dan een heel bijzonder mens en leraar geweest.”
c. “Doe nu maar normaal, dan doe je al gek genoeg!”
d. “Waarheid is wat jij waar(heid) vindt.”
e. “Het evangelie is een verzonnen verhaal.”
f. “Het gaat erom hoe goed je in dit leven voor anderen bent geweest.”
g. “Het (christelijk) geloof deugt niet, want in de (christelijke) kerk is het vaak genoeg een bende.”
h. “God en Allah zijn dezelfde God.” (Zoek eens de overeenkomsten en de verschillen.)

Laatst sprak ik met iemand die met een prangende vraag zit. Hij vraagt zich namelijk af wat het doel van een christen is. En hoe het nu zit met de verhouding tussen Jezus en de hemel. “Want”, zei hij, “het kan toch niet zo zijn dat ik straks naar de hemel ga en dat dat het is? Dat ik dan Jezus bedank voor alles en dan zelf eeuwig verder ga leven?”

Hij vergeleek het met zijn zeer verse verkering. “Ik heb toch geen verkering met haar om straks met haar naar bed te gaan of om met haar in een huis te wonen?”

Dat vond ik al een hele ontdekking. Want ik denk dat veel christenen zich ten diepste geen raad weten met een hemel waar God ook is. Wat gaan we daar doen? Wat moet ik dan met God en Jezus?

We praatten daar goed over door en vandaag las ik weer eens iets schitterends. Het staat in Johannes 17, het zijn de woorden van Jezus zelf en ze zetten de vraag van deze jongen in het juiste perspectief.

Johannes 17, 3 Het eeuwige leven, dat is dat zij u kennen, de enige ware God, en hem die u gezonden hebt, Jezus Christus.

Inderdaad, er is geen hemel zonder Jezus en zijn Vader. En het mooiste van de hemel is niet wat we daar allemaal krijgen en mee zullen maken (maar denk daar maar niet te zunig over). Het meest interessante en indrukwekkende zal God zelf zijn. Dat vindt zelfs zijn Zoon.

Ik denk dat zijn heiligheid, heerlijkheid en macht ons totaal zullen overdonderen en verblijden.
En het evangelie is dat dit feest nu al kan beginnen als een soort before-party. Die Jezus en die God kan ik nu al leren kennen. Ik leef dus nu al eeuwig.

Het was me het weekendje wel.

Twee keer gevoetbald – één keer verlies (2-9) en één keer winst (2-1).

Vervolgens hoorde ik dat een stukje van mijn weblog in de plaatselijke krant is gezet. Zonder mij daarover in te lichten. Ik dus kwaad (al doen ze formeel niets fout), omdat ik liever een anonieme Bunschoter blijf.
En ik houd mijn naam liever vrij van pagina 2 van de vrijdageditie, omdat die pagina veel weg heeft van een kerkelijk Privé, een ‘geestelijk’ RTL Boulevard. Deze pagina staat wekelijks vol smeuige details uit de plaatselijke kerkbladen. Dat daar niemand tegen optreedt, verbaast me. Al werd me gisteren verteld dat de drukker zowel de krant als het vrijgemaakte kerkblad drukt. Belangenverstrengeling dus.
Ik vind het maar een apart dorp, hoor.

En gistermiddag mocht ik weer preken. Dat doe ik liever ’s ochtends, maar het ging toch weer iets beter dan de vorige keer, vond ik. Rustiger. Maar het kan nog steeds beter. Gewoon ervaring opdoen, that’s it. Ik ben echt blij dat ik dit in mijn gemeente mag doen. En gemeenteleden waarderen het.

Natuurlijk mag je de preek over Handelingen 17 nalezen. Hij staat hieronder. ‘t Is heerlijk evangelie van de confronterende Heer. Als je hem kent, wil je niet meer zonder.

Daarom: niet voor hem knielen omdat dat mot, maar omdat je niet anders kunt.

Handelingen 17, 22-31 Preek 24022008.pdf

Gistermiddag zat ik met iemand in de trein van Kampen naar Zwolle. Een goudeerlijke man, zo bleek duidelijk.

De man had z’n getuigschrift op mogen halen. Hij is namelijk een man die predikant mag worden. Niet op grond van een afgeronde theologische opleiding in Kampen, maar op grond van bijzondere (”singuliere”) gaven die bij hem zijn geconstateerd. Dat kan op grond van een artikel uit de kerkorde, artikel 8.

In plaats van zes heeft hij in twee jaar – inclusief rondpreken – zijn
getuigschrift ontvangen.

Wie mij een beetje kent, weet dat ik niet echt sta te springen om deze mensen. Zeker, ze zijn aardig en ook wel sociaal.
Maar ik ken er een paar die naar mijn mening ernstig tekortschieten op het gebied van de prediking.

Dus ik vroeg mijn reisgenoot of hij in die twee jaar les in de grondtalen van de bijbel heeft gehad. “Nee”, zei hij met een vette glimlach, “ik kom niet verder dan het woord ’shalom’.”

En hij ging verder. “Een van de professoren [ik zal z'n naam niet noemen, DH] is ook niet enthousiast over dit artikel 8-systeem. Hij vindt deze mensen homiletisch vaak zwaar tegenvallen en zouden ten opzichte van een ‘normale’ theologiestudent minstens op het niveau van een 8 moeten staan.”

Ik ben dat met deze professor eens. Als je bijzondere gaven hebt, dan moeten ze ook daadwerkelijk te onderscheiden zijn.

Mij bekruipt het idee dat deze mensen vooral worden toegelaten omdat er een predikantentekort in onze kerken dreigt. En dat zou ik een kwalijke zaak vinden.

Want ik heb liever een predikantentekort met kwalitatief goede en theologisch behoorlijk geschoolde predikers dan een voldoende aantal predikers die mensen de kerk uitpreekt met simpele, oppervlakkige prediking. Of die mensen verveelt: de vaakst gehoorde kritiek van de huidige kerkmens, zowel verbaal als non-verbaal.
Goede exegetische prediking is vanouds de kracht van de gereformeerde kerken.

Bovendien zijn deze mensen vaak al rond de 50. Dat betekent dat er een kloof ontstaat met de huidige generatie tieners en twintigers. En over 15 jaar hebben we hetzelfde probleem als deze mensen met pensioen gaan.

Mijn reisgenoot was het hier gloeiend mee eens en plaatste ook zelf z’n kanttekeningen bij dit systeem. Maar ondertussen wordt hij wel predikant. Niet dat ik hem dat niet gun. Ik vraag me gewoon zwaar af of het onze kerken goed doet.

Vandaag stond in het teken van de preek van aanstaande zondagmiddag. Ik ga preken over Handelingen 17. Een verse preek, voor de mensen die daar waarde aan hechten…

Ik heb iets spannends gedaan, al zeg ik het zelf. Ik heb de benadering van Paulus richting de Grieken geanalyseerd en ik trek een vergelijking met de manier waarop wij ‘de Nederlander’ kunnen bereiken.

Een soort evangelisatiemodel naar Handelingen 17, zou je kunnen zeggen.

Nu geloof ik niet zo in modellen (in drie stappen van heiden naar christen, tralala), maar ik denk dat we er onze winst wel mee kunnen doen. Paulus’ benadering heeft mij in ieder geval aan het denken gezet.

Ik word überhaupt geraakt hoe serieus Paulus en dus ook zijn God de wereld neemt. Het is nu of nooit. En gratis – op Gods manier!

Dit alles in het angstwekkende vooruitzicht van het laatste oordeel. “Het is vreselijk om te vallen in de handen van de levende God!”

Kom meezingen, meebidden en meeluisteren als je zin hebt. Er is (waarschijnlijk) plaats genoeg.

Nogmaals Genesis 6, 1-4. Ik kreeg net een goede exegese binnen van een niet onaardige exegeet (haha, als hij dit leest…).

Hij gaat er vanuit dat met de zonen van God noch gevallen engelen noch de familie van Set wordt bedoeld.

Exegese van Genesis 6, 1-4

Ik beschouw de ‘zonen van God’ (in het Hebreeuws: bene elohim) als ‘grote
mensen’, ‘geweldige machtige mensen’. Vergelijk het met Nineve dat ‘een stad elohim‘ wordt genoemd: een stad Gods: een geweldig grote stad. (Want het was zeker geen stad van God, DH.)

Dus dat elohim betekent in dit verband eerst ‘machthebbers’. Dat die worden aangezien als godenzonen is een heidense trek, die door de Schrift nergens wordt bevestigd als bijbels.

Deze machtigen zijn de eerste koningen die zich verheffen boven
het gewone volk (zonen der mensen), die dictators worden en tenslotte
de harems inrichten, waar ze elke vrouw die ze willen (willekeur)
kunnen oppakken en er inzetten. Het zijn de dictators, de Nimrods van
de oertijd, de eersten die een elite gingen vormen over de ruggen van
anderen heen.

De zonen der mensen zijn dan de gewone mensen die niet bij de elite
van de machthebbers horen. Er kwam geleidelijk een tweedeling in de
maatschappij die enerzijds de machthebbers had en anderzijds het
‘plebs’, klootjesvolk, waar de machthebbers op neerkeken.

Ik zie er dus totaal geen scheiding van gelovigen en ongelovigen in (tegen mijn exegese in, DH).
Zeker ook geen engelen of bovenaardse wezens (tegen de andere exegese in, DH). Het komt nergens in de bijbel voor dat engelen seksueel contact zouden hebben met mensen; wat een onzin. Dat komt alleen bij de heidenen voor. (Namelijk in de mythologische verhalen, DH).

Waar is dan de kerk, waar zijn de gelovigen in Genesis 6? Antwoord: die is er niet (meer), althans die speelt geen rol meer in de maatschappij. Dat is tegelijk de verwording van de maatschappij. En dus kwam de zondvloed, waar alleen Noach nog gespaard bleef. Einde eerste periode van de kerk, die zich liet onderploegen door geweld en perversie. Meer nog dan Lamech met zijn twee vrouwen stichten deze lieden de harems waar de
vrouwen werden opgefokt voor het plezier van de machthebbers.

En zo is het nog altijd, als de kerk haar claim op het maatschappelijk leven opgeeft.