Deze week ben ik behoorlijk grondig beziggeweest met mijn onderzoek. Ik heb namelijk in het bijbelboek Matteüs bekeken hoe vaak Jezus zelf over het Laatste Oordeel spreekt. En of hij dat dan impliciet (vooral in gelijkenissen) of expliciet doet. Tenslotte heb ik me afgevraagd met welke bedoeling Jezus in de desbetreffende perikoop over dit Oordeel heeft gesproken.
In slechts 6 van de 28 hoofdstukken waarin Jezus publiekelijk optreedt spreekt hij er niet over. In het overgrote deel dus wel.
Dat zet mij aan het denken. Want ik denk dat met mij veel christenen ervoor terugdeinsen het Laatste Oordeel ook maar aan te stippen. Het klinkt zó definitief.
Voor Jezus zelf is het ook niet altijd gemakkelijk geweest, denk ik. Hij was een geboren Jood die zijn volk grondig lief had. Maar op een gegeven moment verlaat hij zijn landsgrenzen – en dan komt mijn land in zicht! – en praat hij op een universele manier over zijn Koninkrijk en dus ook over het Oordeel. Het staat in Matteüs 8.
Dit moet de vrome Joden geschokt hebben! “Wat moeten die heidenen bij ónze voorouders!?”
Matteüs 8, 11-12 [Jezus zegt:] ‘Ik zeg jullie dat velen uit het oosten en uit het westen zullen komen en met Abraham, Isaak en Jakob zullen aanliggen in het koninkrijk van de hemel, maar de erfgenamen van het koninkrijk zullen worden verbannen naar de uiterste duisternis; daar zullen zij jammeren en knarsetanden.’
PS. Ik hoorde laatst iemand iets zeggen over de manier waarop Jezus zal oordelen. Hij was ervan overtuigd dat Jezus nooit met dwang oordeelt of mensen kansloos tegen de muur zet. Volgens hem zullen mensen ooit zelf erkennen dat ze krijgen wat ze verdiend hebben.
Waarom zou je met God willen leven als je dat in dit leven ook al niet wilde?


Gistermiddag zat ik met iemand in de trein van Kampen naar Zwolle. Een goudeerlijke man, zo bleek duidelijk.