Archief van maart, 2008

Dood is dood, of niet dan? Je zou het wel zeggen natuurlijk. Ik heb in mijn leven niet vaak een dood mens gezien, maar de keren dat ik het zag, zag ik gewoon een lijk. Een levenloos wezen.

De Vader van Jezus Christus leert me een totaal andere – en een absurde (!) – visie op de dood. Wij zien van onze kant een lijk, God ziet van zijn kant iemand die slaapt.
Lees wat zijn Zoon Jezus ooit tegen iemand gezegd heeft.

Matteus 9, 18-26 Jezus was nog niet uitgesproken of er kwam een leider van de synagoge naar hen toe die voor Jezus neerviel en zei: ‘Mijn dochter is zojuist gestorven. Kom alstublieft en leg haar de hand op, dan zal ze weer leven.’ Jezus stond op en volgde hem met zijn leerlingen. [...] Toen Jezus bij het huis van de leider van de synagoge aankwam en er de fluitspelers en de luid weeklagende menigte zag, zei hij: ‘Ga naar huis, het meisje is immers niet gestorven, ze slaapt.’ Men lachte smalend. 25 Nadat iedereen was weggestuurd, ging hij naar binnen. Hij pakte het meisje bij de hand, en ze stond op. 26 Het verhaal hierover verspreidde zich in de hele omgeving.

Natuurlijk sliep dat meisje niet; haar vader was niet gek! Jezus zégt dat het meisje slaapt. Jezus presenteert zijn eigen visie op de dood. Bij hem stelt het blijkbaar geen aap voor. Het klinkt zo luchtig.
En hij pakt het meisje bij de hand alsof hij haar gewoon wakker maakt. ‘t Is daarom ook niet gek dat dit hét verhaal van de week was.

Maar niet alleen in deze geschiedenis wordt deze bijbelse visie op de dood getekend. Ook Jezus’ eigen dood wordt met de slaap vergeleken.

Christenen zeggen vaak dat Jezus uit de dood is opgestaan. Dat is niet onwaar, maar klinkt nogal theologisch en vaag.
Daarom is het goed om het eens letterlijk te nemen. Jezus is uit de dood opgewekt. Wakker gemaakt. Uit z’n slaap. Door z’n Vader.

Het Grieks laat dit duidelijk zien. Voor ‘opwekken’ wordt een woord gebruikt dat ook gebruikt wordt voor iemand wakker makken.

Met Pasen heeft God ‘gewoon’ zijn wekker af laten gaan. “Jezus, je moet wakker worden!” En hij werd het.

In mijn laatste seizoen als keeper van Vebo I wil ik natuurlijk niet degraderen. Zeer waarschijnlijk gaat dat ook niet gebeuren.

Gisteren speelden we in Nieuwland een cruciale zes-punten-wedstrijd tegen de gelijknamige club. We wonnen met 1-3. Een beetje op z’n Duits, maar daarom niet minder plezierig.

Door Nieuwland zijn we niet meer in te halen.

Klik hier om de samenvatting van Nieuwland-Vebo te bekijken. Vebo speelt in het blauw.

Eergisteren ben ik voor de tiende keer oom geworden. M’n broer Peter-Frans en schoonzus Tiny hebben een flinke zoon – ruim 10 pond (!) – gekregen.

Ze hebben hem Levi Benjamin genoemd. Vernoemd naar de jongste thuis. Op www.leviheek.nl is hij te bewonderen.

Ik ben trots op jullie, PF en Tiny. Wat een geluk!

Veel preken die na Pasen volgen gaan over drie mannen, namelijk over Jezus en de twee mensen die op weg naar huis zijn. Naar Emmaüs, een plaatsje dat ongeveer 12 kilometer (60 stadiën) van Jeruzalem lag.

In Lucas 24, 13-35 maken we kennis met deze zogenaamde Emmaüsgangers. Een prachtig verhaal dat laat zien wat God met mensen doet als de bijbel eens goed open gaat. Jezus wijst verrassend genoeg niet direct op zichzelf. Hij had in vers 25 als antwoord kunnen geven: “Kijk toch ’s goed naar me, ik leef weer!” Jezus wijst daarentegen op de Oudtestamentische geschiedenis die op hem móe(s)t uitlopen.

Je hoeft de opgestane Heer niet eens te zien om het Oude Testament te begrijpen. (Maar ja, nu nog goede uitleggers van dat OT tegenkomen. Jezus hoort onder de helaas weinige mensen die dat goed kunnen…)

Deze week kreeg ik iets nieuws over deze twee mensen te horen. Want wie waren zij precies? Is daar iets over te zeggen? Een reconstructie.

De ene man heette Kleopas. Dus we hebben een naam. De naam van de ander is niet bekend. Maar het gekke is dat iedereen er vanuit gaat dat die ander een man is. Hoe kan dat?

1. Misschien geven we onbewust mannen het voordeel van de twijfel, omdat de bijbel naar ons idee een vrij mannelijk boek is. (Maar ja, juist bij Jezus komen er vrouwen in beeld die hij gelijk behandelt.)

2. Misschien denken we onbewust dat Jezus alleen mannelijke leerlingen (vers 13) had? (Maar ja, we weten dat Jezus ook ook genoeg vrouwen onder zijn gehoor en volgelingen had.)

Het hoeven dus niet per se twee mannen te zijn. Er is zelfs voor te pleiten dat de Emmaüsgangers een man en een vrouw zijn. Dit is totaal niet belangrijk (ik zou hier in een preek niet teveel over uitwijden natuurlijk), maar het idee is wel grappig.

1. De twee gaan naar huis en eten er. Ze nodigen Jezus in dat huis uit. Dan kunnen het altijd nog twee broers of twee vrienden zijn, maar het lijkt me veel aannemelijker dat het huis van henzelf ís. Ze wonen er.

2. De maaltijd geeft weinig ruimte aan de gedachte dat er méér mensen in dat huis aanwezig waren. Geen broers, geen ouders, alleen deze twee.
(Samenwonende mannen kende men in die cultuur nog niet, by the way.)

3. De naam Kleopas komt nog een keer in de bijbel voor. Niet bij Lucas, maar in Johannes 19, 25. Dat vers maakt melding van een paar namen van mensen die bij het kruis op Golgota staan.

Johannes 19, 25 Bij het kruis van Jezus stonden zijn moeder met haar zuster, Maria, de vrouw van Klopas, en Maria uit Magdala.

Is Kleopas dezelde man als Klopas? Het Grieks staat toe dat een zelfde naam iets anders geschreven wordt. De ‘eo’ in Kleopas mag gerust een lange ‘o’ worden (Klopas). Zoals Simon Petrus ook wel Simeon Petrus mag worden genoemd zonder dat er sprake is van een ander persoon.

Concluderend zou dit alles kunnen betekenen dat de Emmaüsgangers Kl(e)opas en zijn vrouw Maria zijn.

Dat Lúcas Maria niet noemt zou te maken kunnen hebben met de (patriarchale) cultuur destijds. Een andere optie is dat Lucas de naam van de vrouw gewoon niet te weten is gekomen.

[Met dank aan mijn goedgelovige vriend René Barkema door en met wie ik de grote en dus ook kleine bijbelse geheimen van God ontdek]

Of je nu christen bent of niet, angst kennen we allemaal. Hoogtevrees, angst voor kleine ruimtes en faalangst zijn, denk ik, de bekendste.

Ik haat ‘t om bang te zijn, maar ik besef tegelijk dat ik zonder angst geen leven heb. Angst is geen slechte of foute emotie. Hij hoort bij de mens.
Maar wat haat ik dan precies?

De angst der angsten is volgens mij de angst voor de dood. En dan onderscheid ik hier drie lagen in.

1. Het grillige tijdstip van de dood. Het idee dat-ie mensen zomaar kan overvallen. Of je nu een paar maanden, 14 jaar of hoogbejaard bent. Het kan zo gebeurd zijn. Om met dat idee te moeten leven doet me huiveren. Maakt me bang.
Hartaanvallen en -infarcten… brrr.

2. Het zwarte gat van de dood. Het idee er niet meer te zijn, weg te vallen van je geliefde omgeving, op te lossen in het heelal, weg te rotten onder de grond, naar je idee niets meer waard te zijn of te worden.

3. De ‘is er dan toch-bewustwording’ na de dood. De ervaring dat je voor een God komt te staan. Aan wie je verantwoording schuldig bent. Shit, is er dan toch een wereld na deze wereld?
Die onzekerheid knaagt nu vaak aan mensen (vooral als het stervensuur nadert).

Ik begrijp dat Marco Borsato zingt dat we de dag moeten plukken, omdat het zo ineens de laatste kan zijn. (Deze gedachte heeft trouwens al oude papieren!)
Maar als ik daar stil bij sta, word ik bang. Zo wil ik niet leven. Dat kan geen leven zijn. Ik wil geen slaaf van de angst voor de dood zijn.

Hebreeën 2, 14-16 Omdat die kinderen mensen zijn van vlees en bloed, is de Zoon een mens geworden als zij, om door zijn dood definitief af te rekenen met de heerser over de dood, de duivel, en zo allen te bevrijden die slaaf waren van hun levenslange angst voor de dood. Het moge duidelijk zijn: hij is niet begaan met het lot van engelen, hij is begaan met het lot van de nakomelingen van Abraham.

Dit is evangelie dat én mijzelf overstijgt én mijzelf raakt. Dit gaat zo diep.
Maar ik heb tijd, veel tijd nodig om dit te laten landen. Ik blijf (inderdaad) een mens van vlees en bloed. Ik houd mijn angsten. Ik kan zo moeilijk loslaten.

Maar ik ken een God die mij met m’n angsten kent. En hij walst niet over die angsten heen door ze niet te benoemen of te ontkennen. Hij heeft zelfs zijn geliefde Zoon er dwars door heen laten gaan. Zo serieus neemt God de angst voor de dood.
Jezus ging de dood in. En kwam eruit. Als eerste van alle mensen die in hem geloven.

Ik ken een God die met mij en mijn angsten begaan is. Ik geloof. Ik ben geen slaaf meer. Nu nog wel proberen hem Héér te laten zijn.

[Update van de laatste zin: Nu nog ontdekken wat het betekent dat juist hij mijn Heer is]

Op stille zaterdagavond was het niet zo stil. Ik heb namelijk mogen genieten van het optreden van het gospelkoor Testify uit Amersfoort. Dat koor staat onder zichtbaar bezielende leiding van Jan van der Kuip. Hij weet die bezieling heel goed over te brengen op het koor.

Wat ik veel minder vond waren de praatjes tussendoor. De inhoud had naar mijn idee namelijk vrij weinig met Goede Vrijdag en Pasen te maken. En dat gaf me een onbehaaglijk, vervelend gevoel.

Op internet staan veel filmpjes die mensen willen vertellen dat God van hen houdt. Dat het goed bij hem is, dat je veilig bij hem bent enzovoort enzovoort.

Dit is zeker niet onwaar, maar één kant van de medaille. En bij benadrukking van slechts die ene kant krijgt een toespraak daarover al snel iets weg van een peptalk van een of andere positivo-goeroe.

Ik sta erop dat je het héle evangelie moet vertellen. Ook de andere, spannende, confronterende, oordelende kant ervan. Dan weet ik zeker dat die ene kant veel mooier en feller aan het licht komt.

Dat leer ik van Paulus.

1 Korintiërs 2, 1-2 Broeders en zusters, toen ik bij u kwam om u het geheim van God te verkondigen, beschikte ook ik niet over uitzonderlijke welsprekendheid of wijsheid. Ik had besloten u geen andere kennis te brengen dan die over Jezus Christus – de gekruisigde.

Paulus wil steeds weer spreken over Jezus Christus, de gekruisigde. Let op, want er staat niet dat Paulus wil spreken over de gekruisigde Jezus Christus. Alsof Jezus nooit is opgestaan!
Om dit vers duidelijker te hertalen: Paulus wil spreken over de levende (!) Jezus Christus, en die gekruisigd (!).

Dat betekent dus aan de ene kant dat onze Heer lééft. Met alle schitterende gevolgen van dien: er is ook leven na ónze dood, je bidt nooit tevergeefs, die Jezus kán je advocaat bij God zijn, andere godsdiensten en religieuze overtuigingen worden te kijk gezet, bij deze doodsoverwinnaar moet je wel veilig zijn, en vul verder maar in. Dat kunnen de meeste christenen wel.

Maar dan ook die andere kant, waar veel christenen meer moeite mee (en geen zin in?) hebben. Want die levende Heer is dus wel door mensen gekruisigd en verlaten. En dat moet de mensheid (inclusief de christenen) op haar plek zetten. Dat is het oordeel dat op deze wereld ligt. Wat hebben wij allemaal in vredesnaam met God gedaan?!

We hebben gemeend de (levende) Zoon van God te moeten kruisigen. En daarvoor roept God iedereen ter verantwoording. Juist nu Jezus, zijn Zoon, weer leeft.

Oftewel: naar Golgota! Opkijken naar die Jezus. Laat je hem als een dooie hangen of betuig je spijt? Blijf je staan of val je door de knieën?

Kijk, dat vind ik dus heel wat anders dan zoetsappige feel good toespraken. Hoe goed bedoeld en gedeeltelijk waar ook.
Mijn bijbel is spannender. Het wordt niet voor niets vergeleken met een scherp, tweesnijdend zwaard.

PS. Ik wil het niet bij deze kritiek-op-afstand laten. Ik ben heel graag bereid om in de toekomst de korte meditaties binnen een concert van Testify te verzorgen. Ik denk dat dat de zeggingskracht en het getuigenis van een optreden ten goede komt.
Reageer gerust of spreek tijdens een repetitieavond Margreet aan.

Je zou kunnen zegen dat we sinds het jaar 33 tot aan de dag van de komst van Gods koninkrijk in een soort intermezzo leven. En die tussentijd is begonnen met een wijnbeker en zal ooit worden geëindigd met een wijnbeker.

Tijdens het regelmatig terugkerende avondmaal in onze gemeente pakken we naast een stuk brood ook de beker aan. Een ritueel dat door onze Heer Jezus zelf is ingesteld. De wijn symboliseert het bloed van Jezus.

Maar voordat Jezus die bekende beker pakte, pakte hij eerst een andere. In die tijd gingen er namelijk, meen ik, tijdens de paschamaaltijd meerdere bekers rond.

Lucas 22, 17-18 Jezus nam een beker, sprak het dankgebed uit en zei: ‘Neem deze beker en geef hem aan elkaar door. Want ik zeg jullie: vanaf nu zal ik niet meer drinken van de vrucht van de wijnstok tot het koninkrijk van God gekomen is.’

Dat is dus niet de beker die we tijdens het avondmaal met elkaar leegdrinken. Die beker werd ná de maaltijd door Jezus gepakt (Lucas 17, 20: Zo nam Jezus na de maaltijd ook de beker, en zei: ‘Deze beker, die voor jullie wordt uitgegoten, is het nieuwe verbond dat door mijn bloed gesloten wordt.’)

Met die eerdere beker wil Jezus wat anders zeggen. Ik denk dat Jezus wil aangeven dat het allemaal wat somberder gaat worden. Als Jezus niet bij de mensen is, is er weinig reden tot een feestje. Ook de alcohol kan in de koelkast blijven.

Jezus zal sterven (Goede Vrijdag), opstaan (Pasen) en naar zijn Vader gaan (Hemelvaart). Hij weet dat al. Maar van een vertrek van Jezus word je als enthousiast volgeling niet blij. Jezus schenkt bewust aandacht aan dit naderende afscheid.

Tegelijk bemoedigt hij zijn trouwe leerlingen en mij ook. Want Jezus weet het zeker. Dat koninkrijk van hem gaat zeker weten aanbreken. Maak je maar niet ongerust of bang. “Je zult me weer zien”, zegt Jezus toe. En dan kan de wijn weer op tafel, want we hebben weer reden tot én alle tijd voor een feestje.

Ik wens iedereen een goede vrijdag, een bewuste zaterdag en een opgewekt Pasen toe.

Gisteren lazen we op catechisatie een spannend gesprek tussen Jezus en iemand uit zijn publiek. Als een man in Lucas 13, 22-30 aan Jezus vraagt of er weinigen worden gered van het oordeel, weigert Jezus een theoretische discussie te voeren over de verkiezing.

Jezus wordt persoonlijk en roept de vraagsteller op om zelf alle moeite te doen om door de smalle deur het koninkrijk van God binnen te gaan.

Daarop tekende ik een plaatje van Nederland op het bord met aan de grens een toegangsdeurtje. Jezus is dat toegangsdeurtje – de smalle deur – maar deze man had dat niet door. Als geboren Jood en ‘zoon’ van aartsvader Abraham dacht hij dat hij vanzelfsprekend recht had op het koninkrijk van God.

Jezus waarschuwt hem echter dat er veel Joden zullen zijn die ooit Abraham, Isaäk en Jakob in Gods koninkrijk zullen zien terwijl ze zélf zullen worden buitengesloten. Bovendien zullen er véél volken wel in Gods koninkrijk worden toegelaten omdat velen zullen erkennen alleen via Jezus bij God te kunnen komen. Jezus geeft dus, al is het laat (in vers 29 pas), wel een antwoord op de vraag. Maar de vraagsteller moet ondertussen wel door Jezus van slag geraakt zijn!

Buiten ‘Nederland’ zullen arrogante Joden maar bijvoorbeeld ook hoogmoedige gereformeerd-vrijgemaakten die denken er wel te komen (”Maar Heer, ik ben toch gedoopt?” Of”: “Maar Heer, ik ben toch altijd trouw naar de kerk geweest?”) jammeren en knarsetanden. Dat is het vooruitzicht van het land waar Jezus, de koning, niet is. En dus de hel.
Tenzij ze zich bekeren tot de smalle deur Jezus. Want dat kan nog altijd. Elke dag die je hier op aarde leeft. Jezus geeft de man dan ook geen draai om de oren, hij biedt hem de juiste blikrichting aan. Zet ‘m op het goede spoor; op de smalle weg naar de smalle deur. En dat confronteert.

Daarop liep ik weer naar het bord en vroeg aan de catechisanten: “Als Nederland nu even het koninkrijk van God voorstelt, waar is dan de hel? Waarop iemand uit de groep antwoordde: “Doe België maar!” Ik vroeg, terwijl ik België uittekende, naar de reden van zijn keuze. “Nou”, antwoordde hij, “daar wonen toch de rode duivels?”

Oordeel en humor. Zelfs dat kan samengaan!