
Of je nu christen bent of niet, angst kennen we allemaal. Hoogtevrees, angst voor kleine ruimtes en faalangst zijn, denk ik, de bekendste.
Ik haat ‘t om bang te zijn, maar ik besef tegelijk dat ik zonder angst geen leven heb. Angst is geen slechte of foute emotie. Hij hoort bij de mens.
Maar wat haat ik dan precies?
De angst der angsten is volgens mij de angst voor de dood. En dan onderscheid ik hier drie lagen in.
1. Het grillige tijdstip van de dood. Het idee dat-ie mensen zomaar kan overvallen. Of je nu een paar maanden, 14 jaar of hoogbejaard bent. Het kan zo gebeurd zijn. Om met dat idee te moeten leven doet me huiveren. Maakt me bang.
Hartaanvallen en -infarcten… brrr.
2. Het zwarte gat van de dood. Het idee er niet meer te zijn, weg te vallen van je geliefde omgeving, op te lossen in het heelal, weg te rotten onder de grond, naar je idee niets meer waard te zijn of te worden.
3. De ‘is er dan toch-bewustwording’ na de dood. De ervaring dat je voor een God komt te staan. Aan wie je verantwoording schuldig bent. Shit, is er dan toch een wereld na deze wereld?
Die onzekerheid knaagt nu vaak aan mensen (vooral als het stervensuur nadert).
Ik begrijp dat Marco Borsato zingt dat we de dag moeten plukken, omdat het zo ineens de laatste kan zijn. (Deze gedachte heeft trouwens al oude papieren!)
Maar als ik daar stil bij sta, word ik bang. Zo wil ik niet leven. Dat kan geen leven zijn. Ik wil geen slaaf van de angst voor de dood zijn.
Hebreeën 2, 14-16 Omdat die kinderen mensen zijn van vlees en bloed, is de Zoon een mens geworden als zij, om door zijn dood definitief af te rekenen met de heerser over de dood, de duivel, en zo allen te bevrijden die slaaf waren van hun levenslange angst voor de dood. Het moge duidelijk zijn: hij is niet begaan met het lot van engelen, hij is begaan met het lot van de nakomelingen van Abraham.
Dit is evangelie dat én mijzelf overstijgt én mijzelf raakt. Dit gaat zo diep.
Maar ik heb tijd, veel tijd nodig om dit te laten landen. Ik blijf (inderdaad) een mens van vlees en bloed. Ik houd mijn angsten. Ik kan zo moeilijk loslaten.
Maar ik ken een God die mij met m’n angsten kent. En hij walst niet over die angsten heen door ze niet te benoemen of te ontkennen. Hij heeft zelfs zijn geliefde Zoon er dwars door heen laten gaan. Zo serieus neemt God de angst voor de dood.
Jezus ging de dood in. En kwam eruit. Als eerste van alle mensen die in hem geloven.
Ik ken een God die met mij en mijn angsten begaan is. Ik geloof. Ik ben geen slaaf meer. Nu nog wel proberen hem Héér te laten zijn.
[Update van de laatste zin: Nu nog ontdekken wat het betekent dat juist hij mijn Heer is]
Om één of andere reden gaan mensen anders denken over de dood als ze eens heel ernstig ziek zijn geweest en toch hersteld. Dan wordt het moeilijk om te léven.