Ze vroeg om een snoepje van oma en kreeg er een. “En wat zeg je dan?” hoor ik de moeder wat dwingend vragen. “Dankjewel”, mompelt haar kind. “Goed zo!”, bevestigt de moeder het wenselijke gedrag.
Het is een feit dat we elkaar eerder iets vragen dan dat we elkaar bedanken. Terwijl danken zo mooi kan zijn. Je kunt namelijk even stilstaan bij wat je gekregen hebt. Zonder meteen het gordijn van de toekomst te moeten opentrekken.
Ik ben gereformeerd opgevoed (en ben het nog steeds). Ook in het gebedsleven is dat terug te zien. Bij mezelf, bij m’n omgeving en in de kerk.
1. Bij mezelf
Bidden is vragen. Als ik aan tafel bid, vráág ik om een zegen over het eten. Ik vráág of God vandaag bij mij (en anderen) wil zijn. Ik vraag om vergeving, om de komst van mijn koning Jezus. Vragen, vragen en nog eens vragen.
Het is niet eens een verlanglijstje (wordt vaak wat negatief gezegd), het is meer een houding. Een ‘normale’ invulling van het gebed. Ik weet niet beter.
2. Bij mijn omgeving
Bij mijn ouders thuis wordt het nog steeds gebeden. “Leer ons u lief te hebben…” Dan gaat het mij om het woordje ‘leren’. Gereformeerden vragen God heel vaak om ons dingen te leren.
In zo’n gebed sta je nooit stil. Want het leven met God moet altijd beter en mooier. Dan schuif je dus altijd dat toekomstgordijn open.
3. In de kerk
In de ochtenddienst gaat het vrijwel altijd fout. Veel gereformeerde predikanten weigeren God gewoonweg te danken. In plaats van God te bedanken dat de gemeente in de afgelopen week voor elkaar gespaard is gebleven, te bedanken voor onze liefde tot God, te bedanken voor al het maatschappelijke en geestelijke werk dat we konden doen, te bedanken voor de mogelijkheid tot sport, eten, liefde, ontmoeting en wat dan ook, gaat het zo vaak anders.
Deze dominees menen God te moeten benaderen vanuit de schuld. Dat zou een gereformeerd goed zijn (of de orde van dienst verplicht daartoe). Dan zijn we in de afgelopen week tekórt geschoten, we hebben gezondigd, we zijn met pijn en moeite vanochtend naar de kerk gegaan, we zijn God vooral vergeten, we zetten onszelf te vaak in het middelpunt, enzovoort enzovoort. Dat wordt dan een gebed met het oog op vergeving.
Hoe vroom het ook lijkt, het is een minachting van Gods zorg voor ons. In feite zetten dominees de vragende mens dan toch weer in het middelpunt.
Als ik God dank, mag ik mezelf in de eerste plaats even heerlijk stilzetten. Stilstaan bij Gods goede zorg voor mij. Nadenken over de (vaak kleine) dingen die God me gegeven heeft.
Ook doe ik recht aan mijn eerdere gebeden. Als ik God gevraagd heb om mij te helpen, moet ik ook nagaan of God me geholpen heeft. En hem daarvoor dan ook danken. Dat verdient hij.
Danken is gaaf. Het stelt me in staat te ontdekken hoe goed God voor me is. Het haalt ook de onrust weg om steeds maar weer beter te moeten.
God heeft al zoveel van mijn gebeden verhoord.
Filippenzen 4, 6 Wees over niets bezorgd, maar vraag God wat u nodig hebt en dank hem in al uw gebeden.
Toen we naar Bunschoten verhuisden werd ons huisje en dus de opslagruimte groter. Ruimte genoeg, dachten we.