Archief van april, 2008

Ze vroeg om een snoepje van oma en kreeg er een. “En wat zeg je dan?” hoor ik de moeder wat dwingend vragen. “Dankjewel”, mompelt haar kind. “Goed zo!”, bevestigt de moeder het wenselijke gedrag.

Het is een feit dat we elkaar eerder iets vragen dan dat we elkaar bedanken. Terwijl danken zo mooi kan zijn. Je kunt namelijk even stilstaan bij wat je gekregen hebt. Zonder meteen het gordijn van de toekomst te moeten opentrekken.

Ik ben gereformeerd opgevoed (en ben het nog steeds). Ook in het gebedsleven is dat terug te zien. Bij mezelf, bij m’n omgeving en in de kerk.

1. Bij mezelf
Bidden is vragen. Als ik aan tafel bid, vráág ik om een zegen over het eten. Ik vráág of God vandaag bij mij (en anderen) wil zijn. Ik vraag om vergeving, om de komst van mijn koning Jezus. Vragen, vragen en nog eens vragen.
Het is niet eens een verlanglijstje (wordt vaak wat negatief gezegd), het is meer een houding. Een ‘normale’ invulling van het gebed. Ik weet niet beter.

2. Bij mijn omgeving
Bij mijn ouders thuis wordt het nog steeds gebeden. “Leer ons u lief te hebben…” Dan gaat het mij om het woordje ‘leren’. Gereformeerden vragen God heel vaak om ons dingen te leren.
In zo’n gebed sta je nooit stil. Want het leven met God moet altijd beter en mooier. Dan schuif je dus altijd dat toekomstgordijn open.

3. In de kerk
In de ochtenddienst gaat het vrijwel altijd fout. Veel gereformeerde predikanten weigeren God gewoonweg te danken. In plaats van God te bedanken dat de gemeente in de afgelopen week voor elkaar gespaard is gebleven, te bedanken voor onze liefde tot God, te bedanken voor al het maatschappelijke en geestelijke werk dat we konden doen, te bedanken voor de mogelijkheid tot sport, eten, liefde, ontmoeting en wat dan ook, gaat het zo vaak anders.

Deze dominees menen God te moeten benaderen vanuit de schuld. Dat zou een gereformeerd goed zijn (of de orde van dienst verplicht daartoe). Dan zijn we in de afgelopen week tekórt geschoten, we hebben gezondigd, we zijn met pijn en moeite vanochtend naar de kerk gegaan, we zijn God vooral vergeten, we zetten onszelf te vaak in het middelpunt, enzovoort enzovoort. Dat wordt dan een gebed met het oog op vergeving.
Hoe vroom het ook lijkt, het is een minachting van Gods zorg voor ons. In feite zetten dominees de vragende mens dan toch weer in het middelpunt.

Als ik God dank, mag ik mezelf in de eerste plaats even heerlijk stilzetten. Stilstaan bij Gods goede zorg voor mij. Nadenken over de (vaak kleine) dingen die God me gegeven heeft.
Ook doe ik recht aan mijn eerdere gebeden. Als ik God gevraagd heb om mij te helpen, moet ik ook nagaan of God me geholpen heeft. En hem daarvoor dan ook danken. Dat verdient hij.

Danken is gaaf. Het stelt me in staat te ontdekken hoe goed God voor me is. Het haalt ook de onrust weg om steeds maar weer beter te moeten.
God heeft al zoveel van mijn gebeden verhoord.

Filippenzen 4, 6 Wees over niets bezorgd, maar vraag God wat u nodig hebt en dank hem in al uw gebeden.

“De gereformeerde homiletiek schiet tekort om over Prediker te kunnen preken”, vertelde hij me. Daarom gaan veel gereformeerde preken over dit boek ook nergens over. (Wellicht is mijn Prediker-preek van afgelopen week ook wel te dogmatisch!)

Preken over een hoofdstuk of tekst uit Prediker heeft geen zin als je niet het hele boek in de preek betrekt. Maar ja, dan wordt de preek wel heel erg lang… En dus schiet onze preekkunde – dat betekent homiletiek – tekort.

Wat is dan de kern van het boek?

Prediker is iemand die het leven onderzoekt. Hij loopt door de straten van het leven. Hijzelf noemt dat het leven ‘onder de zon’. Dat komt steeds terug.
Hij observeert z’n omgeving en trekt conclusies. En dat komt steeds uit op ‘lucht en leegte’. Alles is lucht en leegte.

Maar z’n conclusies zijn niet zo simpel als ze op het eerste gezicht lijken. Je kunt hem niet van oppervlakkigheid betichten.
Prediker loopt door de straten, maar de ene straat loopt dood, een ander weggetje is wat smal, weer een andere laan is goed. Of in ieder geval beter dan het vorige straatje.

Er zit dus nuance in. Vandaar dat hij bijvoorbeeld in Prediker 4 kan zeggen dat het béter is om samen te zijn dan alleen. En in vers 12: drie is nóg beter (je weet wel, dat drievoudige koord).

Maar het blijft (in genuanceerde zin) allemaal lucht en leegte op aarde. Onder de zon.

Totdat er in het laatste hoofdstuk een luik opengaat. Dan komt God in beeld. Prediker concludeert dat het in het leven maar om één ding gaat: ontzag voor Gód en zijn geboden.

Prediker is een eerlijk boek. Het maakt je misschien depressief (’Is onze wereld echt zo leeg?’), maar alleen God geeft het zin.
Het hele leven onder de zon krijgt zin als je de God kent die boven diezelfde zon staat.

Prediker 12, 13-14 Alles wat je hebt gehoord komt hierop neer: heb ontzag voor God en leef zijn geboden na. Dat geldt voor ieder mens, want God oordeelt over elke daad, ook over de verborgen daden, zowel over de goede als de slechte.

Vanmiddag mocht ik een dankdienst leiden van een stel dat vandaag getrouwd is.

Het was een gave dienst met muzikale medewerking van een vijftal Afrikanen (Congolezen en Angolezen). Dat gaf de dienst een mooie, vrolijke sfeer.

De meditatie ging over Prediker 4, 12b: ‘Een koord dat uit drie strengen gevlochten is, is moeilijk stuk te trekken.’

Ik uitte kritiek op de uitleg die hiervan vaak gegeven wordt, namelijk dat het bruidspaar de eerste twee strengen voorstellen en God de derde voor zijn rekening neemt.

Nou goed, lees zelf maar. Houd natuurlijk ook de bijbel er bij, want zonder de context (Prediker 4, 7-12) landt een preek veel moeilijker. Is-ie ook minder boeiend.

Prediker 4,12.pdf

Toen we naar Bunschoten verhuisden werd ons huisje en dus de opslagruimte groter. Ruimte genoeg, dachten we.
Ondertussen staat onze rommelzolder al behoorlijk vol. Van mij hoeft het niet, maar het gebeurt gewoon.

Wij Nederlanders staan erom bekend alles te willen bewaren. Want wie wat bewaart, die heeft wat.
En nu lees ik net in de bijbel dat dit nog waar is ook! Je wordt er zelfs gelukkig van.
Jezus zegt het tegen een enthousiaste vrouw. Het staat in Lucas 11.

Lucas 11, 27-28 [Terwijl Jezus zijn toespraak hield], verhief een vrouw uit de menigte haar stem en riep tegen hem: ‘Gelukkig de schoot die u gedragen heeft en de borsten waaraan u gedronken hebt!’ Maar Jezus zei: ‘Gelukkiger zijn zij die naar het woord van God luisteren en het bewaren.’

Jezus is helemaal niet zo positief, als je goed leest. Er klopt iets niet aan wat die vrouw zegt.

Deze vrouw luistert naar Jezus, vindt z’n woorden helemaal geweldig en denkt: “Wat zal z’n moeder trots op hem zijn! Tsjongejonge, je zult zíjn moeder maar zijn!”
[Ik vraag me trouwens af of dit een gedachte is die vrouwen-van-nu bij zichzelf herkennen]

Jezus zegt niet: “Inderdaad, m’n moeder Maria is maar gelukkig met me, zeg. Wat heeft zij een mazzel gehad.”

Ik denk dat Jezus deze vrouw met zijn woorden zowel waardeert als bekritiseert. Hij doet de woorden van de vrouw absoluut niet als leugen af, maar tegelijkertijd heeft zij deze Jezus nog niet begrepen.
Want het gaat niet om de moeder van Jezus. Het gaat ook niet om die geweldige Jezus in de zin van: ‘Wat een spreker is die man!’
Het gaat om de persóónlijke keuze die deze vrouw moet maken. Ze moet niet de omgeving van Jezus prijzen, ze moet zichzelf door hem aangesproken weten.
Jezus doet dat zo goed – veel beter dan ik het nu uitleg.

Jezus kickt dus niet op zichzelf, is ook absoluut niet op zoek naar waardering en applaus.
Hij wil wel dat ik naar hem luister, zijn woorden identificeer als woorden van Gód (!), en dat ik zijn woorden als kostbaar goed bewaar.

Jezus’ reactie op die ene vrouw roept niet alleen haar maar iedereen op het evangelie als je persoonlijke geluk aan te nemen.
Ík ben gelukkig als ik deze Jezus en zijn evangelie als een goddelijke boodschap voor mijzelf opvat. Dan ben ik zelfs gelukkiger dan de vrouw die Jezus mocht opvoeden.

Aanstaande donderdagmiddag mag ik een dankdienst leiden van een stel dat niet in de kerk mag trouwen (om 15:00 uur in de Zuiderkerk te Bunschoten). Ze hebben namelijk (nog) geen belijdenis van hun geloof afgelegd.

Ik heb daar eens over nagedacht. Want ik vraag me af waarom onze kerken dit niet toestaan. Ik ben van mening dat onze kerken gedoopte bruidsparen wel moeten opvangen en hun huwelijk moeten inzegenen. Op een barmhartige en (in het verlengde daarvan) ruimhartige manier.

Wat zijn de redenen dat onze kerken niet-belijdende stellen niet in de kerk trouwt? Ik denk de volgende:

1. Veronderstelde gemakzucht bij degenen die trouwen.
Als je geen belijdenis gedaan hoeft te hebben om in de kerk te mogen trouwen, geef je de jongeren de mogelijkheid om uit gemakzucht geen belijdenis van hun geloof af te leggen. ‘Da’s mooi gemakkelijk’ hoor ik velen al zeggen. ‘Je blijft lekker dooplid terwijl je wel de zegen van de kerk/ God meekrijgt.’

2. Wat te doen als het stel kinderen krijgt?
Kerken van gereformeerde snit dopen de kinderen van gelovige ouders (zij die belijdenis hebben afgelegd). Omdat te voorkomen hebben de kerken, denk ik, bepaald dat er eerst belijdenis moet worden afgelegd voordat er getrouwd wordt en er (dus) kinderen kunnen komen.

Mijns inziens zijn beide redenen overkoombaar.

Lees meer »

Margreet vindt het leuk om op zaterdagavond naar Een Goed Begin te kijken. Dat komt na het Duitse voetbal, dus dan kijk ik vaak mee.

Vaak gaat het over stelletjes die het (tijdens de zwangerschap of daarvoor) moeilijk hebben gehad en nu goed willen beginnen. Het programma eindigt altijd met een doop of een opdracht in de plaatselijke kerk of gemeente.

Ik kijk zelf helemaal uit naar de doopdienst van ons kind. Het lijkt me helemaal geweldig.
Tegelijk weet ik dat de doop een erg serieuze zaak is. Het kan niet allemaal positiviteit zijn.
Daarom verbaas ik me er wel ’s over wat stelletjes en hun ouders op TV zeggen als het over de doop gaat.

“Hierdoor laat God zien dat hij van ons kind houdt”, hoor ik steevast terugkomen. Of: “God belooft met ons kind mee door het leven te gaan.”

Dan denk ik: “Ja, dat is absoluut waar, maar dat zou God vóór de doop ook wel beloofd hebben. Hij is de schepper. Hij laat wat hij maakt echt niet zomaar los. En zou hij zijn eigen kind niet liefhebben? Tuurlijk wel.
Dat is dus de kern van de doop niet.

Het heeft iets heel triest. Er komt niet voor niets water aan te pas. Er moet gewassen worden.
Ons pasgeboren kind is – geestelijk gezien – vies. En we zullen dat aan hem of haar gaan merken ook. Net als ik dat bij mezelf merk.
Tegen mijn zin in (als het goed is). Ook tegen Gods zin in (als hij écht God is).

Maar dan hebben Margreet en ik een God die met een oplossing komt. Zijn liefde en nabijheid worden juist goed zichtbaar in zijn oplossing/ wasbeurt/ vergeving van onze zondige aard.
Ons kind wordt als heilig aangenomen door de heilige God. Mogelijk gemaakt door zijn Zoon. Daar is alle zoetsappigheid natuurlijk vanaf. Daar wilde en moest Jezus z’n eigen leven voor geven.

Een doop zonder (benoemen van) zonde wordt mijns inziens een religieus (familie)feestje of een bevestiging van je eigen, zoetige godsbeeld.
Dat is zonde van de doop.

Het ging heerlijk en ik heb er van genoten. Veel gemeenteleden (gelukkig) ook.

Vanmorgen heb ik weer mogen preken. En natuurlijk komt-ie ook weer online.

Zie de link hieronder. Lees van te voren Matteüs 26, 31-35 en Matteüs 28, 16-20.

Preek13april2008.pdf

[Voor Dick, mezelf en anderen]

De genade van God betekent dat je op de een of andere manier toch door het oog van een naald komt.
Dat is blijkbaar mogelijk. Jezus zegt ‘t in Matteüs 19.

Als Jezus een gelovig en rijk man oproept zijn bezittingen te verkopen en de opbrengst aan de armen te geven, gaat de man teleurgesteld naar huis. ‘Want’, staat er dan, ‘hij had namelijk veel bezittingen.’

Jezus begint vervolgens over het oog van een naald. Een kameel gaat er gemakkelijker doorheen dan dat een rijke bij God komt!

Daarom schreef ik gisteren dat christenen niet moeten zeggen dat het moeilijk is om uit genade te leven. Dat blijkt ook uit de reactie van Jezus’ leerlingen: “Wie kan er dan nog gered worden?”

Het kán gewoon niet.

Jezus pareert: “Bij mensen is dat (inderdaad!) onmogelijk, maar bij God is alles mogelijk.”
God kan dus een kameel door het oog van een naald krijgen. Of een piano door een toiletraampje.

Hoe dat hij dat dan? Het antwoord schuilt in het laatste stuk van vers 21. Want Jezus roept de man niet alleen op om zijn bezittingen de verkopen en te verdelen. Daarná komt hij bij de kern.

Matteus 19, 21b “Kom daarna terug en volg mij.”

God heeft zijn Zoon Jezus naar deze wereld gestuurd. Het menselijk onmogelijke heeft hij mogelijk gemaakt:

1. Jezus is uit een maagd geboren;
2. Jezus maakt doden levend;
3. Jezus staat zelf op uit de dood;
4. Jezus stijgt uit zichzelf op naar de hemel.

Ik bedoel, is dat onmogelijk of niet? En als je dan ook nog eens bedenkt dat hij al dit onmogelijke niet zomaar deed maar voor de mensheid… Voor mij…

Ik weet niet hoe hij het doet, maar ik weet zeker dat deze Jezus in staat is mij ook in zijn koninkrijk te krijgen.
Hij krijgt mij door die naald, omdat hij heeft laten zien dat dat echt kan.