Toen Joram gedoopt werd, las ik ons doopgetuigenis voor. Eerder schreef ik al dat een paar mensen vielen over de zin dat we Joram op grond van ons geloof hebben gedoopt. Ik gaf toen aan dat gereformeerd-vrijgemaakten vaak wat gereserveerd tegenover een subjectief startpunt staan (Ze pleiten voor: God, en dán de mens. En niet: de mens, en dán God). Dit ‘probleem’ was dus gemakkelijk te verhelpen, ook naar aanleiding van Efeze 2, 8-9.
Nu een ander typisch vrijgemaakt punt. Margreet en ik zouden namelijk de kerkelijke afspraken niet nagekomen zijn. In de gereformeerde kerkorde staat namelijk in Artikel 59:
Gereformeerde Kerkorde, Artikel 59
De predikanten zullen bij de doop van de kinderen en van volwassenen zich houden aan de formulieren die daarvoor zijn vastgesteld.
En een doopgetuigenis is geen formulier, dús overtreding. Onze predikant had het getuigenis op grond van dit artikel moeten verbieden.
Hier gaat het om een gezonde omgang met de gemaakte afspraken. Want als je je met het kerkrecht bezighoudt, moet je dat kunnen. Zoals een scheidsrechter moet kunnen omgaan met de spelregels van het voetbal. Scheidsrechters die star en strak fluiten, maken wedstrijden kapot.
Mensen die de Kerkorde strak en star gebruiken, maken de (sfeer én de orde in de) kerk kapot.
Dat dit artikel in de tijd is opgesteld, heeft natuurlijk alles te maken met het feit dat men wilde voorkomen dat predikanten hun eigen doopsleer aan de gemeente oplegden. Net als nu deden toen verschillende visies de ronde. Daarom sprak men af dat de predikanten zich aan de vastgestelde formulieren moesten houden (al mocht men er in 1679 (!) al delen van weglaten, trouwens).
En die diepere laag moet je vasthouden, als je welk artikel in de Kerkorde dan ook gebruikt. Wat is er de bedoeling van? Waarom zou die opgesteld zijn?
De bedoeling van artikel 59 is niet dat de formulieren zonodig voorgelezen moeten worden (al lijkt dat er formeel wel te staan), maar dat de gereformeerde visie op de doop gewaarborgd blijft.
En bekijk zo ons doopgetuigenis. Komt dat overeen met de inhoud van de formulieren, ook al waren de bewoordingen moderner, eigentijdser?
Zo ja, dan hebben Margreet en ik in de sfeer en in de ruimte van artikel 59 gehandeld. Zo nee, vertel het ons en we maken een rectificatie.
PS 1. Overigens is het niet iedereen gegeven om een doopgetuigenis af te leggen. Je moet het willen en vooral kunnen. Getuigen is een gave die lang niet iedereen heeft. Of je moet getuigen zien als ‘wat over Jezus vertellen’, ja, dat kan iedereen wel. Getuigen in de bijbelse zin van het woord, is wat anders.
Bovendien moet je bereid zijn om het getuigenis aan derden voor te leggen en je te laten kritiseren. Die houding hebben wij ons aangemeten.
PS 2. De reden dat Margreet en ik kozen voor een getuigenis, is dat we het eerste formulier veel te lang en te saai vinden. En persoonlijk vraag ik me af of er een eis aan het verbond verbonden zit. (In het oorspronkelijke doopsformulier staat die eis niet! Ik meen dat het Klaas Schilder was die gemeend heeft deze eis te moeten toevoegen.)
Het tweede formulier vinden we typisch “gereformeerd”, want veel te defensief (tegen de evangelische doopsvisie). Wie gaat zichzelf nu in een eigen dienst verdedigen?
En het derde formulier is werkelijk een samenraapsel van wat aan elkaar geplakte bijbelteksten, waarin geen lijn te bekennen is.
“Mensen die het kerkrecht strak en star gebruiken, maken de (sfeer én de orde in de) kerk kapot.”
Toen ik je bericht las moest ik hier aan denken:
“de letter maakt dood, maar de Geest maakt levend.”
Let us pray…