Archief van augustus, 2008

[Allereerst: De preek van vandaag staat er wat laat op. I'm so sorry!]

Hoewel het wel geregeld gezegd wordt, kletst God niet zomaar wat in de bijbel. Dat viel me gisteren in, toen ik de middagdienst van vandaag voorbereidde. Alsof het alleen maar woorden, woorden en nog eens woorden zijn.
De Bijbel spreekt altijd over het Woord – enkelvoud – van God. Ik denk omdat God en de bijbel zo duidelijk als wat zijn. Geen oeverloos gezever, maar duidelijke taal. Een woord met een duidelijke, ontmaskerende kern die – onbegrijpelijk – zowel van Geest als van vlees en bloed is: Jezus Christus, de Zoon van God en Maria.

De preek van vanmiddag vond ik voor mezelf vernieuwend. Omdat ik gewend ben om te spiegelen – ik preek de God van Jezus Christus en geef de hoorders de gelegenheid om zich daar aan te spiegelen – was ik vanmiddag direct. Recht op de man af.
Een preek met een stevige zelfkritische noot. Omdat ik denk dat zelfkritiek niet de meest in het oog springende eigenschap van gereformeerd-vrijgemaakten is.

Hieronder kun je de preek (na)lezen en als je wilt (alsnog) reageren. Houd bij de preek 1 Petrus 1 en 2 (tot vers 10) bij de hand of nog beter: lees die hoofdstukken eerst.
Pak natuurlijk ook vraag en antwoord 84 van de Heidelbergse Catechismus erbij. En geef jezelf de tijd om goed te lezen wat er staat.

Ik hoop volgende week zondagmorgen, 7 september, het evangelie van Jezus Christus weer á la vraag en antwoord 84 van de Heidelbergse Catechismus te brengen.

Zondag 31a

In bevrijdingspastoraat heb ik me niet genoeg verdiept om er wat zinnigs over te zeggen. Ik weet alleen dat het een hot topic in onze kerken is. Ook weet ik dat er voor- en tegenstanders van zijn.

Ik hoorde iemand, die zich erin aan het verdiepen is, het volgende over bevrijding van demonen en demonische krachten zeggen. Hij vertelde me: “Jezus is natuurlijk Heer over satan, alle demonen en bijbehorende krachten. Dat moet iedereen weten. Maar satan is er natuurlijk wel en hij kan ook gereformeerde mensen in beslag nemen.”

Een meisje heeft me wel eens verteld dat ze door een boze geest gekweld werd. ’s Nachts, als ze in bed lag. Ze zei tegen me dat ze de naam van Jezus uitsprak (”Jezus, stuur deze geest van me weg!”) en dat ze dan rustig werd. Dat vond ik bijzonder. Ook dat ze mij dat durfde te vertellen.

Het goede was, dat ze de naam van Jezus hardop uitschreeuwde. Want je moet bedenken dat satan een (gevallen) engel is. Hij kan dus geen gedachten lezen. Je moet tegen hem schreeuwen. Als je dat in de naam van Jezus doet, heeft hij naar die naam te luisteren. Dat is zijn lot – en dat weet-ie.

PS. In de gereformeerde traditie is weinig aandacht voor de Geest, waar dit onderwerp misschien wel onder valt. Ik heb geen flauw idee hoeveel gereformeerde mensen onder demonische krachten gebukt gaan.
Ook heb ik geen flauw idee hoeveel gereformeerde mensen (dagelijks) naar vervulling door de heilige Geest verlangen (Efeze 5, 18).
Misschien hangt het een wel met het ander samen. Als de Geest van God je amper interesseert, heb je misschien ook geen aandacht voor de krachten die de satan gebruikt om je van God weg te trekken. Zou dit een aangeboren, gereformeerde blindheid zijn? Een gebrek in de gereformeerde leer en het dito leven?
Of geeft de wellicht overdreven aandacht voor bevrijdingspastoraat blijk van ‘Woordmoeheid’ in de zin van: ‘We zijn nu wel eens aan wat anders toe dan woorden.’

Echt contact met iemand maken. Ik denk dat het een van de moeilijkste en belangrijkste dingen is in de communicatie van het evangelie. Daarom is evangeliseren een kunst, een vak of een ambacht. Het is in ieder geval wat anders dan foldertjes uitdelen en ‘over Jezus Christus vertellen’.

Als je Nederlanders religieus hoort praten, zullen er veel zeggen dat ze wel in iets geloven. Dat wordt zelfs zo vaak gezegd dat het een geaccepteerd ‘geloof’ is: het ietsisme.

Maar ja, hoe ga je met een ietsist in gesprek? Anders gezegd: hoe benader je hem of haar met het evangelie van Jezus Christus?
Ik denk dat een van de valkuilen is om direct tegenover het ‘iets’ een ‘iemand’ te plaatsen. Dat je zoiets zegt als: “Jij gelooft in iets, maar weet je, ik geloof dat er een iemand is, namelijk Jezus Christus (of zijn Geest).” [Tip: praat in een evangelisatiegesprek nooit over de Geest van God/Jezus. Veel te vaag!]

Het is wel waar dat er een ‘iemand’ is, maar je neemt de ietsist niet echt serieus in zijn eigen ‘geloof’. Je bestrijdt dan namelijk niet de denkwijze van de unieke ietsist die voor je staat, maar je bestrijdt het ietsisme an sich.

Daarom is het in eerste instantie belangrijk én een gave om te luisteren. Wat verstaat je gesprekspartner onder dit ‘iets’? Want voor de een is het een (mystieke) kracht, voor de ander een onpersoonlijke ‘big brother’ en voor weer een ander komt dit geloof in principe neer op ‘nietsime’.

Als je een helder antwoord wilt krijgen, kun je waarschijnlijk een van deze ontmaskerende vragen stellen:

1. “Vertel me eens: hoe aanbid je het?”
2. “Hoe weet je zeker dat dit iets bestaat?”
3. “Hoe maakt het contact met jou; en hoe kenmerkt dat contact zich?”
4. “Met welk doel bestaat dit iets?”

Zo voorkom je dat je gesprekspartner het evangelie rauw op z’n dak gegooid krijgt (zie vele straatevangelisten, die na één of twee zinnen van mijn kant al met Jezus Christus op de proppen komen). Op deze manier blijf je namelijk bij je gesprekspartner, terwijl je met prikkelende vragen de deur naar het evangelie opent. Want het kan niet anders of je gesprekspartner moet eerlijk bekennen dat zijn geloof leeg, oncontroleerbaar en liefdeloos is.
Het gesprek krijgt het karakter van een fuik die hem of haar steeds dichter bij Jezus Christus brengt. Tenminste: dat moet je bedoeling zijn.
Maar heb geduld, blijf goed luisteren en stel de relevante vragen.

Ik zeg niet dat zo’n iemand dan wel even tot geloof komt, want dat heb ik niet in de hand. Maar hij loopt óf kwaad weg (vluchtgedrag) óf hij is het aan denken gezet óf hij moet buigen en een totaal andere weg inslaan: bekeren.

PS 1. Voor de Boogkerkers die dit lezen: in het komend seizoen komt er een cursus ‘evangeliseren’ in de kerkelijke gemeente van Hoogland (EE: EvangelisatieExplosie). Want je voelt wel aan dat dit nog niet zo gemakkelijk is. Bedenk de goede vragen maar eens, en probeer maar eens goed naar iemand te luisteren.
Dat vereist oefening.
Ik ga er dit jaar aan mee doen. Het lijkt me een uitdagende en grensverleggende cursus.

PS 2. Wat is het heerlijk dat ik een God heb die zijn naam bekendgemaakt heeft. Ik geloof niet in een ‘iets’, maar in de HEER. En met die naam wil hij aangeroepen worden. Zo wil hij contact met mij (Exodus 3, 13-15).

Als ik zeg dat iedereen op deze aarde behoefte heeft aan rust, zal ook iedereen ja-knikken. Om de zoveel uur moet ik slapen. Bijna elke Nederlander wil jaarlijks – of vaker – z’n rust pakken door op vakantie te gaan. En als ik zaterdags voetbal bestaat de wedstrijd niet zonder het kwartiertje rust om op adem te komen.

Maar ja, hoe zit het nu met die andere rust? Geestelijke rust. Ik denk dat het een van de risico’s van ons rijke en snelle bestaan is, dat we amper stil staan bij die rust. Terwijl we juist dáár behoefte aan hebben, zelfs nog meer dan aan onze slaap- en vakantieuren.

De rust die de God van Jezus Christus ons belooft, is veelzijdig. Ik stel me zo voor dat Gods rust bestaat uit:

1. Bij hem thuis zijn. Thuis bij je echte, goede Vader.
2. Bevrijd van de angst voor de dood, voor tijdsdruk en stress, voor eenzaamheid.
3. Rust vinden na al je werk dat je op aarde hebt gedaan. Alle gelegenheid hebben om daar eens rustig op te reflecteren en/of van na te genieten.
4. Alle tijd om van het leven, van de (nieuwe) schepping, van God zelf te genieten.

Jezus Christus roept de mensheid met klem op zijn rust in te gaan. In Hebreeën 4, 1-11 wordt het volk Israël als negatief voorbeeld gebruikt. Zij mochten Gods beloofde rust – concreet: na een woestijnreis het land Kanaän – ingaan, maar ze wantrouwden God. En dat pikte God niet, waarna hij een hele generatie Israëlieten de toegang tot het beloofde land blokkeerde.

Dit scenario wordt met de komst van Jezus Christus herhaald, wanneer hij het Koninkrijk van God bekendmaakt. Maar nu wordt het nog dwingender. Israël kreeg met de komst van Jezus nog een tweede kans, maar na Jezus komt er geen derde mogelijkheid.
Het is simpel: je kiest voor eeuwige rust bij en met deze God of je blijft eeuwig onrustig. Want de rust is er. God heeft hem in Jezus Christus beloofd. We hoeven nooit te zeggen dat er helaas geen rust te vinden is; bij deze God is wèl te rusten.

God heeft mensen geschapen die dagelijks rust nodig hebben. Zou hij wel behoefte aan lichamelijke rust ingeschapen hebben, en geen drang naar geestelijke rust? Tuurlijk wel, elk mens is ongeneeslijk religieus, zelfs de grootste atheïst.
Onze God heeft niet zoveel op met een scheiding van lichaam en ziel.

De bijbel wil me laten dromen, bedacht ik vanmorgen. Over mijn toekomst bij God, over zijn rijk, over de werkelijkheid dat ik ooit volmaakt zal zijn.

Het moet een droom zijn die zeker weten uitkomt, dus geen fantasie die me zoet houdt ofzo iets. En het mooie is dat die droom bestaat. En dat een deel ervan al uitgekomen is.

Ik weet namelijk zeker dat ik koning word (ik doe m’n naam eer aan :) ). En dat ik bediend zal worden. Door engelen. Die zullen tot mijn beschikking staan. Ik zal namelijk boven de engelen staan.

Hoe weet ik dat dan zeker? Omdat Jezus Christus mijn broer wil(de) zijn! Hij staat als Zoon-van natuurlijk boven de engelen, maar als hij één ding wil(de) dan is het wel mij op zijn eervolle niveau te krijgen.
En dat gaat gebeuren, omdat hij overduidelijk boven alles en iedereen staat. Hij is al volmaakt en verheerlijkt – ik zal volgen. Omdat hij dat nou eenmaal wil.

Dat staat in Hebreeën 2. Tussen haakjes staat wat verduidelijkend commentaar van mij.

Hebreeën 2, 5 en 10-11 Welnu, de komende wereld, waarover wij hier spreken, heeft hij NIET onder het gezag van engelen gesteld [...]. Want om vele kinderen in Jezus Christus’ luister te laten delen achtte God, voor wie en door wie alles bestaat, het passend de bereider (dat is Jezus) van hun redding door het lijden naar de uiteindelijke volmaaktheid te voeren. Hij die heiligt (Jezus) en zij die geheiligd worden (onder wie ene David Heek) hebben een en dezelfde oorsprong (we komen namelijk allebei van God), en daarom schaamt hij (Jezus) zich er niet voor hen zijn broeders en zusters te noemen.

Christenen zijn gekke mensen. Want ze dromen met hun ogen open en hun verstand draait op volle toeren. We dromen niet maar wat in het wilde weg. We denken na over wie Jezus Christus is, wat hij heeft gedaan, en wat hij voor ons in petto heeft.

We doen dus precies wat Jezus zelf deed. Hij doorstond zijn lijden en sterven; accepteerde het. Omdat hij wist dat er vreugde vóór hem lag. Hij liet zich met open ogen en in zijn volle verstand leiden door een droom waarvan hij wist dat die zeker weten uit zou komen: met ware christenen over de nieuwe wereld regeren, met de engelen als onze obers.

Hebreeën 2, 16 Het moge duidelijk zijn: Jezus Christus is niet begaan met het lot van engelen, hij is begaan met het lot van de nakomelingen van Abraham.

De preek van vanmorgen ging, zoals gisteren geschreven, over leegte. De Boogkerk zat behoorlijk vol, en we beleefden een fijne dienst.

Het viel me ook zelf weer op hoe scherp en exclusief God en zijn evangelie is. Het is bij hem alles of niets. Maar dan ook écht alles of écht helemaal niets.

Hieronder kun je de preek (nog ’s na)lezen en, als je wilt, reageren.

Genesis 29, 14b – 30,1

Morgenvroeg zal de door mij geleide kerkdienst gaan over leegte. Volgens mij een gevoel dat iedereen kent en van tijd tot tijd bij zichzelf opmerkt.

Ieder mens wil bevredigd worden, gelukkig zijn. Of bijbels gezegd: vol(maakt) zijn. Er zijn in deze wereld vele manieren die ons ergens vol van kunnen maken. Je kunt vol zijn van sport, je partner, auto’s, winkelen, hobby’s, seks, vrienden, alcohol, je kinderen enzovoort enzovoort.

En daar is niets mis mee. God geeft ons nou eenmaal veel om van te genieten. En toch kun je je ondanks dit alles leeg voelen.
Dat gebeurt, denk ik, wanneer je afhankelijk wordt van de dingen die God je gééft. Terwijl hij ons in de eerste plaats wil vullen met zichzelf; met zijn Geest.

Nou, daar gaat het dus over.

Weet je uitgenodigd; de dienst begint om 9.30 uur in de Boogkerk, in Amersfoort-Nieuwland.

961. De satan had nooit zoveel kans van slagen in de wereld gehad als we niet zelf konden kiezen vijand van onszelf te worden.

962. Om veel vaker zicht op God en de hemel te houden had God ons met ogen bóven op ons hoofd kunnen maken. De reden dat hij dat niet gedaan heeft, zo denk ik daarover, is dat hij niet wil dat we gebukt door het leven gaan.

963. Ware christenen vereren de schepper in plaats van de schepping. Ze zijn daarom geen zon- maar Godaanbidders.

964. Een van de redenen waarom veel christenen niet ruim de tijd nemen voor het overdenken van Gods woord, is niet dat zij het druk hébben maar dat zij zich druk máken.

965. Een christelijke prediker is meer leerling van Jezus Christus dan leraar van zijn gemeente.

966. Dat Jezus voor mij móest sterven, houdt me nederig. Dat hij voor mij wílde sterven, maakt me zelfverzekerd. [Tim Keller]

967. Het is zonde Gods genade te beperken tot vergeving van zonden.

968. God stuurt mensen niet naar de hel, mensen kiezen er op aarde (en straks) zelf wel voor.

969. Van alles wat er in de wereld is, kan alleen liefde nooit genoeg gegeven worden. Wellicht vormt deze stelregel de reden dat de God van Jezus Christus eeuwig met ons kan leven.

970. Zolang we niet in Gods rijk zijn aangekomen, zijn we nooit gearriveerde christenen.

971. Het evangelie van Jezus Christus is zo simpel. Het punt is dat wij, mensen, zo moeilijk doen.

972. Ben ik met mijn gedachten in de hemel, dan is Jezus daar natuurlijk ook. Maar als ik in de put zit, daalt Jezus graag naar me af.

973. De werkelijkheid van Golgota (1): álle rottigheid van de wereld op een paar houten planken.

974. Te vaak leggen voetbalanalisten de vinger bij een opstelling van een ploeg. Veel vaker schort het echter aan de instelling.

975. De spiritualiteit van de gereformeerd-vrijgemaakte mens is nog het best te verwoorden met de toestand van mijn lippen in de winter: schraal. We hebben daarom snel wat hemelse Labello nodig.

976. Hij is niet goed, goed, goed of liefde, liefde, liefde of barmhartig, barmhartig, barmhartig. Onze God is heilig, heilig, heilig.

977. Mensen die veelvuldig over alles en iedereen klagen zouden wel eens moeite kunnen hebben zichzelf te accepteren.

978. De meeste mensen zien de wet van God als een lichtstraal die een lantaarnpaal geeft: je kunt beter niet buiten die straal komen.
Enkelingen zien de wet als een lamp op een stok die je voor je kunt houden: het verlicht je pad, het licht je toekomst op en geeft je voorwaartse kracht om het leven te ontdekken.

979. Lees alleen dat wat je interesseert en aangrijpt; er is namelijk genoeg geschreven.

980. Zij die om het minste of geringste beginnen te steigeren, lopen het risico steeds maar over hun eigen problemen heen te springen.

981. De kerk staat in het rijk van God, ze is het niet.

982. De leer van de drie-eenheid in het kort: God is voor zichzelf wie hij voor ons wil zijn.

983. De werkelijkheid van Golgota (2): als God niet in mijn leven is, is mijn leven benauwend, eenzaam en donker.

984. Lees de bijbel niet met het oog op informatie, maar met het oog op transformatie. [Gert Hutten]

985. Jezus vindt het niet belangrijk wat hij voor je gedaan heeft, maar wie hij voor je is. [Gert Hutten]

986. Jezus heeft het oude verbond niet hersteld, maar vernieuwd. Het nieuwe verbond is dan ook geen opgelapte auto, maar een spiksplinter nieuwe (en met de kenmerken van de oude) auto.

987. Als ik zeg de Geest te hebben, zou ik wel eens te klein van hem kunnen denken. Het wonderlijke is nou net dat de Geest het niet benauwd krijgt als hij bezit van mij genomen heeft.

988. Dat ik in Gods ogen zwak ben is nog niet zo erg, maar dat ik dat vaak prettig vind is pas slecht.

989. Een echte ajacied houdt niet van dominant, imponerend of resultaatgericht, maar van puur voetbal.

990. Mijn verlangen naar Gods aanwezigheid is al mijn andere verlangens verreweg de baas. Als ik maar naar dat eerste verlang.

991. Een groot deel, zo niet het grootste deel van de schepping moet wel een uiting van Gods humor zijn.

992. God geeft ons zoveel druiven, gerst en hop, dat we wel dronken moeten worden van zijn goedheid.

993. Dat de gereformeerde dogmatiek crisis en spanning mist, zou wel eens de reden kunnen zijn dat veel predikanten hun toevlucht zoeken tot het moralisme.

994. Als ik op school beproefd word, krijg ik misschien een voldoende. Als ik door God beproefd word, krijg ik hoe dan ook een arm om me heen.

995. God is barmhartig. Dat zeg ik. God is warmhartig. Dat voel ik.

996. Om meer vrouwen naar voetbal te laten kijken zou in de eerste plaats de buitenspelregel opgeheven moeten worden. Dat brengt meer doelpunten én meer mannelijk kijkplezier.

997. Ik moet niet zeggen dat ik Jezus volg als hij niet mijn doel of nummer één van mijn leven is.

998. Hoe kleiner ik word, hoe groter mijn perspectief om de grootheid van God te zien.

999. Het bestuderen van God is te vergelijken met het bestuderen van elk sneeuwkristalletje van een sneeuwbal. Het risico is echter elk deel van het geheel te abstraheren.

1000. Als bepaalde mensen in de kerk zich net zo druk zouden maken om de kenmerken van de ware christen als om die van de ware kerk, dan mogen we zeker een opwekking verwachten.