Archief van september, 2008

Het zou goed denkbaar kunnen zijn dat ik in weblog- en domineesland bekend sta om m’n harde pen (lees: vingers). Ik kan soms behoorlijk ongenuanceerd uit de hoek komen. Daar zit soms een beetje sadisme achter, omdat ik kan genieten van de toon die bepaalde mensen dan in een tegenreactie aanslaan. Als zij op hun teentjes getrapt zijn en me dan met allerlei bijbelteksten de les gaan lezen, geniet ik.
Een beetje leedvermaak om zichzelf veel te serieus nemende mensen, zeg maar.

Nu ik preekconsent heb aangevraagd, stromen de mails met preekverzoeken werkelijk binnen. Van Veendam tot Langeslag (zie www.videopreek.nl) en van Loenen-Abcoude tot Brouwershaven. Maar omdat ik niet verder dan 75 kilometer wil reizen, moet ik vaak ‘nee’ verkopen.

Eergisteren verkocht ik een ‘nee’ en gisteren kreeg ik me daar toch een mail-vol-woede op terug! Ik was geen echte dienaar van Christus, omdat ik me beperkte tot gemeentes die niet verder dan 75 kilometer van mijn woonplaats liggen. Dat was niet bijbels, want Jezus Christus had niet voor niets tegen zijn leerlingen gezegd dat ze tot aan de einden van de aarde de mensen moesten bereiken (originele exegese van Matteüs 28, 18-20 met een mooie vrijgemaakte toepassing).
Ook schreef hij dat de kleine Gkv-kerken niet voor niets geld aan de TU in Kampen doneren voor de opleiding van dominees. Oftewel: hij en zijn gemeente dachten recht op me te hebben.
Bovendien zaten de kerken (in de uithoeken des lands) niet te wachten op dominees met een weblog, maar op dienende dominees.

Ik moest echt lachen. Maar ja, hoe ga ik nu met zo’n mail om?
Nou, dan is het een voordeel dat ik zelf ook lomp uit de hoek kan komen. Ik kon de beste broeder daarom goed aanvoelen. Ik schreef een mail terug waarin ik mijn redenen voor mijn verzoekweigering op rustige toon uiteenzette.
En echt waar: vandaag kreeg ik een schulderkennende mail terug. Binnen een dag is woede omgeslagen in begrip en niet te vergeten: berouw. Kijk, zo kan het ook.
(Wat zou er gebeurd zijn als ik een soortgelijke mail in dezelfde toon had teruggestuurd?)

Als dank voor z’n christelijke en geestelijke – want dat is het – houding heb ik aangeboden een uitzondering te maken. Ik zal een keer preken in zijn gemeente. Onder één voorwaarde. Dat die man er bij is als ik in zijn gemeente voorga. Want ik zou hem graag de christelijke hand willen schudden.
Ik ben benieuwd naar zijn antwoord.

PS 1. Dan zul je nu zien dat ik allemaal woedende mails krijg, omdat men hoopt dat David alsnog aan het preekverzoek voldoet… Bij voorbaat: trucjes werken niet bij mij (denk ik).
PS 2. Ik zou me voor kunnen stellen dat je denkt: “David, waarom schrijf je dit toch op?” Dan antwoord ik: “1. Het is mooi dat mensen veranderen als ze op een rustige en liefdevolle manier met Jezus Christus worden geconfronteerd. 2. De wereld en de bijbehorende zonde zijn niet alleen zichtbaar buiten de kerk, maar er ook (en vaak ook: juist) middenin. 3. Humor. Hoe sommige mensen met de bijbel omgaan om eigen doeleinden te bereiken, vind ik zo humoristisch. Dat deel ik graag met de lezers (zonder overigens namen te noemen, want dan is de humor er al snel van af).”
PS 3. Zo’n preekconsent doet m’n weblog wel goed. Het lezerspubliek is sinds het afgelopen weekend verdubbeld.

Tijdens mijn motivatiegesprek als voorbereiding op de classisvergadering, ‘betrapte’ ik mezelf op een geweldige gedachte. En die wil ik graag met de wereld delen.

Mij werd gevraagd wat het kruis van Jezus Christus voor me betekende. Daar moest ik natuurlijk wel even over nadenken.
Toen ik dat gedaan had, vertelde ik het volgende. Misschien weet je het al lang, misschien ook niet. Dan heb je er zeker wat aan, denk ik.

“Ik ben opgegroeid met een Jezus die vooral bedreven was in het (be)oordelen van mensen en hun gedrag. Je mocht van hem daar en daar niet komen, zus of zo moest je doen en dit of dat moest je nalaten. Tegen dit eenzijdig gepreekte Jezusbeeld heb ik me na een paar jaar studie in Kampen en door goede, geestelijke gesprekken fel afgezet.
Vervolgens ben ik naar de andere kant gaan hellen. Ik zag alleen een liefdevolle (wat zoetige) Jezus. Ik ben zelfs kort op zoek gegaan naar een andere (evangelische) gemeente die wat liefdevoller over Jezus dacht. Maar op dat Jezusbeeld knapte ik na een paar diensten ook al snel af, omdat ik me – in m’n verlorenheid en eigenzinnige, godloze daden – niet serieus genomen voelde.”

Ik ging alsvolgt door. “Ik heb mogen ontdekken dat het kruis van Jezus Christus op Golgota deze beide denkwijzen op een geweldige manier op elkaar betrekt.
Want als ik over Jezus denk als als een zoetige, lieve God, dan moet ik gespitst zijn op het oordelende aspect van het kruis. Het kruis van Christus is het oordeel over deze wereld en dus ook over mij, omdat de wereld Gods eigen Zoon gedood heeft (en steeds opnieuw kruisigt).

Als ik over Jezus denk als een oordelende God, dan moet ik óók goed naar het kruis kijken. En dan moet ik zien dat Jezus Christus daar uit liefde voor mij hangt. In die zin is hij niet door mensen gedood, hij heeft zelf uit liefde voor de kruisdood gekozen!”

Ietwat gechargeerd toegepast:
Gereformeerden, denken jullie te negatief over Jezus(’ kruisdood), ontdek dan zijn ondoorgrondelijke liefde voor jullie aan het kruis. En durf dit laatste eens wat meer te overdenken en te verwoorden.
Evangelischen, denken jullie te positief over Jezus(’ kruisdood), ontdek dan het kruis als het terechte oordeel over jullie leven. En durf dit laatste eens wat meer te overdenken en te verwoorden.

Wil je ontdekken hoe je zelf over Jezus Christus en het kruis denkt? Ga bij jezelf dan eens na waar je in de volgende bijbeltekst (Johannes 3, 16) de meeste nadruk op legt. Op het oordeel of op de liefde van God?
“Want God had de wereld zo lief dat hij zijn enige Zoon heeft gegeven, opdat iedereen die in hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.”

Ik ben er doorheen gekomen, hoor. En ik heb preekbevoegdheid gekregen. Dus vanaf nu ben ik te ‘boeken’. Dus zoek je nog iemand om de GKv-dienst te leiden, dan kun je me bereiken via deze site (via contact, zie rechtsboven) of via davidheek@davidium.nl.
Let op: verzoeken van gemeentes die verder dan 75 kilometer buiten Bunschoten liggen, neem ik niet in overweging. Ik heb geen zin om de hele zondag in een auto te zitten.

Ja, zo’n avondje classis. Leuk om over te schrijven.

Het begon – zeg maar – ’s middags, toen twee predikanten mij in Bunschoten op kwamen zoeken. We hielden het zogenaamde motivatiegesprek. Dat duurde een uur en verliep in een goede sfeer.

Om half 8 moest ik me melden in de Martuskerk in Amersfoort. De classisvergadering had niets anders op haar agenda staan dan mij te ‘onderzoeken’. Dus voor half elf was ik de kerk niet uit.
Je moet je voorstellen dat ik daar zit met ongeveer 24 predikanten en ouderlingen om me heen. Het idee alleen al zal menigeen doen huiveren en ook ikzelf vond het een vreemde gewaarwording.

Een van hen begon met Bijbellezing en daarna zongen we een psalm. Bij dat zingen krijg ik altijd zo’n SGP-gevoel. Ik zie dat wel eens op tv als de NOS dan van buiten een kerk filmt en het gezang opneemt. Dan hoor je de heren a capella een psalm zingen. Ik moet daar altijd om lachen. En nu doe ik daar zelf aan mee… (Ik vraag me af of de psalmen voor dit soort gelegenheden geschreven zijn.)

Hierna werd een van mijn ingeleverde preken besproken. Dat vond ik echt leuk en werd ook heel kundig geleid. Iedereen – ik dus ook – werd gevraagd een korte samenvatting van een van mijn preken op papier te zetten. En het was echt grappig hoeveel verschillende samenvattingen er dan gemaakt worden. De bespreking daarvan was leuk. Helaas duurde dat maar een half uurtje.

Na een korte pauze brak het dogmatiek-uur aan. Tsjongejonge, dat was wat, hoor. Ik krijg daar dan vragen op me af, waar ik werkelijk helemaal niets mee kan. Echt waar, dan praat ik soms maar wat in het wilde weg. (Dogmatiek die de aarde niet raakt is echt m’n ding niet, daarmee zeker niet zeggend dat het onbelangrijk is.)

Vraag: “Wat betekent het voor jou dat God al van eeuwigheid rechtvaardig is?” Dan ben ik echt geneigd om te zeggen: “Ja, weet ik veel en het interesseert me op dit moment ook geen zier.”
Volgende vraag: “Wat vind je van de geestelijkheid van God?” Ik zei het niet, maar ik had als antwoord willen geven: “Nou, dat vind ik wel geestig…”
En zo volgden wel meer van dat soort vragen.

Er zaten ook wel interessante vragen bij die wat meer bij de praktijk en mijn leven aansloten, zoals: “Welke eigenschap van God spreekt je het meest aan en waarom?” Of: “Als iemand niet kan geloven dat ook de negatieve dingen ons uit Gods vaderhand ten deel vallen (Zondag 10 over Gods voorzienigheid), wat zou je hem of haar dan antwoorden?”

De leukste vraag kwam op het eind: “Als je kind [Joram] later zegt dat hij zich wil laten overdopen, wat zou je dan tegen hem zeggen?” Ik antwoordde dat ik daar positief tegenover stond, als het maar niet op evangelische wijze beargumenteerd wordt. Als symbool zou ik het wel kunnen gebruiken (al werd me een dag later terecht gezegd dat gereformeerden het avondmaal als levensvernieuwend ritueel kennen en gebruiken). Of het slim is om dat nu in onze kerken toe te passen, is een tweede vraag.
Helaas liep in deze discussie het dogmatische door het pastorale aspect heen.

Het was een uur worstelen, maar na een niet heel lange nabespreking (waar ik natuurlijk niet bij was) mocht ik me weer melden en kreeg ik het preekconsent – op grond van een unaniem akkoord van de classis – overhandigd.

Ik werd gefeliciteerd en de een na de ander probeerde me – “zonder je te willen pushen, hoor!” – over te halen om in de toekomst het ambt van predikant te bekleden.

Ach, ik ben na 8 jaar wel gewend aan deze pogingen. We zullen wel zien. Ik heb m’n preekbevoegdheid in ieder geval binnen. Nu afwachten of de kerken op m’n preken zitten te wachten.

Wil je wel eens wat meer te weten komen over het christelijk geloof? En ben je benieuwd naar antwoorden op de volgende vragen:

- Wie is God en wie is Jezus nu precies?
- Is er waarheid in deze wereld te vinden?
- Wat maakt het christelijk geloof anders dan alle andere godsdiensten?
- Waarom zou ik zo nodig christen moeten worden?
- Als God machtig en vol liefde is (wat christenen zo graag zeggen), waarom is er dan zoveel lijden in de wereld?
- Kan ik contact maken met mijn overleden moeder?
- Kan geluk ook gegarandeerd worden?
- Heeft het christelijk geloof wat te zeggen over mijn dieet dat maar niet wil aanslaan?
- Is er écht – d.w.z.: concreet – iets tussen hemel en aarde?

Aanstaande zondagavond, 28 september, organiseert de gemeente waar ik lid van ben de eerste zogenaamde Sunday Night. Dat zijn bijeenkomsten waarin een paar gemeenteleden – waaronder ikzelf – randleden en niet-christenen op een laagdrempelige manier bekendmaken met het christelijk geloof.
We organiseren dit in wijkcentrum De Neng, Engweg 7, midden in Hoogland (zie plaatje hiernaast). Het begint om 20.00 uur. De deur staat ruim voor aanvangstijd open.

We leggen het christelijk geloof op eenvoudige (maar zeker niet simplistische of infantiele) manier aan je uit. We omlijsten dit praatje met muziek, gedichten of multimediale toepassingen. Ook bieden we je alle gelegenheid om vragen te stellen.
De bijeenkomsten worden afgesloten met een hapje en een drankje.

Het is de bedoeling deze Sunday Night elke laatste zondagavond van de maand te organiseren en zodoende tot een begrip te maken in Hoogland.

Weet je van harte uitgenodigd!

Op het schoolplein deed ik het al. Als een klasgenoot een lollie had (die ik graag wilde hebben) en ik een mooie knikker (die hij wilde hebben), dan ruilden we. Maar ja, dan moest je eerlijk oversteken. Als hij zijn hand uitstrekte was ik bang dat-ie snel m’n knikker pakte en met lollie en al weg zou rennen. Daarom zei ik het wel eens: “Als jij eerst je lollie geeft, geef ik echt m’n knikker aan je.” Op het schoolplein deed ik het al: iemand niet vertrouwen.

Nu ben ik ruim 20 jaar verder en ik zie het in de grote mensenwereld nog steeds gebeuren. Ook volwassenen vertrouwen elkaar vaak niet.
Christenen soms ook niet, al zitten ze elke week met elkaar in de kerk.

Iemand zei laatst toen we in een groep zaten: “Ik geef pas geld aan de kerk als ik zeker weet dat daar goed mee omgegaan wordt. Ik wil eerst het vertrouwen (in een goed beheer) krijgen, voordat ik het vertrouwen zelf geef.”

Dat is zakelijk gezien een terechte gedachte. Je wilt dat er goed en betrouwbaar met je gegeven geld omgegaan wordt. Wanbeleid moet aangepakt worden.
Maar in een kerk heb je natuurlijk per definitie – kerk betekent ‘van de Heer’, namelijk van onze Heer Jezus Christus – ook een geestelijk aspect.

Want elke christen weet dat er ook in het jaar 2167 nog vaak verkeerd met ons gegeven geld omgegaan zal worden. Maar moet ik daarom mijn vertrouwen laten varen? Moet ik – als christen! – echt eerst vertrouwen krijgen om mijn vertrouwen te kunnen geven?

Toen de discussie op zakelijke, menselijke wijze maar door en door ging, kookte ik van binnen. M’n bekende geestelijke woede is dat.
Ik vroeg om wat te mogen zeggen en zei het volgende: “Stel dat Jezus Christus tegen mij gezegd had: ‘David, als jij zwart op wit belooft dat jij mij gaat volgen, mij het volste vertrouwen geeft en mij steeds met een zuiver hart aanbidt, ja, dan offer ik mij voor jou op en laat ik me voor jou kruisigen.”

Ik vervolgde: “Mensen, dan kon ik wel ophouden. Dan hing niet Jezus, dan hing ik.”

Ik ben zo blij met Jezus Christus. Hij zei niet: “Eerst jij, dan ik.” Hij zei: “Ik eerst, dan jij (achter mij aan: je eigen kruis dragen).” De God van Jezus Christus gaf mij zijn vertrouwen, voordat ik hem mijn vertrouwen gaf.
Christenen hebben deze God hierom tot in de eeuwigheid te aanbidden en hun eigen levensstijl en denkwijze met deze opofferende liefde van Jezus Christus te laten confronteren en te laten veranderen.

Romeinen 5, 7-8 Er is bijna niemand die voor een rechtvaardig mens wil sterven; slechts een enkeling durft voor een goed mens zijn leven te geven. Maar God bewees ons zijn liefde doordat Christus voor ons gestorven is toen wij nog zondaars waren.

Wie weet het verschil tussen ‘het Woord van God’ en ‘een stichtelijk of opbouwend woord’? Als ik preekbevoegdheid krijg, word ik geacht een stichtelijk woord te spreken. Mocht ik dominee worden, dan moet ik het Woord van God brengen.

De GKV-synode acht het van belang om dit onderscheid in stand te houden om zo de eigen, bijzondere positie van een predikant veilig te stellen. Pas wanneer iemand een erkende inbedding in de gemeente heeft, spreekt hij het Woord van God.

Hetzelfde geldt voor de bediening van de sacramenten (doop en avondmaal). Iemand met preekbevoegdheid mag dat niet doen, een dominee wel.

Ik denk dat hier iets behoorlijk scheef gaat. Want een dominee is niet anders dan wie dan ook. Dat een dominee het Woord van God brengt en de sacramenten bedient, komt niet omdat hij de dominee is. Hij mag dat doen omdat hem het gezag verléénd is. Namelijk door de kerkenraad (van zijn of een andere gemeente waar hij voorgaat).
Als Pietje Puk van de kerkenraad mag voorgaan, krijgt hij van die raad toestemming om het Woord van God te brengen en de sacramenten te bedienen. We moeten die bevoegdheid niet in de persoon of in de bijzondere positie zoeken, maar in de verlening van het gezag door de kerkenraad.

Het ambt hoeft niet opgesmukt te worden met allerlei voorrechten voor de predikant. Het ambt is namelijk van zichzelf al een voorrecht (1 Tim. 3, 1).
Door een onderscheid te maken tussen predikanten en ‘de rest’, wordt de predikant m.i. ten onrechte wel bevoorrecht (en als je niet oppast verheerlijkt). En dan krijg je vanzelf van die gekke gedachtekronkels en muggenzifterijen, waarmee dit blog begon.

Voorbeeld

Ik ben op zondagmorgen 16 augustus 1981 door een predikant gedoopt. Was die doop rechtsgeldig? Ja, omdat die predikant dat van de kerkenraad van Spakenburg-Noord mocht doen. (Dat is ook de reden dat er een handdruk plaatsvindt voordat de predikant aan de dienst begint.)

Had diezelfde predikant op eigen houtje besloten om mij op zaterdagmiddag in het Kleine Zeetje te dopen, dan was die doop niet rechtsgeldig geweest (ook al is die door een predikant verricht).
Het maakt dus niet uit waar gedoopt of door wie gedoopt wordt, als het gezag maar door ambtsdragers verleend wordt.

“Dat is jóuw waarheid, die van mij is anders” is een typische reactie die in onze tijd past. Waarheid is relatief, kun je mensen horen zeggen. Ik stel daar tegenover: waarheid is relatief gemáákt.

Ik lees een geweldig boekje van dr. A. van de Beek: Ontmaskering. Daarin zegt hij dat onze tijd verrassend goed te vergelijken is met de tijd waarin het christendom nog geen staatsgodsdient was. De eerste drie eeuwen van onze jaartelling lijken op de 20ste en 21ste eeuw. Dus we kunnen leren van die tijd en van de verdedigers van het geloof (apologeten) die in die tijd leefden.

Een van de huidige leugens die christenen kunnen ontmaskeren, is dat er geen waarheid zou zijn. Het voert te ver om uit te leggen hoe deze gedachte ontstaan is, maar ik wil nu even ingaan op iets waar (gereformeerde) christenen de fout mee in kunnen gaan.

In de Nederlandse Geloofsbelijdenis (NGB) staat in een van de artikelen dat zelfs blinden kunnen voelen dat de dingen die in de bijbel staan, gebeuren.
Dat moet je goed begrijpen. Het wil niet zeggen dat de hele bijbel klip en klaar is. En dat je blind bent als je dat niet aanneemt.

Het gaat over de waarheidsvraag. De NGB wil zeggen dat er gezaghebbende waarheid is. En die waarheid is te vergelijken met de zon. Hoewel blinden de zon niet zien, voelen ze hem wel. Ze wéten dat die er is. Dat betekent: hoewel het ontkend wordt, is er wel ware godskennis in deze wereld te vinden.

Toen God in Jezus Christus naar de wereld kwam, ging de zon schijnen. Werd God en zijn waarheid voelbaar. Voor alle mensen, die ongemerkt blind waren. En hij is zo duidelijk de waarheid dat zelfs blinden – in de bijbel soms heel letterlijk – kunnen aanvoelen dat hij the man is.

Wij, christenen en niet-christenen, moeten alleen het lef hebben om Jezus Christus te ontmoeten. En zijn waarheid eerlijk met onze (schijn)waarheden te laten botsen. Dan wordt het niet míjn waarheid tegen jóuw waarheid, maar zíjn waarheid tegen de onze.

Gek is dat. Het ene moment ben ik vol van God, het andere moment laat ik hem met gemak links liggen. Ik lees niet, bid niet, doe überhaupt geen geestelijke dingen.

Afgelopen zondagavond mocht ik de verenigingsstartavond van 14 tot 16 jarigen leiden. Helemaal geweldig. Leuk en aantrekkelijk praatje met inspirerend evangelie, leuke ‘workshops’, goede onderlinge sfeer. Helemaal toppie.
En dan begint de maandag en de dinsdag. En dan is het allemaal een stuk minder.

Nog niet zo lang geleden werd ik daar helemaal gek van. Nu ben ik daar behoorlijk nuchter in geworden. Ik weet en ervaar dat bijbellezing en gebed me geestelijk vult, maar dat wil nog niet zeggen dat God weg is wanneer ik me niet tot hem richt of wil richten (begrijp me goed!).

Augustinus heeft ooit geschreven: “Onrustig is mijn hart, totdat het rust vindt in u.” Ik denk dat dit hartstikke waar is, maar ik vraag me af of je zo gefaseerd over rust kunt spreken. Eerst is je hart onrustig en vervolgens vindt je hart rust in God.
Ik merk maar weinig van deze opeenvolgende, afgesloten fases. Het blijft een mengelmoesje.

Bij mij werkt het ook andersom. Als mijn hart dichtbij God is, word ik onrustig. Dan word ik zo mens, zo vleselijk en sterfelijk. Als ik me aan God overgeef, betekent dat namelijk niets anders dan dat de oude David dood gaat en dood moet. Moet ik het dan vreemd vinden dat ik bij tijd en wijlen onrustig ben?

Ik las gisteren een mooie, maar confronterende uitspraak van een christen uit de 2de eeuw (Irenaeus): “Het belangrijkste voor een christen is het overdenken van zijn dood.” Om onrustig van te worden, of niet dan?

Dit zou heel goed één van de redenen kunnen zijn waarom ik God niet op zoek. Hij maakt me namelijk ook onrustig. Hij gaat met m’n oude ‘ik’ bezig. En daar heb ik gewoon niet altijd zin in. Eigenwijs als ik ben.

Ik denk dat veel mensen die zich christen noemen niets met de uitspraak van Irenaeus kunnen. Ik heb dan ook helemaal niets met christenen die altijd ‘in de Heer’ zijn of met een brede smile rondlopen. Want ik weet zeker: je bent geen of een halve christen als je die gedachte uit de 2de eeuw niet onderschrijft. Al doe je dat waarschijnlijk met begrijpelijke, menselijke tegenzin.