Archief van november, 2008

Op veler verzoek volgen hieronder de antwoorden van de Kerstquiz die ik in 2006 heb gemaakt.

1 b
2 d
3 b
4 b
5 b
6 c
7 d
8 c
9 b
10 a
11 a
12 c
13 a
14 c
15 d
16 c
17 b
18 a
19 c
20 d
21 b
22 a
23 b
24 b
25 b
26 d
27 a
28 b
29 d
30 abcd

Gisteren schreef ik een evangelisatieblog, waarin ik een pleidooi hield voor het eerder te berde brengen van de heilsfeiten rond de persoon van Jezus in het (evangelisatie)gesprek.
Vandaag wil ik iets zeggen over een persoonlijke overtuiging die hierachter zit.

Ik ben er namelijk van overtuigd dat het christelijk geloof zowel simpel als moeilijk is. Maar wat veel gereformeerde christenen moeilijk vinden, is volgens mij juist het simpele. Wat bedoel ik? Ik denk dat veel christenen het volgende moeilijk vinden:

1. We vinden het moeilijk om de naam Jezus Christus uit te spreken. Ik merk dat best vaak. Gewoon zeggen: Jezus is mijn Heer (en wel hier en hier om). Wanneer Jezus in een gesprek onder elkaar ter sprake komt, zeggen we vaak: “Ja, je weet toch wel wie ik bedoel.” Of: “Het gaat natuurlijk om de kern van het geloof!” Of, wanneer een medechristen overleden is, zeggen we eerder dat hij het nu goed heeft (namelijk in de hemel), dan: “Hij ziet Jezus, onze Heer, nu eindelijk recht in de ogen (of iets dergelijks).”
We voelen vaak angst en schaamte voor het noemen van de naam onder alle namen. Terwijl het zo simpel is om erover te vertellen.

2. We vinden het moeilijk om aan te tonen dat Jezus Christus de Zoon van God moet zijn. Terwijl de evangeliën er bol van staan.
Het is vrij simpel om over de feiten te vertellen.
Wat wij moeilijk vinden, is vaak simpel.

Wat volgens mij het moeilijke van het christelijke geloof is – zowel voor christenen als voor niet-christen – is buigen, knielen, geloven-met-de-daad. Het ‘grappige’ is dat wij over deze moeilijke stap juist simpel praten. “Het is toch logisch dat je in God/Jezus gelooft?” Of: “Natuurlijk bid en lees je elke dag uit de Bijbel.” Of: “Natuurlijk ga ik graag naar de kerk.”

Volgens mij is dat hypocriet geleuter. Mensen die dit heel simpel zeggen, geloven volgens mij helemaal niet zo met hun hart. En bidden en lezen helemaal zo vaak niet. En ze gaan naar de kerk, omdat de buren en hun christelijke collega’s dat ook braaf doen. Of ze zitten in een kerk, waar niet Jezus, maar een zoetige familieGod wordt verkondigd bij wie het alleen maar leuk en gezellig is (”en ruimte voor al mijn gaven; ik kan er mijn ei kwijt”).

De alledaagse praktijk is volgens mij de hoogste drempel die een (niet-)christen over moet. Want elke keer als ik mijn Bijbel pak, en elke keer als ik mijn gedachten in een gebed op God richt, en elke keer als ik naar de kerk ga, betekent: ik kniel voor God. En ik beken dat mijn leven zonder hem zinloos en waardeloos is.

En ik weet niet hoe het met u zit, maar ik vind dat verrot moeilijk. Want ik heb genoeg geld, de verwarming doet het, ik heb een huis, een vrouw, een kind, vrienden, een gemeente en ik heb werk. Om dan te knielen voor de God die mij dit allemaal gegeven heeft, vind ik allesbehalve simpel en logisch.

Zeggen dat Jezus Christus de Zoon van God is, is niet moeilijk. Luister maar naar de centurio op de plek waar Jezus Christus is gekruisigd:

Matteüs 27, 54 Toen de centurio en degenen die met hem Jezus bewaakten de aardbeving voelden en merkten wat er gebeurde, werden ze door een hevige angst overvallen en zeiden: ‘Hij was werkelijk Gods Zoon.’

Ze moeten achteraf concluderen dat deze Jezus (toch) de Zoon van God is. Maar dat is het moeilijkste nog niet. Ze moeten nu nog één stap verder. De drempel over. Knielen, en hun leven aan hem overgeven.
Ik vraag me af of ze alsnog geknield hebben. Ik kan in ieder geval begrijpen dat je besluit dat niet te doen.

Iemand die met mijn scriptie meeleest, zei tegen me: “Ja, leuk hoor, David, dat we de heilsfeiten moeten gebruiken in ons gesprek met niet-christenen, maar op mijn werk praten we nooit over Kerst, Goede Vrijdag, Pasen, Hemelvaart of Pinksteren.” Hij vertrouwde me toe, dat zijn niet-christelijke collega veel meer zit met de vraag of een God de wereld gemaakt heeft. “Daar gaan onze gesprekken over, niet over die heilsfeiten!”

Inderdaad, de vraag naar het ontstaan van deze wereld is een hot issue. En je kunt er urenlang over discussiëren. Het is vaak ook enorm interessant.

Een van de intelligentste christenen op deze aarde, Tim Keller, heeft een boek (The Reason for God) geschreven waarin hij op deze vragen ingaat. Hij komt daarin met een aantal zogenaamde clues voor de dag die sterk heenwijzen naar het gegeven dat deze wereld wel door (een) God geschapen moet zijn.
Voorop gesteld: dit boek is nuttig. En ik wil het ook graag hebben en lezen.

Toch denk ik dat deze manier van redeneren niet of nauwelijks bekering zal uitwerken. Want de meest sterke clues of aanwijzingen vormen nog geen bewijs. Het zijn richtingaanwijzers, ze pakken de mens niet bij de lurven, ontmaskeren niet en leiden ook niet tot het maken van een keuze.

En daarom schrijf ik in mijn scriptie dat christenen in het (evangelisatie)gesprek met bewijzen moeten komen. En dat bewijs hebben ze en kennen ze. Het bewijs van het bestaan van God is namelijk een persoon: Jezus Christus.
Nu zou je kunnen zeggen: “Ja, ook dat moet je geloven. Je moet geloven dat deze Jezus bestaan heeft.” Dan zeg ik: volgens mij is dat vaak helemaal geen issue. Mensen geloven best wel dat deze Jezus bestaan heeft, zoals ze ook klakkeloos aannemen dat Karel de Grote en Aristoteles hebben bestaan. De geschiedenisboeken worden altijd geloofd.

De Bijbel presenteert zich als een boek dat feiten op tafel legt. Feiten die mensen – zoals u en ik – hebben meegemaakt. Jezus is gezien, gehoord en gevoeld. Zijn daden, zijn kruisiging en zijn levende lichaam na de opstanding ook.
De vier evangeliën (Matteüs, Marcus, Lucas en Johannes) zijn dan ook het best te vergelijken met uitgebreide dossiers over het leven van Jezus Christus. Keiharde feiten. Zo begint Lucas bijvoorbeeld zijn evangeliebeschrijving. Hij heeft alles nauwkeurig onderzocht en opgeschreven (Lucas 1, 3). De Bijbel kan dus in geen velden of wegen vergeleken worden met bijvoorbeeld The Lord of the Rings of met een of ander sprookjesboek. Laatstgenoemde boeken presenteren zich als fictieve verhalen of sprookjesachtige lectuur. En dat trekt dan ook niemand in twijfel.

Daarom moeten wij, christenen, het veel vaker én veel eerder in onze gesprekken over deze Jezus hebben. De kunst is om Jezus’ daden en woorden te laten aansluiten bij datgene wat je niet-christelijke gesprekspartner bezighoudt. Vraag God om Bijbelse ingevingen en om de goede woorden, zou ik zeggen. En studeer vooral in de Bijbel, zodat je er steeds meer bedreven in raakt.

Zo zou je bijvoorbeeld, als het gaat om die scheppingsvraag, kunnen vertellen over Jezus’ geboorte of over de ‘wonderbare spijziging’. Dat is namelijk allebei schepping. God maakt iets uit (bijna) niets. En vooral de wonderbaarlijke maaltijd laat zien dat God dit doet waar de mensen bij zitten! 5000 Getuigen (vrouwen en kinderen niet meegerekend)!
En dan zijn er, volgens mij, zelfs twee wonderbaarlijke maaltijden door deze Jezus georganiseerd…

Kijk, en hierop heeft de niet-christen gewoon te reageren. Geloof je in deze Jezus? Of vind je het toch een sprookje (maar toon dat dan ook aan, beste vriend!)?
En ik denk, dat wanneer de niet-christen deze Jezus als zijn Heer aanneemt, dan vanzelf ook tot de conclusie komt dat deze (Zoon van) God wel de schepper van deze wereld moet zijn.

Jezus’ komst (Kerst) impliceert dat deze wereld door deze God geschapen is.

PS. Mocht je gesprekspartner, nadat je Jezus op een eerlijke en doordachte manier ter sprake hebt gebracht, niet tot geloof komen (hij begint te spotten of vermijd vanaf dat moment elk contact met je), ga dan niet van jezelf balen. Je hebt namelijk resultaat behaald! Oke, geen positief resultaat, maar je gesprekspartner heeft het nieuws gehoord. En hij zal het z’n hele leven onthouden en er misschien pas op z’n sterfbed op terugkomen.

Maar: houd het gesprek wel eerlijk en doordacht. Je kunt het evangelie ook verkeerd brengen (denk aan veel straatevangelisten die, door Jezus door de strot te drukken, binnen 2 minuten bekeringen proberen te ‘regelen’).
Doe het samen met God en zorg voor een feedbacklijntje met enkele intelligente en gelovige medechristenen.

Laatst hoorde ik dat de laatste gereformeerde zuil omvergeworpen is. Een gereformeerd-vrijgemaakte school laat ook leerlingen en docenten van andere kerkelijke denominaties toe, als ik het goed begrepen heb. Sinds de vrijmaking in 1944 hadden gereformeerd-vrijgemaakten hun eigen krant, hun eigen verenigingen, hun eigen politieke partij en hun eigen onderwijs.

Ik kan me nog herinneren dat er warme pleidooien gevoerd werden voor gereformeerd onderwijs. De laatste jaren ben ik echter gaan inzien dat gereformeerd onderwijs niet bestaat. Want bijbels onderwijs wordt ook op christelijke en sommige openbare scholen gegeven. En neem van mij aan: veel bijbels onderwijs in gereformeerde scholen is echt zo gereformeerd niet. Het hangt er maar net van af wat voor meester of juf je in de klas hebt staan. Ook de vrijgemaakt-gereformeerde kerken hebben hun ’stromingen’ en dat zie je terug in de ‘gereformeerde’ onderwijzers. Het enige wat zij met elkaar gemeen hebben, is dat ze ’s zondags in een kerk van hetzelfde kerkverband zitten. Meer niet (want daar ontbreekt vaak de Bijbelse kennis voor, laat staan kennis van de gereformeerde leer).

Wat zou onderwijs nu specifiek gereformeerd maken? Kijk, 3×3=9, of je nu gereformeerd bent of niet. En je kunt die som niet op een gereformeerde manier uitleggen. Hetzelfde geldt voor de taal, aardrijkskunde, biologie en de sportlessen.

Typisch voor de gereformeerde scholen is ook dat de leerlingen psalmen moeten leren. Dat begrijp ik al jaren niet. De school is de kerk niet. Dat doen ze maar lekker thuis, als de ouders dat willen. En het becijferen van de vaardigheid ‘psalmen-uit-je-hoofd-kennen’ – ik kreeg een rode of blauwe tien – is al helemaal krankzinnig. Wie dat bedacht heeft, beleefde zelf waarschijnlijk weinig plezier aan de psalmen.

Hecht trouwens niet teveel waarde aan wat ik hierboven schreef. Ik overdrijf namelijk een beetje.
Wat ik eigenlijk wilde schrijven is dat gereformeerd-vrijgemaakten door het verdwijnen van de verzuiling in een identiteitscrisis (lijken te) komen.
Laatst hoorde ik iemand zeggen dat vrijgemaakten vanaf de vrijmaking gedacht (en ervaren) hebben dat zij het nieuwe Israël waren. Het ware volk van God, de lijn die vanaf de Paasmorgen via de kerkgeschiedenis naar 1944 liep. Ik zie het overzicht van de kerkgeschiedenis nog voor me dat ik op catechisatie kreeg. Een dikke zwarte lijn liep aan alle andere kerkelijke denominaties voorbij. Linea recta naar 1944: de vrijmaking. Vrijgemaakten waren de kleine rest, het verbondsvolk.

En omdat ‘wij’ het nieuwe Israël waren, moesten we ook op (het oude) Israël gaan lijken. Vandaar onze eigen zuilen die ons beschermden voor de boze, slechte wereld. Net als het oude Israël, dat zich ook onderscheidde van de genabuurde volken.
Wat hebben veel mensen in deze zuilen hun troost en veiligheid gevonden. In de kerk hoefde je maar te zeggen dat je iets in de krant gelezen had – en iedereen wist welke krant je bedoelde.
En in dezelfde kerk gebruikten we graag de orde van Middelburg, want dat was de liturgie van het verbondsgesprek. God sprak en wij – het volk van God – antwoordden.

En nu is dat allemaal verdwenen. En worden veel vrijgemaakten onrustig. Zij, die hun vertrouwen in deze tradities stellen, weten niet waar ze het zoeken moeten. En dus splitsen ze zich maar af (de nieuwe vrijgemaakten) om met elkaar het verleden te gaan zitten verheerlijken. Of ze blijven in de kerk zitten en klagen steen en been over de wereldse invloeden die de kerk inkomen, of ze klagen over de ontzuiling.

Terwijl ze nu de kans krijgen om bij zichzelf na te gaan of Jezus Christus hun Heer is. Of hij hun identiteit en handelen bepaalt.

De ontzuiling daagt de vrijgemaakten uit om christen te zijn in heel Nederland (en niet in een stukje zelfgecreëerd Nederland). We zijn Israël niet meer, nooit geweest ook. We zijn tot het christelijk geloof bekeerde heidenen met een gereformeerd karakter.

Gereformeerd-zijn wordt veel uitdagender als je je durft te laten zien aan élke Nederlander. Ik geloof namelijk dat mijn Heer onze cultuur en onze aangenomen waarheden kan ontmaskeren. En zo zichzelf kan presenteren als de liefdevolle God, naar wie elke Nederlander bewust of onbewust op zoek is.

Deze week heb ik het laatste hoofdstuk van mijn afstudeerscriptie ingeleverd. Deze scriptie, die ik ooit op deze site zal plaatsen, gaat over het ontmaskeren van niet-christenen en loopt uit op enkele methodische basisprincipes om deze mensen te benaderen. Tegelijkertijd lever ik voer voor de homiletiek (preekkunde), m’n grootste passie.

Vanmorgen mocht ik voor de tweede keer voorgaan in Langerak. Het ging lekkerder dan vorige week (ik wen snel…), de sfeer was goed en het evangelie van Jezus Christus was scherp en (daardoor, denk ik) bevrijdend.

In deze preek paste ik toe waarmee ik mijn scriptie eindig: ik sluit me communicatief aan bij onze leefwereld, in dit geval een eigen ervaring in de trein. Ik distantieer me op vele manieren van onze (’gereformeerde’) praktijken en ik choqueer. Want het was best een pittige preek. Met maar één doel: maskers af! Achter Jezus aan, zoals je bent. Dan zal hij je transformeren in een mooi mens met wie hij eeuwig zal leven.

Klik hier voor de preek: de versie die ik ooit in Hoogland heb gehouden. Maar het overgrote deel heb ik onveranderd uitgesproken.

Wil je me (nog eens) horen? Klik hier.

PS 1. Samen met mijn broertje geef ik Langerak in het kader van de Nu-we-er-toch-zijn-competitie op basis van de afgelopen twee kerkdiensten een dikke bronzen medaille. Vorige week was mijn broertje niet te spreken over zijn ontvangst (”een metalen plak, meer niet!”), vandaag werd hij zowaar aangesproken. Door Henco Lopers, de predikant van Langerak (die mij in Kampen nog ontgroend heeft). De voorganger gaf dus even het goede voorbeeld aan zijn schapen :) .
Ikzelf ben iets positiever over deze gemeente. Vooral de kerkenraad vind ik relaxed, wijs, authentiek, en geïnteresseerd in hun gast. Ook is elke vorm van formeel gedoe ver te zoeken. En daar houd ik wel van.

PS 2. Na de kerkdienst was ik snel weg, omdat m’n broertje een andere afspraak had. Ik beloof na de dienst echter altijd klaar te staan voor eventuele vragen. Ik had even moeten communiceren dat ik meteen weg moest.
Stel je vragen of maak je opmerking(en) nog gerust.

Ik geloof natuurlijk al heel wat 5 decembertjes niet meer in Nikolaos van Myra, beter bekend als Sinterklaas. Afgelopen weekend kwam hij ook in ons dorp aan. Maar ondanks mijn ongeloof blijf ik wanneer ik de echte zie – die van tv bedoel ik dan – geboeid naar hem kijken en luisteren. Al ben ik 86 en hij 1790 jaar. Het zal zijn uitstraling of zijn gevoel voor humor wel zijn dat me zo aantrekt.

Het schijnt dat ene Jan Schenkman het huidige Sinterklaasfeest ‘bedacht’ heeft. Met zijn in 1850 uitgegeven prentenboekje Sint Nicolaas en zijn knecht en het daarbij behorende lied Zie ginds komt de stoomboot introduceerde hij onbedoeld het feest dat twee weken geleden tot traditie no. 1 van Nederland verkozen is. Aan dit feest koppelde Schenkman destijds een moraal die we nog altijd herkennen in de roe en de zak van Zwarte Piet als pedagogische straffen. De zin ‘Wie zoet is krijgt lekkers, wie stout is de roe’ en de vraag van Sinterklaas (“Ben je dit jaar wel lief geweest?”) spreken wat dat betreft boekdelen en doet een kind nog altijd rillen van opwinding of angst.

In christelijke kring wordt God nog wel eens vergeleken met Sinterklaas. Net als de goedheiligman geeft God bijvoorbeeld graag cadeaus – om maar even een begrijpelijke hertaling van het kerkelijke woord ‘genade’ te geven. Bovendien staat God boven de mensheid zoals de postuum tot Spanjaard gebombardeerde Turk boven zijn Pieten staat.

Naast deze overeenkomsten is er echter ook een groot verschil. En dat heeft alles te maken met de moraal van de God van de christenen. Zijn moraal lijkt namelijk in geen velden of wegen op die van Sinterklaas. Vraagt Sinterklaas zich hardop af of je dit jaar wel lief en zoet bent geweest, God geeft in tegenstelling tot de goedheiligman cadeaus zonder te vragen of de mens wel lief is geweest. Om een lang (geschiedenis)verhaal kort te maken: het mooiste cadeau dat God gegeven heeft, was zichzelf. In de gedaante van een mens. En deze Jezus deed wat alleen God kan: mensen genezen, blinden weer laten zien, doden opwekken en ten slotte stond hij zelf uit de dood op alsof zijn dood niet meer dan een slaap was. En dit absurde nieuws komt hierop neer dat hij dit allemaal voor de mensheid deed, voordat we ons verlanglijstje richting God hadden geschreven. Iemand schreef: “Deze Jezus stierf voor ons, toen wij nog zondaars waren.” Wisten wij veel dat we door God vergeven moesten worden.

Het Sinterklaasfeest moet van mij absoluut worden blijven gevierd. Maar dit goede nieuws helemaal. Want in die goedheiligman geloof ik dus nog steeds. Al ben ik 86 jaar. Al sterf ik. Jezus zegt nog ouder dan 1790 jaar te zijn.

Vanmorgen waren ze even bang dat ik naar Langeslag was afgereisd, omdat ik dat eerder op deze site geplaatst zou hebben. Maar gelukkig… we waren niet richting Zwolle maar richting Utrecht afgereisd. En dan zit je toch een klein uur in de auto.

Het was een mooi kerkje, dit jaar wat opgekalefaterd, dus nu met een ruim opgezet liturgisch centrum.

Omdat ik er volgende week weer hoop voor te gaan kon ik een begin maken met een kleine serie van twee preken, onder het motto: ‘Waarom Jezus Christus onze Heer wel moet zijn’.

Deze week overdachten we hoe Jezus laat zien dat hij de (beloofde) profeet, de niet te overtreffen man van deze wereld, is. Hij ontmaskert zijn vroegere dorpsgenoten en maakt overduidelijk (in woord en daad) dat hij niet de zoon van Jozef maar van God is (Lucas 4, 14-30).

De preek kun je nalezen via deze link.
De preek kun je beluisteren via deze link.

Reageer gerust.

Sinds 20 oktober volg ik een basisopleiding voor KNVB-scheidsrechter. Dat is een cursus van zeven avonden die een uurtje of drie duren. Het begint met wat lessen theorie. De afgelopen twee avonden waren echter praktijkavonden.

Vorige week moest ik anderen feedback geven, gisteravond moest ik op veld 4 van IJsselmeervogels zelf een tiental minuten fluiten (en de eerste helft vlaggen). Dat ging wel lekker en de cursusleider vertelde me dat ik maar beter kon stoppen met voetballen en meteen moest overgaan tot de fluiterij. Tsjongejonge, dan heeft-ie me zeker nog nooit zien voetballen…

Zijn feedback luidde alsvolgt: “Je hebt overwicht, straalt autoriteit uit, loopt goed mee, stond goed bij de achterlijn bij hét moment van de wedstrijd (Was de bal wel of niet de doellijn gepasseerd?), je fluitvolume is naar de aard van de overtreding (hard of zacht), zowel verbaal als non-verbaal goed.
Ik maakte natuurlijk ook een foutje: ik legde de bal voor iemand op de juiste plek. De scheids moet in principe van de bal afblijven en alles met het fluitje organiseren. (Ik heb jarenlang de F-jes en de E-tjes gefloten; daar doe je niet anders dan de bal goed leggen.)

‘t Was wel lachen, in de eerste helft, toen ik vlagde. Bepaalde mensen weten dat ik geregeld voorga in kerkdiensten, omdat ik laatst in Bunschoten nog een dienst heb geleid. “Hé dominee, eerlijk vlaggen hè!” en meer van dat soort ongein.

Ik wil daar dan even gevat op reageren en ik vroeg het publiek achter me: “Wat is de overeenkomst tussen een scheids en een dominee?” Natuurlijk wisten ze het antwoord niet, waarop ik zei: “Ze denken dat ze altijd gelijk hebben.” (Met de nadruk op ‘denken’.)
Dat vonden die Spakenburgers wel “een goeie”.