Archief van december, 2008

Laatst zat ik in de kerk naar een saaie preek te luisteren. Lekker te lijden aan de kerk ;) . Hoewel een preek een halfuurtje kost, voelt dat dan aan als een uur (of langer). Dan denk ik: Hm, ik denk dat ik volgende week toch maar weer ’s zelf voorga.
Niet omdat ik nu zo goed preek, maar omdat ik liever naar mijn eigen gezeik luister dan naar dat van een ander :) . Zou dat trouwens ook de reden zijn dat je maar weinig predikanten in de kerk ziet zitten? Dat ze liever uit gaan preken dan in de eigen gemeente gaan zitten luisteren?

Hoe het ook zij, zo’n saai moment zet me ook aan het denken. Hoe komt het nu dat (veel) preken niet landen? Dat mensen onderuit zakken? Dat er opvallend veel gehoest, gekucht, snoep gegeten en naar alle kanten gekeken wordt, behalve naar de kant waar de preekstoel staat?

Deze keer kwam ik op de volgende gedachte. Volgens mij kun je de hoorders in vier categorieën onder verdelen:

1. Positieve christenen met een actieve luisterhouding. Dat zijn de hoorders die niets in het bovenstaande herkennen. Zij vinden het mooi om naar de kerk te gaan, hebben daar zin in, luisteren gehoorzaam vanuit een voorliefde voor kerk en evangelie. Iemand uit deze categorie zei tegen mij, toen ik hem vroeg waarom hij de preek zo boeiend vond: “Het evangelie is toch al mooi voordat ik naar de preek luisterde? Ik vond de preektekst al mooi!”
Hij beantwoordde mijn vraag dus niet, maar in zekere zin ook wel. Het maakt hem niet zoveel uit hoe een preek in elkaar steekt en of-ie boeiend is, want “ik haal er altijd wel wat uit”.

2. Positieve christenen met een passieve luisterhouding. Dit zijn christenen die ook graag naar de kerk komen en actief in het kerkelijk leven meedoen, maar vaak eerst in het kerkblad kijken wie er voorgaat. Ze willen in een preek aangesproken en geboeid worden. In deze categorie val ik zelf ook.
Ze dwalen af als een preek teveel uitleg of irrelevante informatie bevat. En gaan chagrijnig de kerk uit als dit helaas weer gebeurd is.

3. Nominale christenen met een actieve luisterhouding. Nominale christenen zijn mensen die in naam christen zijn. Je ziet ze altijd in de kerk, maar verder nooit. Ook weet je van hen dat ze het in hun leven van alledag niet zo nauw nemen met ‘God en het gebod’.
Deze mensen luisteren wel goed naar de preek. Vaak vanuit een soort wil om met woorden gereinigd te worden. Ik heb daar wel eens iets over geschreven.

4. Nominale christenen met een passieve luisterhouding. Dit zijn dezelfde ’soort’ christenen als in categorie 3. Deze mensen lijken op categorie 2 als het gaat om hun luisterhouding. Ze luisteren goed naar een preek als ze erdoor geboeid worden.

Ik ben ervan overtuigd dat al deze categorieën in elke gemeente te ontdekken zijn. Wellicht categorie 3 en 4 meer in volkskerken, maar dan spreek ik alleen over aantallen. Ook in mijn gemeente durf ik deze categorieën wel toe te passen.

Maar ik preek dus op een concrete zondag tegen al deze categorieën hoorders. Ik denk dat menig predikant zijn preken schrijft voor de eerste categorie. Hij gaat ervan uit dat zijn hoorders welwillende luisteraars zijn die graag naar de kerk zijn gekomen, daarvóór natuurlijk gebeden hebben om de werking van de heilige Geest in de dominee en in henzelf.

Vroeger kreeg ik van mijn eigen predikanten ook steevast te horen dat het aan míjn luisterhouding lag als ik hun preken saai en slecht vond. Wat ze eigenlijk tegen mij zeiden, was: “Ik zou niet weten hoe ik jou in mijn preken moet bereiken.” Met hun antwoord schoten ze in een kramphouding waarin ze tot aan de dag van vandaag nog zitten. Deze mensen zullen het gros van de gemeente week in week uit niet boeien of aanspreken.

Ik denk dat binnen de GKv categorie 2 óf ontkend óf onderschat óf fel bestreden wordt. Deze mensen zouden zich moeten bekeren en welwillende christenen moeten worden. Nou, dat zal je tot aan de jongste dag niet lukken. Het is een gegeven dat de meeste mensen aangesproken willen worden.
Ga bij jezelf maar eens na wanneer én waardoor je in een normaal gesprek afhaakt. Wedden dat je niet door je gesprekspartner geboeid werd, dat hij/zij je niet zag staan (en meer óver zichzelf dan mét jou sprak)?

Maar ja, hoe preek je dan boeiend en aansprekend? Daar kan ik wel wat over zeggen, maar lees daarvoor mijn scriptie. Vind je dat te lang? Lees dan eens dit artikel uit het Nederlands Dagblad over Tim Keller, een kerkplanter van gereformeerde snit in New York. Hij preekt zoals ik wil preken. Mijn scriptieconclusies (1. communicatieve aansluiting, 2. religieuze distantie en 3. feitelijke choquering) worden door Keller in dit artikel benoemd!

Dankjewel, Gerrit, voor het doorsturen van het artikel.

Wie durft Maria de moeder van God te noemen? In mijn traditie bestaat daar een zekere huiver voor, die te verklaren is door de gereformeerde strijd tegen de Rooms-Katholieke Kerk in de 16de eeuw. Want van mariaverering wil een gereformeerde niets weten. Iets meer hierover weten?

(Overigens heb ik zelf geen moeite met de term ‘theotokos’. Geen gereformeerde ontkent dat Jezus God is. Dat Maria de moeder van God is, raakt juist het grote geheim van God: hij wordt mens.)

Op een gegeven moment (Marcus 3, 31-35) gebeurt er iets vreemds tussen Jezus en zijn moeder Maria. Jezus lijkt zijn moeder niet meer te zien staan.

Marcus 3, 31-35 Intussen waren Jezus’ moeder en zijn broers aangekomen. Ze stuurden iemand naar binnen om hem te halen. Zelf bleven ze buiten wachten. Er zat een groot aantal mensen om Jezus heen, en die zeiden tegen hem: ‘Uw moeder en uw broers staan buiten en zoeken u.’ Jezus antwoordde: ‘Wie zijn mijn moeder en mijn broers?’ Hij keek de mensen aan die in een kring om hem heen zaten en zei: ‘Jullie zijn mijn moeder en mijn broers. Want iedereen die de wil van God doet, die is mijn broer en zuster en moeder.’

Wat doet Jezus? Schuift hij Maria aan de kant en verklaart hij andere moeders te hebben? Leuk voor Maria om te horen…

Ik denk dat Maria niet van Jezus’ woorden is geschrokken. Volgens mij hoort ze Jezus hier iets zeggen wat zijzelf vanaf de aankondiging van Jezus’ geboorte al in de praktijk brengt: doe Gods wil.

Maria moest geloven dat haar kind van God kwam. Dat is zowel mooi (ze zingt ervan) als moeilijk. Maria wist dat ze een instrument van God was. Zij moest de verlosser van de wereld op aarde zetten en opvoeden. Een grotere verantwoordelijkheid dan mijn opvoeding van mijn zoontje Joram.
Ze moest accepteren dat hij op een gegeven moment Jozef niet als zijn vader zag. Kortom: ze moest Gods wil doen. En zij heeft het gedaan.
En dus is Maria zowel in biologische als in geestelijke zin de/een moeder van Jezus Christus.

Jezus neemt geen afstand van zijn moeder, wanneer hij anderen die in hem geloven ook als moeder (en broer en zus) wil zien. Jezus’ gezin is groter dan zijn familie in Nazaret. Hij opent hier al zijn familiekring voor de rest van de wereld.

Maria wist dat Jezus dit ooit zou gaan zeggen. Het moet voor haar ook heel bemoedigend zijn geweest.

PS. Wanneer Jezus aan het kruis hangt, neemt hij pas afscheid van zijn moeder. Ook daarin zie je hoe fijngevoelig Jezus is. En hoeveel liefde hij voor zijn moeder heeft. Hij draagt een van zijn leerlingen (Johannes; niet toevallig hij!) op Maria als zijn moeder te zien.
Jezus laat de aarde los, maar Maria niet alleen achter.

Een van de moeilijkste dingen die een voorganger heeft te doen, is volgens mij het volgende. In elke gemeente zijn er mensen die er een vrij simplistische visie op de Bijbel op na houden. Ze kennen de Bijbel van haver tot gort, van kaft tot kaft en van vers tot vers. In elke discussie brengen ze een bepaald vers te berde, waarop ze zeggen: “Het staat er toch! Het is zo duidelijk als wat!”

Dat is erg irritant, maar het meest irritante is dat ze het gaan verkondigen aan anderen. En iedereen die het niet zo ziet als zij, deugt niet en maakt zich schuldig aan Schriftkritiek.

Nu ben ik geen jongen die een uiterst ingewikkelde visie op de Bijbel verkondig (ik zou het niet kunnen). Daar ben ik niet op uit. Want wie kan er dan nog christen zijn? Je zou elke conclusie na je persoonlijke Bijbelstudie zeker in twijfel moeten trekken… Dat nooit!

Voorgangers moeten hun hoorders leren om met de Geest van Jezus Christus de Bijbel te lezen en in hun leven toe te passen. En dat is én moeilijk én eng (én uitdagend, zeg ik er meteen bij). Want als je je hele leven al zeker bent van een bepaalde omgang met de Bijbel, en alles dus duidelijk voor je is, dan zeg ik: je hebt misschien Bijbelkennis, maar geen kennis van de Bijbel.

Een voorbeeld. Laatst schreef iemand op deze site dat de Bijbel zo duidelijk als wat is als het om de vrouw in het ambt gaat. Bijbelteksten erbij gehaald, en de conclusie was duidelijk.

Nou, dat is zijn goed recht. Hij kan het zijn hele leven ook volhouden, denk ik.
Maar val mij (en vooral anderen in mijn kerkverband) er niet mee lastig. Want zulke mensen zijn nogal selectief in hun Bijbelgebruik. Als het om de vrouw in het ambt gaat, hebben ze de Bijbelteksten paraat.

Maar ik vraag me af of ze ook met hun Bijbelteksten tekeer gaan als het om het gebed in de eredienst gaat. Zouden zulke mensen tijdens het gebed met hun handen omhoog staan (1 Timoteüs 2, 8)? En zijn ze lid van een gemeente waarin alle vrouwen lang haar dragen en met een bedekt hoofd bidden (1 Korintiërs 11, 5)?

Mocht ik voorganger in ons kerkverband worden, dan zal ik dit geregeld heel erg duidelijk maken. Praatjesmakers, scheurmakers en biblicistische betweters en amateurtheologen zullen het van me te horen krijgen. Namens Jezus Christus. De Zoon van God had, toen hij bij ons was, aan zulke praktijken ook een bloedhekel.

(De Geest van) Jezus is niet in de Bijbel op te sluiten. Ook niet in bepaalde teksten. Hoe graag je het soms ook zou willen (het is namelijk wel lekker duidelijk en handzaam).
Zulke mensen moeten zich bekeren tot Christus, en vragen om een vernieuwende werking van zijn Geest in hun leven. Op deze manier zijn ze namelijk zowel zichzelf als anderen tot een grote last.

Zeg of schrijf het woord ‘dogma’, en ik haak af. Ik hou niet van dogma’s, want dat zijn van die afgebakende, starre en onaantastbare leerregels waaraan de kerk zich te houden heeft.

Zo dacht ik er over, voordat ik me op het tentamen dogmageschiedenis had gestort. Want ik ontdekte dat een dogma in een bepaalde context staat. En nog verrassender: de meeste dogma’s zijn compromisteksten. Ze zijn opgesteld om meerdere partijen bij elkaar te houden. Ze bieden ruimte voor meerdere interpretaties.

En dat is iets wat ik mee neem. In mijn denken over verschillende kerkgenootschappen. Ik ben als gereformeerd-vrijgemaakte jongen opgegroeid in een polemisch klimaat. Dat wil zeggen: we dachten vijandig, scheidend, vanuit het probleem of het dilemma.
Op catechisatie werd verteld dat de ’synodalen’ niet deugden en werden de verschillende tussen ons en bijvoorbeeld de Nederlands Hervormde Kerk breed uitgemeten. En de evangelischen kregen er al helemaal van langs.
En juist in mijn kerkverband wordt nog vaak formalistisch en normatief met de belijdenis omgesprongen. Als we daarvan (durven) afstappen – ook op synodaal niveau – zijn de vrijgemaakte kerken binnen de kortste keren weer één met de Nederlands Gereformeerde Kerk.

Nu sta ik ook wel kritisch tegenover bepaalde gemeenschappen, maar ik meet mezelf wel een houding aan die erop gericht is mensen bij elkaar te brengen. Dat doe ik kritisch. Als iemand zegt dat hij wel van de Heer maar niets van de leer wil weten, dwaalt hij of zij (en dat krijgt hij te horen ook). Het is trouwens praktisch onmogelijk om de Heer van de leer te scheiden, want een kerk wordt gedwongen of gedrongen uitspraken te doen over die Heer. (Behalve als je gemeente zich van deze wereld afsluit en haar eigen wereldje creëert. Dan begeef je je in een laffe gemeente die vooral navelstaart en weigert zoals Jezus, de leeuw van Juda, midden in deze wereld te grommen en te brullen.)

Ik heb ook geleerd dat het opstellen van een dogma een bevrijdend doel moet hebben. Zo was het Athanasius die de (beginnende) leer over de drie-eenheid in het kader van de verlossing zette. Geweldig vind ik dat. Hij zei: “Als Jezus niet van hetzelfde wezen is als de Vader (dus niet God zou zijn), dan zou ik nooit zeker van mijn verlossing zijn. Dan zou ik door een mens verlost zijn. Jezus zou maximaal een halfgod zijn.
De leer van de drie-eenheid is dan ook onopgeefbaar. Wie haar ontkent (ook al staat ze niet letterlijk in de Bijbel), berooft het evangelie van haar kern en kracht.

Maar het allermooiste vond ik nog wel de gedachte en houding van ene Basilius. Hij dacht over Christus en de leer met het oog op de lofprijzing en de aanbidding. Hij formuleerde het dogma met het oog op de grootheid van God (zie onder).

Over de leer van de drie-eenheid kun je eindeloos nadenken en praten. Maar als het niet uitmondt in aanbidding is het nutteloos gezever: theologentaal.

God is één groot geheim dat een christen van de ene in de andere verbazing doet belanden. En christenen doen hun best om delen van dat geheim acceptabel te verwoorden. We hebben er een eeuwigheid voor nodig.

Belijdenis van Nicea-Contantinopel
In deze vrij bekende belijdenis staan dingen die je al snel te boven gaan. Waarom is het bijvoorbeeld belangrijk te weten dat Jezus God uit God is, en licht uit licht. En dat hij geboren en niet geschapen is?

Daar zou ik wel een antwoord op kunnen geven, maar nu wil ik even terugkomen op die aanbidding (van Basilius).

Een van de zinnen in ‘Nicea’ is: ‘En zijn rijk zal geen einde hebben.’ Deze zin zegt twee dingen:

1. Het zegt impliciet over Jezus dat hij al eeuwig God is, en dat hij eeuwig God zal blijven! (Dat was het punt in die tijd.)
2. In deze zin proef je verrassing, verwondering en verlangen. Er moet een uitroepteken achter staan. Ze hadden het ook saaier kunnen formuleren, denk je niet?

Vandaag heb ik moeten beslissen m’n studie iets uit te stellen. Het lukt me namelijk niet om vóór 22 januari 2009 klaar te zijn. Dat was namelijk wel mijn streefdatum. Maar de drie tentamens en de afstudeervoordracht die nog op het programma staan, zijn te groot om binnen een maand af te ronden.

Het zal nu midden maart worden dat ik mijn bul krijg. Die datum moet ik zeker kunnen halen!

Dat betekent dat ik tot die datum op zondag kan blijven preken. Dus preekvoorzien(st)ers, mail me maar.

Let op: ik heb al meerdere verzoeken gehad, maar die beschouw ik als niet ontvangen. Iedereen die vanaf vandaag als eerste komt, die maalt ook als eerste.

Enne… denk aan uw toon. U heeft geen recht op me.

In een kerk die de vorm heeft van een “blokkendoos” – let op: het zijn niet mijn woorden – mocht ik vanmorgen voorgaan. (Het was trouwens in de ‘Vaste burcht’ – en dat kan niet gereformeerder.)

Het was de laatste keer dat ik in 2008 de dienst mocht leiden. De rest van de maand neem ik lekker vrij en ga ik genieten in en van mijn eigen gemeente in Hoogland. Zo krijg ik wellicht meer zin om in 2009 weer zelf aan de slag te gaan.

Het ging vanmorgen wel aardig, al was ik zelf niet helemaal fit. Ik moest om de haverklap hoesten. Alsof iemand me om de paar minuten dwong een slijmprop naar binnen te werken (hm… mooi beeld).
En op een gegeven moment viel ik midden in de preek bijna om, zo slap werd ik. Maar volgens mij heeft niemand van dat laatste wat gemerkt.
Al met al kon ik hierdoor niet m’n hele ‘ziel en zaligheid’ in de preek leggen.

Maar goed, de boodschap is wel overgekomen. Als je de preek na wilt lezen, klik dan hier.

Horen? (Alleen in Internet Explorer te beluisteren.)

Reageer gerust.

Eindelijk, eindelijk. De scriptie is af. Uitgeprint en ingeleverd.

Het betekent een afronding van traject dat ongeveer anderhalf jaar heeft geduurd. Het was een periode van inlezen, nadenken, doorspreken, schrijven, schrappen, wanhopen en Yes!-gevoelens.

Het is een groot en inhoudelijk document geworden. Het gaat over de wijze waarop Jezus Christus en Paulus hun publiek benaderd hebben. Wat valt er te zeggen over hun ‘methode’ en over hun inhoud? Wat zeiden we wel en wat (juist) niet? Hoe houd je rekening met je specifieke publiek? Wat is de kern van je boodschap? Enzovoort, enzovoort.

Ik ben ervan overtuigd dat de conclusies niet alleen waarde hebben voor de missiologie (de zendingsleer), maar ook voor de homiletiek (preekkunde). De dingen waar ik in preken vaak op afknap, kunnen door bestudering van Jezus’ en Paulus’ benadering aangetoond en dus ook voorkomen worden.

Ik zou zeggen: print het (dubbelzijdig) uit, lees het (neem er de tijd voor), doe er je voordeel mee. Het is allemaal gratis.

Evangelie, hè.

Maskers af

PS. De mensen die mij hebben gemaild en gevraagd hebben om een ingebonden, papieren versie, krijgen die van mij gratis toegestuurd.

De titel van deze blog verraadt wat ik altijd gedacht heb. Ik dacht namelijk dat God mij eeuwig leven geeft. Dat het een soort beloning zou zijn die ik van God krijg, omdat ik het in dit leven volgehouden heb Jezus Christus te volgen.

Nu is dat ook wel zo. Alles komt namelijk van God. Geboorte, liefde, beproeving, succes, en dus ook eeuwig leven.
Maar over eeuwig leven is meer te zeggen.

Gisteren vloog de volgende gedachte over en die nestelde zich in mijn hoofd: eeuwig leven is niet alleen een beloning, maar ook aan God zelf en zijn wet gerelateerd. Wat bedoel ik?

Een vrouw vertelde me dat ze iemand kent die altijd over zichzelf begint. Welk onderwerp de vrouw ook aansnijdt, die ander betrekt het binnen no time op zichzelf. Heel vermoeiend, vervelend en saai is dat. Ik ken zelf ook wel mensen die dat altijd doen. Er valt niet mee te praten. Ik negeer hen op een gegeven moment gewoon.
Ik denk dat deze mensen niet eeuwig kunnen leven (als ze niet veranderen). Want vroeg of laat worden zij ook moe van zichzelf. Altijd maar over jezelf praten, maakt je ooit een keer moe, depressief en eenzaam. Volgens mij ga je letterlijk dood. Je kúnt zo niet eeuwig leven.

En als ik dit op Gods wet toepas, kom ik tot precies dezelfde conclusie. Neem nu het achtste gebod: ‘Steel niet’.
Iemand die steelt, maakt zijn eigen leven kapot. Ook hij zet zichzelf in het middelpunt, z’n verlangen moet per se bevredigd worden, en de ander kan hem geen lor schelen. Tenminste, in de meeste gevallen. Ook hier ga je vroeg of laat aan onderdoor. Je kúnt op deze manier niet eeuwig leven.

Ik hoop dat mijn punt duidelijk is. Eeuwig leven is niet alleen een kwantitatief, maar ook een kwalitatief begrip. Gods wet wordt zo ook veel minder een systeem, een pakket met een tiental regels. Gods wet omschrijft het eeuwig leven met God!
En ik krijg in dit leven de kans om ermee te oefenen, ervan te leren, de pijnlijke kant ervan te ervaren, en er tegelijkertijd van te genieten als het me lukt de eeuwigheidswaarde ervan te ontdekken (zoals gisteren gebeurde).

Ik begrijp trouwens steeds meer waarom Jezus Christus nog altijd moet leven. Hij is Gods wet, in levende lijve. En dús moet hij nog altijd en voor altijd leven. Hij kan het.