Archief van januari, 2009

Het zou zijn eerste zware ‘klus’ worden. En hij zag er tegenop zoals een heuvel tegen een berg moet opkijken. Gistermiddag was hij gebeld. Of hij langs wilde komen bij broer Gerritsen, een boer en een van de 64 leden van zijn gemeente.

Nog geen vier maanden geleden had hij intrede gedaan in zijn gemeente, ergens in de Noordoostpolder. Want, zo had hij gezegd, hij wilde klein en rustig beginnen. Langzaam toegroeien naar een volwaardig en ervaren pastor. Maar nu was hij gebeld.

B(r)oer Gerritsen kreeg een onthutsend bericht te verwerken. Hij was failliet verklaard. Alles wat hij had, was verbeurd verklaard. Zijn schuren vol koeien en varkens, zijn vorig jaar gekochte melkmachines, de torenhoge silo die je al van ver kon zien, de vier traktoren waarop hij zo trots was, de grond – werkelijk alles was hij kwijt. De wereldwijde financiële crisis had ook zijn bedrijf getroffen.
Het enige wat hij overhield, was zijn huisje dat in het niet viel bij zijn schuren en grond.

Of hij langs wilde komen. Het angstzweet was hem vanmorgen, toen hij wakker werd, uitgebroken. “Wat moet ik hem in de lieve vrede vertellen?” was de vraag die hem om de vijf minuten overviel. Hij dacht aan zijn colleges pastoraat. Dat je mensen moet bijstaan in tijden van rouw en verlies, dat wist hij wel. Maar hoe doe je dat? vroeg hij in gedachten – bijna kwaad – aan zijn docent praktische theologie. “Had hij mij dát maar geleerd!”
Hij kon niets anders dan bidden. “Heer, help mij de juiste woorden te vinden.” En: “Laat uw broer Gerritsen de woorden die ik uitspreek, alstublieft accepteren.”

Al biddend was hij op zijn fiets gestapt en richting boerderij Gerritsen vertrokken. Hij voelde zijn hart in zijn keel bonzen, wat hij probeerde te vertragen door langzamer te gaan fietsen. Maar zijn hartslag nam toe naarmate hij dichter bij zijn bestemming kwam.

Aangekomen op het erf van Gerritsen, stapte hij van zijn fiets en met een trillende hand trok hij even later aan de bel. Na tien seconden (het leken wel tien minuten) werd de deur langzaam opengedaan. Ze keken elkaar aan, met blikken die niets wilden verraden. “Kom binnen, pastor”, zei Gerritsen zachtjes.

Samen liepen ze de kleine woonkamer in. De pastor keek naar een plek waar hij zometeen kon gaan zitten. Hij wachtte af wat Gerritsen zou zeggen. Maar in plaats van “Neemt u gerust ergens plaats, pastor” droeg Gerritsen hem op met hem mee te gaan. De pastor gehoorzaamde en liep achter zijn pastorant aan. Naar de achterdeur, een groene, een geval dat uit een onder- en bovenhelft bestaat.

Net voordat de pastor een pastorale vraag wilde stellen (”Hoe gaat het nu met u?”), was Gerritsen hem voor. Hij gooide de bovenste helft van de deur met een zwiep open, keek naar buiten, vervolgens naar de pastor en zei: “Pastor, ik ben alles kwijt, werkelijk alles kwijtgeraakt, maar kijk eens met mij mee naar buiten. Ziet u wat ik zie?” De pastor knikte, maar fronste zijn wenkbrauwen tegelijkertijd. Hij begreep zijn broer niet.
Gerritsen las het onbegrip van het gezicht van zijn pastor af, en zei: “Begrijpt u het dan niet, mijn pastor?” En met een gebroken en tegelijk triomfantelijke stem: “Ik ben m’n hele bedrijf kwijt, maar waar wij nu ook maar heen kijken… dat blijft voor ons over!”

“Dank u, Heer”, was het enige dat de pastor die morgen nog heeft gezegd.

Genesis 1, 28 God zegende hen [de mensen] en zei tegen hen: ‘Wees vruchtbaar en word talrijk, bevolk de aarde en breng haar onder je gezag: heers over de vissen van de zee, over de vogels van de hemel en over alle dieren die op de aarde rondkruipen.’

Ik dacht dat ik een antwoord had op het vraagstuk van het lijden. En ik kan er ook wel wat over zeggen. Maar ja, het blijven maar woorden, uit een kleine hersenpan. Dus eerst maar ’s even goed stil worden. Met open mond naar God kijken.

Ik ben God niet. Bij lange na niet.

Ik denk dat ik hierop maar dezelfde reactie geef als Job.

Job 42, 1-3
Nu antwoordde Job de HEER:
‘Ik weet dat niets buiten uw macht ligt
en geen enkel plan voor u onuitvoerbaar is.
Wie was ik dat ik, door mijn onverstand, uw besluit wilde toedekken?
Werkelijk, ik sprak zonder enig begrip,
over wonderen, te groot voor mij om te bevatten.

Of het nou gaat om verschrikkingen als kanker, aardbevingen, tsunami’s of wat voor jobstijdingen dan ook, altijd weer komt de vraag op: “God, waar bent u?” En een vraag die daaraan voorafgaat, is: “Welke God doet zulke dingen nou?” En: “Als ik in zo’n gruwelijke God moet geloven, dan bedank ik daar dus hartelijk voor. Wie wil nu in zo’n tiran of sm-God geloven!?”

Van wie komt het lijden? Van God? Is hij de bezorger van het lijden? Ja!

Ik kan me voorstellen dat zowel christenen als niet-christenen nu steigeren. Elke groep om haar eigen, specifieke redenen. Daarom nu goed lezen.

Niets, werkelijk niets kan of mag buiten God om gaan. Anders zou hij een God van bepaalde levensterreinen zijn: een God die voorspoed aan zijn naam verbindt (”Graag dank daarvoor alstublieft!”), maar ook een God die overvallen wordt door tegenspoed (”Helaas, daar kon ik niets aan doen. Sorry!”). Op deze manier heeft God zich niet aan de mensheid bekendgemaakt.

Ik begon dit blog met een zin waarin het woord ‘jobstijding’ voorkwam. Dat heeft natuurlijk alles te maken met het Bijbelboek Job, dat vol lijden en ellende staat.
Satan heeft tegen God gezegd dat Job vooral in God gelooft omdat het hem voor de wind gaat. “Als we Jobs omstandigheden nu eens iets zouden veranderen”, zegt Satan tegen God, “dan moet ik maar zien of uw dienaar Job u nog zo’n geweldige God vindt…”
En God staat Satan toe te doen wat hij wil (maar van Job zelf moet Satan afblijven). De Satan richt een puinhoop in Jobs leven aan; hij laat Job alles verliezen wat hij heeft, tot aan zijn vele dochters en zonen toe.

Maar Job blijft op God vertrouwen. Satan kwaad, dus terug naar God. “En als ik nu eens aan Job zélf kom, dan kan hij u wel schieten!”, verzekert hij God.
Gods antwoord staat in Job 2, 6-7 opgeschreven.

Job 2, 6-7 Toen zei de HEER tegen Satan: ‘Goed, doe met hem wat je wilt, maar spaar zijn leven.’ Hierop vertrok Satan en overdekte Job van voetzool tot kruin met kwaadaardige zweren.

De vraag is: wie heeft het lijden van Job veroorzaakt? Antwoord: Satan. Deze ellendeling overdekte Job van top tot teen met zweren. Maar nu ook een stap verder. Want het overviel God allemaal niet. Hij stond toe dat Satan dit liet gebeuren. En Satan heeft gewoon naar God te luisteren. En dat doet hij ook, wanneer God hem bepaalde beperkingen oplegt.

Al het lijden komt ten diepste van God. Hij neemt de volle verantwoordelijkheid op zich. Maar het ligt genuanceerd. God wil niet dat Job lijdt. Hij zegt: “En jij [Satan] hebt mij [God] ertoe aangezet Job zonder reden te gronde te richten (Job 2, 3)!” Job verdient het niet.
En toch wil God het, anders zou hij het Satan nooit toegestaan hebben.

Maar waarom dan? Waarom laat onze God mensen lijden? Daarover morgen.

Een van de meest mysterieuze gebeurtenissen die in de kerk plaatsvinden, vind ik het avondmaal. Met ‘mysterieus’ bedoel ik dan niet ‘eng’ of ‘geheimzinnig’, maar ‘vol van geheim’. Want hoewel ik aardig wat hersens van mijn Heer heb meegekregen, kan ik er met mijn verstand niet bij wat daar gebeurt.

In mijn gemeente lopen we in een lange rij naar voren. We zingen geestelijke liederen en we luisteren naar een broer of zus die uit de Bijbel voorleest. Als ik op een gegeven moment voor onze predikant sta, biedt hij mij een stuk brood aan. En ja, dan gebeurt het. Dan ontvang ik het brood of ik pak het aan. Ik stop het in mijn mond en: Jezus Christus komt in mij!

Ik hou van deze (Lutherse) visie op het avondmaal. De gereformeerde voorkeur gaat uit naar de visie van Zwingli: we gedénken vooral het lijden en sterven van Jezus Christus. Al vind ik het compromis van Calvijn, de mystieke unie met Christus door het eten van het brood door de Geest, ook mooi.
Hoe het ook zij, het avondmaal is meer dan gedenken. Jezus heeft er mijns inziens bewust voor gekozen om ons te laten eten.

Vanmorgen las ik iets heel spannends, wat het avondmaal elke keer weer op scherp zet. Andermaal in Johannes 13. Jezus heeft tegen zijn leerlingen gezegd dat iemand hem gaat verraden. Iedereen schrikt natuurlijk, en Petrus stoot op een gegeven moment Johannes aan. Petrus vraagt hem: “Vraag jij anders even aan Jezus wie hem gaat verraden.”

Johannes 13, 25-27 25 Hij [Johannes] boog zich dicht naar Jezus toe en vroeg: ‘Wie, Heer?’ 26 ‘Degene aan wie ik het stuk brood geef dat ik nu in de schaal doop,’ zei Jezus. Hij doopte een stuk brood in de schaal en gaf het aan Judas, de zoon van Simon Iskariot. 27 Op dat moment nam de duivel bezit van Judas. Jezus zei: ‘Doe maar meteen wat je van plan bent.’

Tijdens de laatste maaltijd die Jezus voor zijn dood meemaakte, deelt hij net als onze predikant het brood uit. Maar wat gebeurt er dan? Niet (geloof en blijdschap in) Jezus, maar de duivel neemt bezit van Judas! Op het moment dat Jezus het stuk brood aan hem gegeven heeft.
Verschrikkelijk! Judas hoeft hem niet (en Jezus weet dat van te voren).

Ik denk dat Judas het stuk brood niet opgegeten heeft. Vers 30: ‘Judas nam het brood aan en ging meteen weg. Het was nacht.’

Daarom vind ik het avondmaal zo vol geheim. Elke keer als ik voor mijn predikant sta en voor de schaal met brood, sta ik letterlijk voor de keus: wil ik Jezus of wil ik hem niet?

Dat hij in mij wil wonen, staat als een paal boven water. Jezus geeft zichzelf ook ‘gewoon’ aan Júdas en gisteren heeft hij ook ‘gewoon’ Judas’ voeten gewassen. Maar wil ík hem?
Wil ik hem niet, dan kies ik voor de duivel! Dan kies ik voor de duisternis, het nachtleven.
Wil ik hem wel, dan kan niemand mij wat aandoen. Dan krijg ik Jezus in mij. Dan leef ik met hem, en dus in het daglicht.

Deze Jezus is zo machtig. Hij bepaalt wat Judas/de duivel mag gaan doen (vers 27!). Jezus regisseert zijn eigen arrestatie en dood!

Deze zomer zal het hopelijk ook weer gebeuren. Dat ik samen met Margreet en Joram naar het Noordzeestrand ga. Lekker liggen, lekker zwemmen, en weer lekker liggen (bis).

Het enige nadeel van zo’n dag is dat kwartier voordat we in de auto zitten en naar huis kunnen rijden. Je weet wel, dat schoonmaken van je voeten. Je bent helemaal opgedroogd, lekker schoon, behalve je voeten. Daar zit nog iets te nat zand. En da’s zwaar irritant!

Mijn Heer, Jezus Christus, heeft letterlijk laten zien dat ik medechristenen heb te beschouwen als zulke strandgangers. Ze zijn helemaal schoon, maar ja, ze krijgen steeds weer vieze (zand)voeten.

Het is het verhaal van de voetwassing in Johannes 13, 1-20. Jezus is bezig de voeten van zijn leerlingen te wassen, en op een gegeven moment komt hij bij zijn vriend Simon Petrus.

Johannes 13, 6-10 6 Toen hij bij Simon Petrus kwam, zei deze: ‘U wilt toch niet mijn voeten wassen, Heer?’ 7 Jezus antwoordde: ‘Wat ik doe, begrijp je nu nog niet, maar later zul je het wel begrijpen.’ 8 ‘O nee,’ zei Petrus, ‘míjn voeten zult u niet wassen, nooit!’ Maar toen Jezus zei: ‘Als ik ze niet mag wassen, kun je niet bij mij horen,’ 9 antwoordde hij: ‘Heer, dan niet alleen mijn voeten, maar ook mijn handen en mijn hoofd!’ 10 Hierop zei Jezus: ‘Wie gebaad heeft hoeft alleen nog zijn voeten te wassen, hij is al helemaal rein. Jullie zijn dus rein – maar niet allemaal.’

Hier straalt een geweldig evangelie vanaf. Kijk, van mezelf weet ik heel goed dat ik zo’n christen mag zijn. Ik mag mezelf als een rein christen zien, hoewel ik geregeld m’n voeten viesmaak.

Maar ik kom dus heel vaak christenen tegen die ik hélémáál niet zie als schone christenen. Ik zie ze vaak als gore mensen die zich nog helemaal tot Christus moeten bekeren, voordat ze van mij de titel ‘christen’ krijgen.

Jezus ziet zijn leerlingen en vrienden als reine mensen. Ze hebben alleen nog maar vieze voeten. Oké, die moeten door hem gewassen worden (anders hoor je niet bij hem, zegt hij!), maar hij weigert dus wel om Petrus helemaal te wassen.

Als ik vieze broers en zussen in het geloof tegenkom, dan moet ik dus bedenken dat dit broers en zussen zijn met slechts vieze vóeten. Ik heb hen te accepteren zoals Jezus Christus zijn eigen leerlingen accepteert. Als reine mensen.

Aan de andere kant: als ik, een Jezusvolger, weiger mijn broers en zussen op hun vieze voeten te wijzen en weiger hun voeten met het evangelie van Jezus Christus schoon te maken, zeg ik eigenlijk: ik wil niet dat jij bij Jezus Christus hoort (vers 8!).
En als zij op hun beurt weigeren hun voeten door mij – nogmaals: ik ben een Jezusvólger – te láten wassen, geven ze daarmee te kennen hoogmoedig te zijn. Deze christenen denken dat ze én rein zijn én nooit vieze voeten hebben. Zulke christenen hebben een groot probleem.

Maar laat ik het vooral bij mezelf houden. Van Jezus Christus krijg ik dus de plicht om de voeten van mijn medechristenen te wassen, maar ik moet niet denken dat ik hen helemaal kan wassen. In Christus zijn ze namelijk al rein.

Dit gaat diep, man!

[Teun, ik vond het in alle opzichten geweldig gisteren! Ik heb je lief!]

Wie mij een beetje kent, weet dat ik van grappenmakerij hou. Ik ben gek op cabaret. Ik kijk graag naar Bert Visscher (heerlijk lomp), Jochem Myjer (geweldige imitaties, en iemand van mijn generatie) en in mindere mate van Herman Finkers en Najib Amhali.

Ik ben geen fan van Hans Teeuwen. Ik denk ook dat veel christenen hem niet kunnen horen, luchten of zien. Maar wat hij zegt, is natuurlijk niet per definitie onwaar.

Kijk 2 minuten en 42 seconden naar onderstaande video, waarvan ik laatst in De Wereld Draait Door een fragment zag. (En o ja, voor christenen met een zwak geloof: kijk maar niet.)

Teeuwen zegt twee dingen waar ik het volledig mee eens ben.

1. Christenen die tegen niet-christenen of tegen elkaar zeggen dat het christelijk geloof een kwestie van gevoel is, begrijpen werkelijk niets van het evangelie. Ze reduceren en devalueren het christelijk geloof tot iets subjectiefs. Je hebt het of je hebt het niet.

2. Teeuwen maakt terecht een punt als hij ook zélf een zin in een boekje schrijft, waarop hij waarheid baseert. Waarom zou een christen die zegt dat het in de Bijbel geschreven staat wèl waarheid in handen hebben, en Teeuwen – die ook iets opgeschreven heeft – naast de waarheid zitten?

Teeuwens kritiek (tot en met minuut 2:42) op de God van de christenen moet dan ook gezien worden als kritiek op Allah en de Koran.
Christenen die geloven, omdat het allemaal in de Bijbel staat, geloven in een boek en niet zozeer in een persoon. Ze vertonen dan meer overeenkomsten met moslims en hun geloof in de tekst die uit de hemel zou zijn neergedaald en door Mohammed en de zijnen in de Koran is opgeschreven.
Christenen geloven niet in een boek, anders zou God het wel gelaten hebben om de Bijbel (die over hem gaat) door mensen te laten schrijven.

Wat zou een goed, christelijk weerwoord op Teeuwen kunnen zijn? Ik denk dit:

Geachte heer Teeuwen,

iets is niet waar omdat het in een boek geschreven staat. In die zin maakt u mijns inziens een karikatuur van het geloof van christenen (al zijn er zeker christenen die beweren wat u nu beweert). Iets is pas waar wanneer er sprake van (enige vorm van) objectiviteit is.

Niemand gelooft in het bestaan van Willem van Oranje en Karel de Grote, omdat hun namen in de geschiedenisboeken zijn opgeschreven. We geloven dat zij geleefd hebben, omdat datgene wat in die boeken geschreven staat

- door veel mensen gezien en gehoord is;
- consistent is (Karel de Grote moet steeds een man blijven, zichzelf in fundamentele gevallen niet tegenspreken (”Eigenlijk ben ik mijn hele leven groenteboer geweest”), enz. enz.);
(- nog altijd merkbare gevolgen heeft.)

Zowel Willem als Karel hebben hier werkelijk rondgelopen en ze hebben verscheidene dingen gedaan op wereldschaal en in het belang van het land.

Zo is het met Jezus Christus ook. Christenen geloven niet in hem, omdat zijn naam vaak in een boek (de Bijbel) staat geschreven. Ze geloven in hem omdat datgene wat er over hem geschreven staat, als betrouwbaar feit is opgeschreven. Jezus en al het absurd bovennatuurlijke dat hij gedaan heeft, is gezien, gehoord, aangeraakt en zelfs geproefd.
Hij blijft ook steeds consistent. Hij zegt wat hij zelf doet, hij is zelfs wat hij doet.

Dat is ook het grote verschil tussen de evangelisten (zij die de feiten opgeschreven hebben: Matteüs, Marcus, Lucas en Johannes) en u.
De evangelisten schrijven over wat zij gezien, gehoord, geproefd en aangeraakt hebben.
U schrijft ‘God bestaat niet’ op basis van uw overtuiging. En dat overtuigt niet. Het kán niet als waarheid doorgaan, omdat het net zo subjectief zou zijn als wanneer ik zou zeggen dat een koe vanaf vandaag geen dier meer is.
Ik kan dat wel opschrijven en verkondigen, maar ik zou terecht tot redeloos mens worden verklaard. Ik zou op z’n minst moeten aantonen dat mijn overtuiging aannemelijk is.

Overigens is iets niet per definitie onwaar omdat mensen zeggen dat het opgeschreven is. Ik bedoel, wij geloven onze historici die over de 80-jarige oorlog schrijven ook. Niemand van ons heeft die oorlog meegemaakt, maar niemand ontkent hem. Waarom niet? Omdat het nou eenmaal op betrouwbare wijze opgeschreven is.

Christenen geloven niet in de letters en de zinnen, maar in het getuigenis van déze mensen die hun werk secuur hebben gedaan.

De genoemde evangelisten staan mijns inziens sterker dan u. Het zou dan ook veel meer terecht zijn wanneer u niet in het geweer zou komen tegen een ‘christelijk boekgeloof’, maar tegen de evangelisten die zo gek waren om dat wat ze gezien hebben ook daadwerkelijk als waarheid aan te nemen en te geloven. En dus ook opgeschreven hebben (wat moet je anders doen als het evangelie echt waar blijkt te zijn? Dat moet iedereen dan te horen krijgen, natuurlijk!).

Met vriendelijke (en zo u wilt: blaffende :) ) groet,

David Heek

1 Johannes 1, 1-3a Wat er was vanaf het begin, wat wij gehoord hebben, wat wij met eigen ogen gezien en aanschouwd hebben, wat onze handen hebben aangeraakt, dat verkondigen wij: het Woord dat leven is [= Jezus Christus, DH]. Het leven is verschenen, wij hebben het gezien en getuigen ervan, we verkondigen u het eeuwige leven dat bij de Vader was en aan ons verschenen is. Wat wij gezien en gehoord hebben, verkondigen we ook aan u [...].

[Een echte Kampenaar glimlacht bij deze titel :) ]

Het is me een eind rijden over die saaie A28, maar na een klein uur kom je dan toch echt in Kampen aan. Leve de TomTom wat dat betreft, want dat rijdt relaxed.

Ik vond het een heerlijke dienst. Ik stond lekker op m’n plekje, het geluid was goed en er werd heel goed geluisterd. Ik ga er natuurlijk van uit dat dit door het evangelie kwam.

Het kind dat zo eerlijk reageerde op de ’spaarpotscène’ en het kind dat net zo eerlijk vroeg om vrede in Israël, waren schitterende momenten.
Ook het feit dat mensen voorbedepunten durfden aan te leveren, getuigde van een goede sfeer.

Ik zie u graag over twee weken weer.

M’n broertje gaf trouwens nog feedback op een van mijn uitspraken tijdens de voorlezing van de wet. Na het vierde gebod zei ik: “Juist op zondag kunnen we oefenen om God vóór ons te laten zijn.” Buiten het feit dat dit een vrij vage zin is, moet hij scherper gesteld worden. Ik bedoelde: “Juist op zondag kunnen we ontdekken hoe en dat God vóór zijn kinderen (en Jezus voor zijn volgelingen en aanbidders) is.”

Anders lijkt het net alsof wij, mensen, kunnen bepalen (door te oefenen) dat God vóór ons is. Dan wordt het toch weer een voorwaarde…
Nee, God ís voor ons, je moet het alleen steeds doorhebben en ontdekken. Dan kan het niet anders of je wilt er vervolgens uit leven.

Maar goed, ik denk dat het wel goed overgekomen is. Wil je de preek (nog ’s na)lezen, klik dan op onderstaande link.

Romeinen 8,31-32 Kampen 25012009

In de preek wees ik op een van mijn blogs van afgelopen week. Die is hier te vinden: Waarom moest Jezus (voor mij) sterven?

Deze week schreef ik een blog over de vraag waarom Jezus voor mij moest sterven. Daar is niet publiekelijk, maar in een anonieme en vertrouwelijke sfeer reactie op gekomen. Iemand zei: “Maar, David, waarom moest Jezus nu per se mens worden om ons te vergeven? Kon het niet anders?”

Ik antwoordde dat alleen wezens van hetzelfde soort elkaar kunnen vergeven. Ik kan een koe en een geit niet vergeven. Ik zou een dwaas zijn als ik deze dieren vergeving zou aanbieden als ze mijn tuin er onder gescheten zouden hebben. Ze begrijpen niets van mij, en ik niets van hen.

Dat vind ik achteraf geen sterk antwoord. Want dieren kunnen bij mensen geen schuld opbouwen. Dus ik hóef ze ook helemaal niet te vergeven.

Ik ga daarom een andere kant op, en dat heeft weer te maken met liefde. Want ik kan alleen een schuld bij iemand opbouwen als die persoon dichtbij mij staat. Iemand die gevoel(ens) heeft, die mij liefheeft. En laten dat nou veel mensen in mijn buurt zijn.
Maar ook de God van Jezus Christus komt dichtbij! Hij heeft mij gemaakt en hij heeft mij (o.a. daarom) oneindig lief.
En dus kan ik (helaas) een schuld bij hem opbouwen.

De moeilijkheid met betrekking tot Gods vergeving is, dat hij als mij moet zijn om te kunnen vergeven. God is te anders, te ver weg en te heilig om mij zomaar (vanuit de hemel ofzo) te kunnen vergeven. Dat voel je zo aan. Geen mens voelt zich namelijk vergeven als ik niet tegen hem persóónlijk zeg dat ik hem vergeven heb.
Het probleem is dat de heilige God dit niet persoonlijk tegen mij kan zeggen. Want als deze God persoonlijk aan mij zou verschijnen, zou ik sterven. Ik kan hem niet aan – hij is te groot.

God wil graag vergeven, maar hij heeft een probleem: hij is te heilig, hij kan het niet persoonlijk aan mij vertellen. Maar het blijft noodzakelijk: voor vergeving zijn én liefde én nabijheid noodzakelijk.

“Maar”, zul je vragen, “God kon in het Oude Testament het volk Israël toch wel gewoon vergeven? Daarvoor hoefde hij toch niet naar beneden te komen? Haalt dat, David, je stelling van noodzakelijke nabijheid niet omver?”

Nee. Want het is niet waar. God moest wel degelijk naar beneden komen om zijn volk te kunnen vergeven. Hij woonde namelijk onder zijn mensen: in de tabernakel, later in de tempel in Jeruzalem. En moest de hogepriester niet één keer per jaar (Grote Verzoendag) de tempel binnengaan, naar het zogenaamde ‘heilige der heiligen’ (dus naar Gód zelf!) om vervolgens námens God het volk te kunnen vergeven? Nabijer dan op deze manier kon God op dat moment niet bij de mensen komen.
Ook in het Oude Testament is het voor God noodzakelijk dichtbij zijn geliefde mensen te komen, om hen te kunnen vergeven.

En daarom kan Jezus Christus mijn zonden vergeven. Hij is de Zoon van God, maar hij besloot van vlees en bloed te worden, zoals ik dat ook ben.
Met dezelfde liefde die zijn Vader voor mensen heeft, stapt(e) hij recht op mensen af. En door die nabijheid kan hij mensen vergeven, en kunnen mensen, onder wie ik zelf, zijn vergeving ook accepteren. Jezus is mijn medemens, mijn heilige medemens!

Je zou kunnen zeggen: Jezus is van vlees en bloed wat het heilige der heiligen nog van tentdoeken en stenen was. Jezus brengt heel dichtbij wat in het Oude Testament nog behoorlijk afstandelijk was: God zelf.
Alleen de hogepriester mocht naar God in het ‘heilige der heiligen’, het volk moest buiten blijven. Maar bij Jezus is het anders: werkelijk iedereen mag naar hem toe. Gods nabijheid ervaren, zijn liefde proeven, en zijn vergeving accepteren.

God heeft zijn probleem op een voortreffelijke en geheimzinnige wijze opgelost!

Hebreeën 2, 17 Daarom moest Jezus Christus in alles gelijk worden aan zijn broeders en zusters; alleen dan zou hij in aangelegenheden tussen God en zijn volk een barmhartige en betrouwbare hogepriester zijn, die verzoening bewerkt voor hun zonden.