Het zou zijn eerste zware ‘klus’ worden. En hij zag er tegenop zoals een heuvel tegen een berg moet opkijken. Gistermiddag was hij gebeld. Of hij langs wilde komen bij broer Gerritsen, een boer en een van de 64 leden van zijn gemeente.
Nog geen vier maanden geleden had hij intrede gedaan in zijn gemeente, ergens in de Noordoostpolder. Want, zo had hij gezegd, hij wilde klein en rustig beginnen. Langzaam toegroeien naar een volwaardig en ervaren pastor. Maar nu was hij gebeld.
B(r)oer Gerritsen kreeg een onthutsend bericht te verwerken. Hij was failliet verklaard. Alles wat hij had, was verbeurd verklaard. Zijn schuren vol koeien en varkens, zijn vorig jaar gekochte melkmachines, de torenhoge silo die je al van ver kon zien, de vier traktoren waarop hij zo trots was, de grond – werkelijk alles was hij kwijt. De wereldwijde financiële crisis had ook zijn bedrijf getroffen.
Het enige wat hij overhield, was zijn huisje dat in het niet viel bij zijn schuren en grond.
Of hij langs wilde komen. Het angstzweet was hem vanmorgen, toen hij wakker werd, uitgebroken. “Wat moet ik hem in de lieve vrede vertellen?” was de vraag die hem om de vijf minuten overviel. Hij dacht aan zijn colleges pastoraat. Dat je mensen moet bijstaan in tijden van rouw en verlies, dat wist hij wel. Maar hoe doe je dat? vroeg hij in gedachten – bijna kwaad – aan zijn docent praktische theologie. “Had hij mij dát maar geleerd!”
Hij kon niets anders dan bidden. “Heer, help mij de juiste woorden te vinden.” En: “Laat uw broer Gerritsen de woorden die ik uitspreek, alstublieft accepteren.”
Al biddend was hij op zijn fiets gestapt en richting boerderij Gerritsen vertrokken. Hij voelde zijn hart in zijn keel bonzen, wat hij probeerde te vertragen door langzamer te gaan fietsen. Maar zijn hartslag nam toe naarmate hij dichter bij zijn bestemming kwam.
Aangekomen op het erf van Gerritsen, stapte hij van zijn fiets en met een trillende hand trok hij even later aan de bel. Na tien seconden (het leken wel tien minuten) werd de deur langzaam opengedaan. Ze keken elkaar aan, met blikken die niets wilden verraden. “Kom binnen, pastor”, zei Gerritsen zachtjes.
Samen liepen ze de kleine woonkamer in. De pastor keek naar een plek waar hij zometeen kon gaan zitten. Hij wachtte af wat Gerritsen zou zeggen. Maar in plaats van “Neemt u gerust ergens plaats, pastor” droeg Gerritsen hem op met hem mee te gaan. De pastor gehoorzaamde en liep achter zijn pastorant aan. Naar de achterdeur, een groene, een geval dat uit een onder- en bovenhelft bestaat.
Net voordat de pastor een pastorale vraag wilde stellen (”Hoe gaat het nu met u?”), was Gerritsen hem voor. Hij gooide de bovenste helft van de deur met een zwiep open, keek naar buiten, vervolgens naar de pastor en zei: “Pastor, ik ben alles kwijt, werkelijk alles kwijtgeraakt, maar kijk eens met mij mee naar buiten. Ziet u wat ik zie?” De pastor knikte, maar fronste zijn wenkbrauwen tegelijkertijd. Hij begreep zijn broer niet.
Gerritsen las het onbegrip van het gezicht van zijn pastor af, en zei: “Begrijpt u het dan niet, mijn pastor?” En met een gebroken en tegelijk triomfantelijke stem: “Ik ben m’n hele bedrijf kwijt, maar waar wij nu ook maar heen kijken… dat blijft voor ons over!”
“Dank u, Heer”, was het enige dat de pastor die morgen nog heeft gezegd.
Genesis 1, 28 God zegende hen [de mensen] en zei tegen hen: ‘Wees vruchtbaar en word talrijk, bevolk de aarde en breng haar onder je gezag: heers over de vissen van de zee, over de vogels van de hemel en over alle dieren die op de aarde rondkruipen.’


