Archief van april, 2009

Gisteren schreef ik een blog waarin ik met enige realiteitszin constateerde dat verreweg de meeste Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) er niet in slagen aanlokkelijke kerken te zijn voor niet-christenen en randkerkelijken.

Ik zeg natuurlijk niet dat deze kerken bewust mensen uit de kerk houden, want dat is niet zo. Ik ken veel broers en zussen die zo graag zouden willen dat ook de Boogkerk in Amersfoort-Hoogland (waar ik kerk) een aansprekende kerk voor niet-christenen is!

Waar ik wel van overtuigd ben, is het gegeven dat het geestelijk klimaat in de GKv te wensen overlaat (door ‘oudste zonen’, en matige, kwaliteitsloze en irrelevante verkondiging die teveel toegespitst is op de vrijgemaakte hoorder). Het kost m.i. teveel tijd om harten te veranderen in harten van vlees, waardoor broers en zussen werkelijk bereid zijn hun stoeltje in de kerk op te geven.

Terwijl het natuurlijk hierom gaat:

1 Timoteüs 2, 2-4 Bid voor alle koningen en gezagsdragers, opdat we rustig en ongestoord kunnen leven, in alle vroomheid en waardigheid. Dat is goed en welgevallig in de ogen van God, onze redder, die wil dat alle mensen worden gered en de waarheid leren kennen.

Als wij werkelijk willen dat ‘alle mensen worden gered’ en dat die mensen ‘de waarheid leren kennen’, dan moet het volgens mij anders. Dit is het alternatief, waarvan ik geloof dat God het wel zegenen.

De bestaande traditionele GKv’s houden op missionair te willen/moeten zijn. Want het lukt hen niet (uitzonderingen daargelaten) om de niet-christen in de kerk te krijgen. Gewoon nuchter constateren. Veel vrijgo’s schamen zich ook voor hun kerk. Alleen al vanwege de nietszeggende studeerkamerpreken weigeren zij mensen mee te nemen.
Het gevolg van deze mislukkingen is dat er frustraties optreden onder kerkleden die wel graag zouden willen dat het lukt. En frustraties leiden nergens toe.

Ik stel daarom voor dat deze GKv’s moederkerken worden. Ze worden moeder van dochters. Concreet: een bestaande kerk stelt mensen, kerkplanters, aan die zij de volle ruimte en verantwoordelijkheid geven een nieuwe kerk te stichten in het dorp of in de plaats waar de moederkerk staat. De moederkerk ondersteunt deze nieuwe dochterkerk met de drie g’s: gebed, geld en geduld.

Deze dochterkerk waakt ervoor de bestaande, de wellicht verstarde en gedateerde tradities en gewoonten van ‘moeder’ mee te nemen. Ze biedt een ‘thuis’ aan de nieuwe (rand)gelovigen die zich volop serieus genomen voelen. De dochterkerk wordt hún kerk.
De kerkplanters stellen één voorwaarde: het evangelie, het goede nieuws van God, wordt er serieus en vol geloof verkondigd.
Over de vormen denken ze samen met de nieuwe mensen mee. Vanaf dag één wordt dan ook feedback gevraagd aan de nieuwelingen.

Zo zie ik toekomst voor de GKv. En ik ben ervan overtuigd dat God zelf hier achter staat, getuige 1 Timoteüs 2, 4. Hij wil dat alle mensen worden gered en de waarheid aannemen. En elk jaar dat bestaande GKv-kerkenraden vergaderen, lezen, ploeteren en gefrustreerd moeten concluderen dat er weer geen niet-christen zich aan de gemeenschap heef aangesloten, is een verloren jaar. Daarin sterven namelijk mensen die niet van God hebben gehoord.

Ik kan me voorstellen dat predikanten (en kerkleden) die dit lezen, verdrietig of misschien wel boos worden. Want dit betekent dus dat zij lid zijn van een kerk die er niet in slaagt aansprekend voor de niet-christen te zijn.
Ja, dat is zo. Maar verdriet of boosheid veronderstelt een verloren, minderwaardige positie. Alsof je een minderwaardigheidscomplex opbouwt naar aanleiding van de nieuw te stichten dochterkerk. Maar dat is de bedoeling niet.

Het zou m.i. van karakter en lef getuigen wanneer ‘moeders’ zichzelf verliezen aan hun ‘dochters’. Zoals Jezus Christus zijn hemelse positie en waardigheid opgaf om zichzelf aan de wereld te geven: Filippenzen 2, 5-8.
Goede, christelijke ‘moeders’ laten hun ‘dochters’ los in de wereld. Maar ze blijven ‘moeder’! Vol trots, genot en liefde (om te geven).
Het is net als in de ‘normale’ wereld. Welke moeder is niet trots op haar dochter die dingen doet waartoe ze zelf (door allerlei omstandigheden) niet meer in staat is?

En o ja, voor de mensen die denken dat ikzelf aan de zijlijn blijf staan om lekker op de kerk te kunnen afgeven:

1. God kent mij en mijn verlangen naar hem en zijn koninkrijk. En ik wil niet tegen God zeggen dat ik wel wilde dat er anderen in zijn koninkrijk kwamen, maar dat ik helaas niet verder kwam dan de lees- en vergaderfase.
2. Afgeven is wel degelijk wat anders dan zelfkritisch zijn.
3. De Gkv moeten bereid zijn de prijs te betalen (ook letterlijk!) voor decennialang gepraktiseerde zelfgenoegzaamheid. Je geeft je eigen kerk niet op, wanneer je dochterkerken sticht en onderhoudt.
4. Ik wil mij net als Vader, die inderdaad ook Vader van de kerk is, ontfermen over de vele ‘jongste zonen’ die jaren geleden de kerk de rug hebben toegekeerd en nu werkelijk nergens een ‘thuis’ aangeboden krijgen om hun geestelijke honger te stillen. Maar om daarvoor eerst op de ‘oudste zonen’ te moeten inpraten, vind ik verspilde energie. Eerst de ‘jongste zonen’ voor het feestmaal uitnodigen en ze ervan laten genieten!
5. Ik ben van harte bereid en er volop mee bezig om zo’n kerkplanter te worden, op gereformeerde grondslag. En betekent reformatie niet in de eerste plaats hervorming? Láát me a.u.b. gereformeerd zijn.

Het is een probleem waarmee veel predikanten in mijn kerkverband worstelen (hoop ik). Een uitzondering daargelaten, de meesten zullen het zich geregeld vertwijfeld (moeten) afvragen: “Hoe krijg ik niet-christenen de gereformeerde kerk in?”

De ene dominee droomt hardop op de kansel, een ander leest het ene gemeenteopbouwboek na het andere, weer een ander meent vooral bezig te moeten zijn met “interne zending” en gooit zo op “vrome” wijze de handdoek in de ring.
En zijn kerk loopt langzaam leeg, vergrijst en bloedt langzaam dood.

De niet-christen wordt niet bereikt en in verreweg de meeste gereformeerde kerken binnen mijn kerkverband is het aantal volwassendopen in de afgelopen vijf jaar op één hand te tellen.

Ik houd me in gedachten (en daden) hier vaak mee bezig, omdat mijn hart ineenkrimpt bij de gedachte dat mensen voor altijd verloren gaan. Jezus’ woorden gelovende.

Die Jezus vertelt een beroemd geworden verhaal. Over een ultiem goede vader en twee verloren zonen. Het staat in Lucas 15, 11-32.
In veel preken over deze gelijkenis wordt uitgebreid stilgestaan bij de eerste verloren zoon die van huis weggaat en uiteindelijk vol liefde, zonder voorwaarden en zelfs zonder spijtbetuigingen door de vader wordt aangenomen. En ze gaan heerlijk eten.

Waar gereformeerd-vrijgemaakte predikanten mijns inziens uitgebreid bij moeten stilstaan is die oudste zoon. Want die vindt het hélémáál niks dat zijn broertje zo liefdevol wordt thuisgehaald.

Zijn vader stapt – net als bij de jongste – op z’n oudste zoon af en vraagt hem wat er is. De zoon antwoordt:

Lucas 15, 29-30 “Al jarenlang werk ik voor u en nooit ben ik u ongehoorzaam geweest als u mij iets opdroeg, en u hebt mij zelfs nooit een geitenbokje gegeven om met mijn vrienden feest te vieren. 30 Maar nu die zoon van u is thuisgekomen die uw vermogen heeft verkwanseld aan de hoeren, hebt u voor hem het gemeste kalf geslacht.”

Ik denk dat menig traditionele kerk, wat ook de mijne is, vele oudste zonen kent. En om in hun harten door te breken, kost veel tijd.
Hoe zijn die zonen (en dochters, niet te vergeten) te typeren?

1. Het zijn kerkgangers en dominees die trouw naar de kerk gaan, wensen dat alles blijft “zoals ik het van huis uit gewend ben” en bij de minste of geringste verandering gaan steigeren, protesteren en afhouden.

2. Het zijn kerkgangers en dominees die zich weinig tot niet bekommeren om het lot van niet-christenen. Die zijn namelijk eigendom van ‘de wereld’, het slechte, waartoe zijzelf als trouwe, gehoorzame oudste zonen niet behoren.
Het lot van jongste zonen zou hun een zorg zijn. Vers 30: “Die zoon van u…”. Kun je nog afstandelijker over je medemens spreken!?

3. Het zijn kergangers en dominees die God menen te kunnen plezieren door hun gedrag. “Nooit ben ik u ongehoorzaam geweest.” Maar ten diepste zijn ze niet op God gericht, maar op zichzelf en hun eigen behoud. “Als ik doe wat God van mij wil, dan heb ik ook recht op beloning van zijn kant!”

Jezus wil het op regels gebaseerde en liefdeloze gedrag van zulke zonen ontmaskeren. En het klinkt hard, maar het is de waarheid: zonen van dit kaliber zijn er erger aan toe dan jongste zonen.
Met de jongste zoon kwam het goed (hij ondervond wat Gods genade inhoudt), maar Jezus geeft het verhaal een open einde wanneer hij de oudste zoon besproken heeft…

Een van de redenen waarom gereformeerd(-vrijgemaakt)e kerken geen nieuwe mensen binnenkrijgen, is onthutsend. Jongste zonen die de kerk ooit verlaten hebben – daarvan barst het in Nederland – moeten er niet aan denken terug te keren naar dat “thuis” met vele oudste zonen met hun moralistische manier van godsdienstig leven, hun typische manier van doen. En terecht – ik zou ook niet terugkeren.

En als je dan ook nog een voorganger hebt die totaal buiten de werkelijkheid staat, die woorden als ‘genade’, ‘gerechtigheid’ en ‘Oude Testament’ gebruikt alsof de hele wereld die dagelijks gebruikt en begrijpt, ja, houd dan maar op. Vergrijs dan maar lekker (of roep de hoorders op tot het krijgen van veel kinderen om de leegloop en vergrijzing te verhullen). Bouw je eigen zondagse feestjes en laat je kerk langzaamaan verloren gaan.
Maar dan ben je ver van Jezus’ evangelie van genade af, en heb je een groot probleem.

Morgen wil ik schrijven over een alternatieve wijze om niet-christenen bij Jezus Christus (en de kerk) te brengen.

[Met dank aan Tim Keller en zijn boekje over de twee verloren zonen: De vrijgevige God.]

In mijn dorp ben je ‘anders’ wanneer je huurt. Het is veel normaler en in ogen van veel van mijn dorpsgenoten beter wanneer je een huis koopt voordat je gaat trouwen. “Want”, wordt dan gezegd, “dan bouw je iets op voor later.” En: “Wanneer je huurt ben je na elke maand je geld kwijt.”

Het is een van de levenslessen die ik van thuis heb meegekregen. Maar mijn vrouw en ik huren, en als het moet tot onze dood. Het zal ons werkelijk een zorg zijn.

(Bijna) ieder kind krijgt er mee te maken: levenslessen van je ouders. Wat onthoud ik van mijn pa en ma? Wat voor wijsheden laten ze achter, mochten ze me eerder verlaten dan ik hen?

Nu ik zelf vader ben, trok ik me vanmorgen deze Bijbelpassage uit Spreuken 4 behoorlijk aan:

Spreuken 4, 1-2

Zonen, luister naar de lessen van je vader,
wees vol aandacht en kom tot begrip.
Wat ik je leer is waardevol,
sla dus mijn onderricht niet in de wind.

Wat ga ik Joram leren? Wat zal hij van mij meenemen en onthouden?

Ik ben ervan overtuigd dat een erfenis, hoe groot ook, Joram geen geluk zal brengen. Het zal zijn liefde voor zijn moeder en mij niet groter maken. Ik denk zelfs dat het hem eerder kwaad op ons zal maken als het daar bij blijft.
Mij wel in ieder geval – ik hoef het geld of de bezittingen van mijn (schoon)ouders niet.
Geld en bezit raakt het hart van een mens wel, maar het kan hem niet vullen met blijvend en bevredigend geluk.

Ik wil wijsheid van mijn (schoon)ouders. En ik wil wijsheid aan Joram geven. Ik ben nog geen 28 jaar, maar ik heb een groot verlangen om een oude, wijze man en vader te worden.

Wat wijsheid is, ligt verborgen in de persoon en daden van Jezus Christus en in de rest van de Bijbel. In het boek Jezus Sirach staat: “Het begin van de wijsheid is ontzag voor de Heer, wie op hem vertrouwt, kreeg haar ingeschapen in de moederschoot.”

Kijk, dat zijn teksten waar ik blij van word. En Joram volgens mij ook. Wat zou ik vervuld worden van blijdschap als Joram ooit dit zou zeggen:

Spreuken 4, 3-6

Ik was mijn vaders beminde zoon,
mijn moeders lieveling.
Mijn vader leerde mij:
‘Laat je hart mijn woorden bewaren,
handel naar mijn richtlijnen, dan gaat het je goed.
Streef naar wijsheid, zoek naar kennis,
wijk niet af van wat ik zeg, vergeet het niet.
Verlaat de wijsheid niet, dan beschermt ze je,
heb haar lief, dan behoedt ze je.

Dit is wijs, man!

Hieronder staan mijn totnogtoe gehouden preken overzichtelijk per Bijbelboek onder elkaar. Voor mezelf, maar ook voor u en jou.

Lees ze gerust door. En gebruik ze eveneens gerust voor Bijbelstudie en/of in kerkdiensten-zonder-predikant. Meld het me in het laatste geval graag wel even.

OUDE TESTAMENT

Genesis

Genesis 3, 8-13 [God zoekt je (op)]

Genesis 4, 1-8 [Gods reactie op jaloezie]

Genesis 6, 1-8 [God, de godenzonen en Gods Zoon]

Genesis 11, 1-9 [God verwart de mensheid]

Genesis 19, 1-29 [Mijn gelukkig lot in het oordeel]

Genesis 29, 14b – 30, 1 [Leegte, leegte en nog eens leegte]

Exodus

Exodus 16, 1-15 en 31 [Wat is dít?! Een preek over genade]

Psalmen

Psalm 27 [De HEER slaat mijn angsten om]

Psalm 40 [De HEER helpt en helpt en helpt en helpt]

Psalm 46 [Veilig bij de God-met-CV]

Psalm 49 [De leugen van de rijkdom]

Psalm 63, 1-4 [Verspil je leven niet!]

Psalm 119, 11 [Uw woord heb ik in mijn hart geborgen]

Psalm 145 [Over onze HEER raak je met elkaar niet uitgezongen!]

Spreuken

Spreuken 30, 7-9 [Biddag 2010: Het gebed van Agur]

Jesaja

Jesaja 6, 1-7 [De driemaal heilige God laat zich kennen]

Jesaja 66, 1-4 [Gods huis heeft geen dak]

Micha

Micha 6, 8 [Levensles voor de mens]

Maleachi

Maleachi 1, 1-5 [Gods onvoorwaardelijke liefde - ook rampzalig buiten de kerk te zien]

NIEUWE TESTAMENT

Matteüs

Matteüs 17, 1-8 [Genieten van de glorie van Jezus]

Matteüs 21, 1-11 [Jezus - meer dan een magistrale ceremoniemeester]

Matteüs 28, 16-20 [Jezus heeft alle macht van de wereld]

Lucas

Lucas 3, 1-7 [Bereid je voor op Jezus, de Heer en redder van de wereld]

Lucas 4, 14-30 [Het doel van Jezus' leven maakt je vrij... of woedend]

Lucas 10, 25-37 [Het verhaal van Jezus, de barmhartige Samaritaan]

Lucas 13, 22-30 [Het bevrijdende risico van discussiëren met Jezus]

Johannes

Johannes 12, 23-26 [Sterven, je leven haten en Jezus volgen... waarom?]

Johannes 17, 1-5 [Het grote verlangen van en naar Jezus]

Johannes 20, 8-10 [Jezus is opgestaan uit de dood - hij moest wel]

Johannes 21, 7-13 [Jezus geeft wat hij van je vraagt]

Handelingen

Handelingen 1, 6-12 [Twee gedachten bij die absurde hemelvaartsdag]

Handelingen 2, 37-40 [Pinksteren: een aantrekkelijke confrontatie]

Handelingen 17, 22-31 [Hoe kan ik niet-christenen benaderen?]

Handelingen 26, 24-29 [Ik geloof het wel]

Romeinen

Romeinen 8, 31-32 [De heerlijke logica van Paulus over God]

Galaten

Galaten 5, 1 [Christenen zijn vrije mensen, maar houden ze stand?]

Galaten 5, 19-25 [Vechten tegen mijn en genieten van Gods natuur]

Efeziërs

Efeziërs 1, 4-6 [Uitgekozen, voorbestemd en ons grote doel]

Efeziërs 1, 13-14 [Gered van de k.l.a.s., dus veilig en zeker naar God]

1 Johannes

1 Johannes 4, 16-18 [God is liefde]

Openbaring

Openbaring 21, 1-8 ["Ik maak alles nieuw!"]

HEIDELBERGSE CATECHISMUS

Zondag 8 + Jesaja 29, 22 – 30, 5 [Het voordeel van onze drie-enige HEER]

Zondag 13 [Jezus neemt ons gek genoeg aan]

Zondag 14 [God wil op een ongelooflijke manier bij ons zijn]

Zondag 15 [Jezus: onze lijdende broer]

Zondag 31 [Blijf (kritisch) luisteren naar het hart van de verkondiging]

Johannes ziet op Paaszondag een merkwaardig graf. Een opgeruimd graf. En wanneer hij dat ziet, gelooft hij.

Johannes 20, 8 Toen ging ook de andere leerling, die het eerst bij het graf gekomen was, het graf in. Hij zag het en geloofde.

Je zou achter dat laatste zinnetje de volgende woorden kunnen plaatsen: ‘nu pas!’ Johannes en Petrus geloven nu pas dat Jezus wel uit de dood moest opstaan. Want:

Johannes 20, 9 Want ze hadden uit de Schrift nog niet begrepen dat hij uit de dood moest opstaan.

Dus: uit het Oude Testament (de Schrift van toen) valt al te begrijpen dat Jezus de dood achter zich zou laten. Let op: er staat begrijpen, niet gelezen. Er is namelijk niet één tekst te vinden waaruit blijkt dat Jezus uit de dood moest opstaan.

In de preek van gistermiddag passeerde enkele Schriftgedeeltes de revue. Laat ik nu een ander gedeelte pakken.

Lees meer »

Net kreeg ik een mailtje van iemand uit de gemeente van Amersfoort-De Horsten. Daar mocht ik vanmiddag namelijk een zogenaamde vriendendienst leiden. Dat wil zeggen: een dienst die bedoeld is om niet-christelijke vriend(inn)en mee naartoe te nemen. Nu vind ik het werkelijk een open deur én een Bijbelse plicht dat elke dienst een vriendendienst moet zijn.
En het gegeven dát deze diensten bestaan geeft wel aan hoe het met de kwaliteit van onze kerken en predikanten gesteld is, en dat doet me pijn, maakt me boos en als ik niet oppas moedeloos.

Maar goed, gewoon doorgaan. God laat de kerk toch niet vallen.

In het mailtje schreef ze dat ze een paar vrienden had meegenomen. Ze konden het goed volgen, maar vonden me op een bepaald moment te snel gaan. Met vier voorbeelden probeerde ik aan te tonen dat het Oude Testament al laat zien dat Jezus Christus wel uit de dood móest opstaan.

Achteraf vind ik dat ik dat inderdaad te snel heb gedaan. Daarom beloof ik er in mijn volgende blog(s) wat uitgebreider op terug te komen. In het kort gezegd komt het hier op neer: leer God de Vader kennen in het Oude Testament, en het is niet meer dan logisch dat hij Jezus Christus, zijn eigen Zoon, op Paaszondag uit de dood wakker maakt. God is een levende God, dús maakt hij zijn Zoon wakker. Om eeuwig te leven.

Ook schreef ze dat haar vrienden niet van lezen houden. Of ik misschien een tip had om de Bijbel op een andere manier te ‘lezen’ dan ‘m gewoon te lezen.
Eh nee, die is er niet. Maar als ik nu ’s zeg dat er geen boek op aarde te vinden is die zo diep wil gaan als de Bijbel… zou je het dan op z’n minst niet willen proberen? Als het waar is dat God zelf zich in dit boek en in de hoofdpersoon Jezus Christus aan de wereld bekendmaakt, dan is het op z’n minst een poging waard.

Maar ik zeg daar meteen bij: zoek goede hulp. Het is geen simpel boek. Omdat God natuurlijk ook niet simpel is.
Wil je een Bijbelleestip van mijn kant, klik hier. Leuk om samen te doen. Je blijft aan het strepen in je Bijbel :) .

De preek van vanmiddag is hieronder (na) te lezen. Kom gerust met je vragen…

Johannes 20, 8-10 Amersfoort-De Horsten 12042009

Wie bij een rouwsamenkomst aanwezig is, hoort het vaak gezegd worden: “Hij was een goed mens!” Zo wordt het leven van een overleden dierbare vaak samengevat. Want: over de doden niets dan goeds.

Een van de meest opmerkelijke uitspraken die gedaan zijn tijdens en na Jezus’ martelgang op Golgota, komt uit de mond van een Romeins hoofdofficier. Wanneer hij Jezus de laatste adem hoort uitblazen, zegt hij op basis daarvan:

Marcus 15, 39 “Werkelijk, deze mens was Gods Zoon!”

Dat vind ik vreemd, en ik vraag me af: hoe heeft Jezus zijn laatste adem dan uitgeblazen? Marcus schrijft dat Jezus een luide kreet slaakte (”Het is volbracht”, vermoed ik op basis van Johannes’ beschrijving) en dat Jezus daarna de laatste adem uitblies.
Hoe dat geklonken heeft is me een raadsel, maar het heeft de Romein zeer geïmponeerd.

Vroeger interpreteerde ik de uitspraak van de beste man positief. Ik dacht: Hé, een buitenlander die tot geloof komt, dat is mooi!
Maar wanneer ik er dieper over nadenk, verandert mijn positieve gevoel in het gevoel dat ik krijg bij een ‘normale’ rouwsamenkomst: “Ja echt, hij was een goed mens…”

Oké, hij waardeert Jezus als “Gods Zoon”, maar wat kon die Romein weten van de God van Israël? Kende hij het Oude Testament? Natuurlijk niet. Als een Romein iemand Gods Zoon noemt, is dat volgens mij vergelijkbaar met iemand die Luis Suárez een zoon van god, een godenzoon, noemt. Het is een oppervlakkige betiteling zonder diepgang.

En dan nog iets. De man zegt: “Hij was Gods Zoon.” Oftewel: hij vindt Jezus zeer bijzonder, hij heeft ook een bijzondere titel voor hem over, maar nu is die Zoon van God wel dood! Het is einde verhaal voor Gods Zoon. “Hij wás een goed mens!”
En de officier ging weer naar huis, stel ik me voor.

De Romein heeft het bijna goed. Hij vertelt bijna goed nieuws. Want wie deze Jezus kent, wie de God van de hele Bijbel kent, die zegt tijdens en zelfs na het sterven van Jezus: “Werkelijk, deze mens is Gods Zoon.”

Mijn HEER, Jahwe kennende, kan Golgota geen ‘einde verhaal’ betekenen…

Gisteren las ik bij toeval een stuk uit het onbekende Bijbelboekje Zacharia. Ik denk ook te weten waarom het zo onbekend is: het is moeilijk. Het kost je wel wat studietijd.

Zacharia krijgt van God de opdracht het volk Israël als een schaapherder te weiden. Waarom? Omdat de ‘normale’ herders niet deugen. Ze brengen de schapen van God de herder af.
Zacharia gebruikt twee stokken die hij ‘Eenheid’ en ‘Vriendelijkheid’ noemt. Dus hij begint namens God volop positief aan zijn carrière als herder, vol vertrouwen op een goede afloop.

Maar na een tijdje kan het vee – Israël – Zacharia wel uitkotsen. En Zacharia stopt er vervolgens ook mee. Hij slaat de staf ‘Vriendelijkheid’ aan stukken, en is dus niet meer vriendelijk. Namens God verbreekt Zacharia het verbond dat God met Israël en alle volken (jaja, het gaat dus ook om mij) gesloten had.

De veehandelaars zien Zacharia dit doen, en ze hebben door dat hij dit in opdracht van de HEER doet. Cynisch vraagt Zacharia aan hen: “Als je tevreden over mijn herderschap bent, keer me dan mijn loon uit – en anders laat je dat geld maar zitten.

En let dan op wat er gebeurt. Zacharia 11, 12.

Zacharia 11, 12b En ze betaalden mij mijn loon uit, dertig sjekel zilver.

Wie de Bijbel kent, fronst zijn wenkbrauwen. Dertig zilverstukken?
Daarmee kopen de mensen Zacharia, de profeet van God, af. Oftewel: ze vinden God zelf dat bedrag waard.
God reageert vervolgens op deze deal:

Zacharia 11, 13-14 Toen zei de HEER tegen mij: ‘Breng het maar naar de smelter, dat vorstelijke loon dat zij me waard vinden.’ [Hier zie je cynisme en kwaadheid bij God, DH] Dus smeet ik dat zilver bij de smelter in de tempel neer, en ik sloeg ook mijn andere staf, Eenheid, in stukken, om de broederschap tussen Juda en Israël te verbreken.

Een paar eeuwen later vinden de leiders van Israël de Zoon van God exact hetzelfde bedrag waard.

Matteüs 26, 15 [Judas vraagt:] ‘Wat krijg ik van u als ik hem ]Jezus] aan u uitlever?’ Ze betaalden hem dertig zilverstukken.

Het is geen toeval.
Veel mensen op deze wereld vinden God en Jezus geen stuiver waard. Ze geven niets om hem. Anderen – waaronder ook veel christenen – hebben er wekelijks of jaarlijks een bepaald bedrag (plus een dosis vroom gedrag) voor over.
Maar vraag het Jezus zelf en je krijgt een onthutsend antwoord. “Jezus, hoeveel is God je waard?” En hij zal zeggen: “Alles! Voor hem heb ik zelfs mijn eigen leven over.”

En zo gebeurde, op Golgota, aan dat kruis, op die Goede Vrijdag.

De prangende vraag voor de wereld, dus ook voor mij, moet dan ook luiden: “Hoeveel is God mij waard?”