Gisteren schreef ik een blog waarin ik met enige realiteitszin constateerde dat verreweg de meeste Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) er niet in slagen aanlokkelijke kerken te zijn voor niet-christenen en randkerkelijken.
Ik zeg natuurlijk niet dat deze kerken bewust mensen uit de kerk houden, want dat is niet zo. Ik ken veel broers en zussen die zo graag zouden willen dat ook de Boogkerk in Amersfoort-Hoogland (waar ik kerk) een aansprekende kerk voor niet-christenen is!
Waar ik wel van overtuigd ben, is het gegeven dat het geestelijk klimaat in de GKv te wensen overlaat (door ‘oudste zonen’, en matige, kwaliteitsloze en irrelevante verkondiging die teveel toegespitst is op de vrijgemaakte hoorder). Het kost m.i. teveel tijd om harten te veranderen in harten van vlees, waardoor broers en zussen werkelijk bereid zijn hun stoeltje in de kerk op te geven.
Terwijl het natuurlijk hierom gaat:
1 Timoteüs 2, 2-4 Bid voor alle koningen en gezagsdragers, opdat we rustig en ongestoord kunnen leven, in alle vroomheid en waardigheid. Dat is goed en welgevallig in de ogen van God, onze redder, die wil dat alle mensen worden gered en de waarheid leren kennen.
Als wij werkelijk willen dat ‘alle mensen worden gered’ en dat die mensen ‘de waarheid leren kennen’, dan moet het volgens mij anders. Dit is het alternatief, waarvan ik geloof dat God het wel zegenen.
De bestaande traditionele GKv’s houden op missionair te willen/moeten zijn. Want het lukt hen niet (uitzonderingen daargelaten) om de niet-christen in de kerk te krijgen. Gewoon nuchter constateren. Veel vrijgo’s schamen zich ook voor hun kerk. Alleen al vanwege de nietszeggende studeerkamerpreken weigeren zij mensen mee te nemen.
Het gevolg van deze mislukkingen is dat er frustraties optreden onder kerkleden die wel graag zouden willen dat het lukt. En frustraties leiden nergens toe.
Ik stel daarom voor dat deze GKv’s moederkerken worden. Ze worden moeder van dochters. Concreet: een bestaande kerk stelt mensen, kerkplanters, aan die zij de volle ruimte en verantwoordelijkheid geven een nieuwe kerk te stichten in het dorp of in de plaats waar de moederkerk staat. De moederkerk ondersteunt deze nieuwe dochterkerk met de drie g’s: gebed, geld en geduld.
Deze dochterkerk waakt ervoor de bestaande, de wellicht verstarde en gedateerde tradities en gewoonten van ‘moeder’ mee te nemen. Ze biedt een ‘thuis’ aan de nieuwe (rand)gelovigen die zich volop serieus genomen voelen. De dochterkerk wordt hún kerk.
De kerkplanters stellen één voorwaarde: het evangelie, het goede nieuws van God, wordt er serieus en vol geloof verkondigd.
Over de vormen denken ze samen met de nieuwe mensen mee. Vanaf dag één wordt dan ook feedback gevraagd aan de nieuwelingen.
Zo zie ik toekomst voor de GKv. En ik ben ervan overtuigd dat God zelf hier achter staat, getuige 1 Timoteüs 2, 4. Hij wil dat alle mensen worden gered en de waarheid aannemen. En elk jaar dat bestaande GKv-kerkenraden vergaderen, lezen, ploeteren en gefrustreerd moeten concluderen dat er weer geen niet-christen zich aan de gemeenschap heef aangesloten, is een verloren jaar. Daarin sterven namelijk mensen die niet van God hebben gehoord.
Ik kan me voorstellen dat predikanten (en kerkleden) die dit lezen, verdrietig of misschien wel boos worden. Want dit betekent dus dat zij lid zijn van een kerk die er niet in slaagt aansprekend voor de niet-christen te zijn.
Ja, dat is zo. Maar verdriet of boosheid veronderstelt een verloren, minderwaardige positie. Alsof je een minderwaardigheidscomplex opbouwt naar aanleiding van de nieuw te stichten dochterkerk. Maar dat is de bedoeling niet.
Het zou m.i. van karakter en lef getuigen wanneer ‘moeders’ zichzelf verliezen aan hun ‘dochters’. Zoals Jezus Christus zijn hemelse positie en waardigheid opgaf om zichzelf aan de wereld te geven: Filippenzen 2, 5-8.
Goede, christelijke ‘moeders’ laten hun ‘dochters’ los in de wereld. Maar ze blijven ‘moeder’! Vol trots, genot en liefde (om te geven).
Het is net als in de ‘normale’ wereld. Welke moeder is niet trots op haar dochter die dingen doet waartoe ze zelf (door allerlei omstandigheden) niet meer in staat is?
En o ja, voor de mensen die denken dat ikzelf aan de zijlijn blijf staan om lekker op de kerk te kunnen afgeven:
1. God kent mij en mijn verlangen naar hem en zijn koninkrijk. En ik wil niet tegen God zeggen dat ik wel wilde dat er anderen in zijn koninkrijk kwamen, maar dat ik helaas niet verder kwam dan de lees- en vergaderfase.
2. Afgeven is wel degelijk wat anders dan zelfkritisch zijn.
3. De Gkv moeten bereid zijn de prijs te betalen (ook letterlijk!) voor decennialang gepraktiseerde zelfgenoegzaamheid. Je geeft je eigen kerk niet op, wanneer je dochterkerken sticht en onderhoudt.
4. Ik wil mij net als Vader, die inderdaad ook Vader van de kerk is, ontfermen over de vele ‘jongste zonen’ die jaren geleden de kerk de rug hebben toegekeerd en nu werkelijk nergens een ‘thuis’ aangeboden krijgen om hun geestelijke honger te stillen. Maar om daarvoor eerst op de ‘oudste zonen’ te moeten inpraten, vind ik verspilde energie. Eerst de ‘jongste zonen’ voor het feestmaal uitnodigen en ze ervan laten genieten!
5. Ik ben van harte bereid en er volop mee bezig om zo’n kerkplanter te worden, op gereformeerde grondslag. En betekent reformatie niet in de eerste plaats hervorming? Láát me a.u.b. gereformeerd zijn.