Archief van juni, 2009

Hoewel het vaak wordt gezegd, is de kerk van het Nieuwe Testament niet op één lijn te stellen met de tempel uit het Oude Testament. De kerk is grootser!

Paulus zegt namelijk dat iedere christen een tempel van de heilige Geest is (1 Korintiërs 6, 19). Dat betekent dus dat er in een kerk van – laten we zeggen – 150 christenen ook 150 tempels zijn (ervan uitgaand dat men de Geest ook graag in de tempel toelaat). De kerk bestaat uit soms grote aantallen geestelijke tempels.
Dat maakt van kerkdiensten dan ook bijzondere gebeurtenissen. Ik kan me namelijk in de verste verte niet voorstellen dat God zelf niet dichtbij zijn geestelijke tempels wil zijn, wanneer hij wordt aanbeden en grootgemaakt.

De kerkdienst is een heilig gebeuren, omdat God zelf zich er bekendmaakt. Dat zegt koning David bijvoorbeeld wanneer hij in de woestijn aan de tempel terugdenkt.

Psalm 63, 3

In het heiligdom heb ik u gezien,
uw macht en majesteit aanschouwd.

Toch denk ik dat een eenzijdig beeld vertoond wordt, wanneer we de kerk alleen vanuit Gods heiligheid (en macht en glorie) bekijken.
Wat ik in mijn eigen kerk namelijk vaak mis, is een soort gezelligheid, een warme huiselijkheid. En door dat gebrek krijgt de ‘heilige sfeer’ iets vervelends en formeels. Alsof de heiligheid van God op de mensen drukt. (Gisteren zag ik bijvoorbeeld een vader tijdens de collecte met een diepe frons z’n vrolijke zoon bij de arm grijpen; en ik kon zijn ’ssst!’ horen!)

Overdreven opgelegde heiligheid heeft er ook voor gezorgd dat menig kerkganger moeite heeft met humor en grappen. “Dat is cabaratesk gedrag, en dat past niet bij de heilige God”, hoor je dan. Dat vind ik baarlijke nonsens (vergeef me deze uitdrukking, ik wil er iemand nu alleen een plezier mee doen)!

Die huiselijkheid lijkt misschien te vloeken met Gods heiligheid, maar mijns inziens hoeft dat helemaal niet zo te zijn.

Ik kijk bijvoorbeeld op tegen Dennis Bergkamp en Jari Litmanen. Door hun uitzonderlijke voetbaltalenten, die doorspekt zijn met inzicht en voetbalgogme (term van Van Gaal). Ik zou de twee graag eens persoonlijk, bijvoorbeeld bij hen thuis, willen spreken. Dat lijkt me spannend. En het lijkt me dan ook zeer geruststellend wanneer zij tegen mij zouden zeggen: “David, doe maar net alsof je thuis bent, hoor!”

De Bijbel zegt dit ook van de tempel en de kerk. Dat gevoel dat je bij God thuis bent, ondanks (of juist vanwege?) zijn superieure heiligheid en grootheid.

Psalm 84, 4-5

Zelfs de mus vindt een huis
en de zwaluw een nest
waarin ze haar jongen neerlegt,
bij uw altaren, HEER van de hemelse machten,
mijn koning en mijn God.
Gelukkig wie wonen in uw huis,
gedurig mogen zij u loven.

En die vogels schijten wat af, zoals je weet. Om over de zooi onder het nest met jongen nog maar te zwijgen. Nee, doe me dan zo nu en dan maar een leuke grap (als je dat kunt).

Zoals beloofd zou ik de twee preken, die ik vandaag mocht houden, op deze weblog plaatsen.

Vanmorgen mocht ik voorgaan in Alblasserdam, een gemeente van zo’n 150 mensen. Het ging over wat ik noem ‘basic evangelie’. Wat betekent het dat ik door Jezus gered ben? Waarom is dat goed nieuws? En hoe weet ik zeker dat ik door God gered ben en dus bij hem hoor en kom?

Via de link hiernaast kun je de preek (na)lezen: Efeziërs 1, 13-14

Vanmiddag was ik in de Westerkerk in Amersfoort uitgenodigd. Niet denigrerend bedoeld, maar dat is pas een echte ‘preekbak’.
Het onderwerp paste prachtig bij de dienst die daar vanmorgen is gehouden. Toen ging het n.a.v. Psalm 147, 3 over de wonden van de ziel. Vanmiddag concentreerden we ons op de leegte van onze ziel (en het vullen daarvan).

De preek: Genesis 29, 14b-30,1

Ik heb een zeer tevreden gevoel over beide diensten, al ging er ook weer het nodige mis:

- vanmorgen vergat ik de wet voor te lezen (”Nou en!” denkt u? Dat denk ik ook; zie Psalm 1, 2b);
- de organist zet het ‘amen’ in, terwijl ik de zegen nog moet uitspreken;
- mijn spreeksnelheid lag weer lekker vaak veel te hoog (om over het inslikken van woorden nog maar te zwijgen);
- ik beveel de collecte van harte aan, maar heb zelf geen geld bij me;
- gebrek aan pastorale gevoeligheid door m’n gebrek aan levenservaring.

Maar God zag in zijn genade dat het goed was.

Stel, je bent predikant.
Je staat ’s morgens vroeg op en je doet de gordijnen open. Je ziet dat het miezert en aan het grijze wolkendek te zien zal het wel de hele dag duren. Je voelt je er wat down door. Je gaat vervolgens naar beneden, maar struikelt over de was die je vrouw op de vloer heeft neergelegd. Beneden staat het ontbijt nog niet klaar. Bovendien zijn je drie kinderen zo druk als een op hol geslagen kudde koeien.

’s Middags breng je een pastoraal bezoek aan een gemeentelid in het ziekenhuis. Het gesprek loopt voor geen meter, je komt niet op passende Bijbelteksten en het gemeentelid zegt telkens dat je hem maar niet begrijpt.

’s Avonds kom je thuis en tot je frustratie zijn je kinderen nog drukker dan vanmorgen. Je vrouw is prikkelbaar (je geeft haar een zoen die zo kort duurt dat-ie bij nadere analyse meer weg heeft van een stroomstoot), het eten is niet lekker (en je vrouw krijgt dat op cynische wijze van je te horen) en je ziet als een berg tegen de afwas op.
Het verdere verloop van de avond is saai. Er gebeurt niks (omdat er niks op tv is).

Wanneer je ’s avonds in bed kruipt, bid je het volgende gebed:

Gebed 1

“Vader in de hemel, het was een rotdag! Vergeef toch mijn zonden. In Jezus’ naam. Amen.”

Vier dagen later (je bent nog steeds predikant).
Je staat ’s morgens vroeg op en je doet de gordijnen open. Je ziet de zon prachtig aan de hemel staan en je voelt haar stralen je gezicht verwarmen alsof je een massage krijgt. En aan de strakke, blauwe lucht te zien zal het de hele dag wel genieten zijn. Je voelt je heerlijk, zo op de vroege morgen. Je gaat vervolgens naar beneden, en je ziet dat je vrouw in een heerlijk opgeruimde kamer een ontbijtje voor je klaargemaakt heeft. De geur van de koffie en het gezellige, gekookte eitje laten een stralende glimlach op je gezicht verschijnen. Je kijkt naar je kinderen, die heerlijk zitten te genieten van hun boterham met pindakaas. Heerlijk rustig ook.

’s Middags breng je een pastoraal bezoek aan een gemeentelid in het ziekenhuis. En je hebt een gesprek waarmee je de beste pastor – en je weet wie dat is – zeer veel plezier doet. Precies de goede Bijbelteksten schieten je te binnen. En je merkt aan de ogen dat de pastorant gesterkt en vol moed deze dag door gaat komen.

’s Avonds kom je thuis en vol vreugde zie je dat de tafel gedekt staat. Je geeft je vrouw een dikke zoen, een stevige knuffel, en je streelt haar wang op gevoelige wijze (en je zegt zachtjes in haar oor dat je zielsveel van haar houdt). De afwas is gezellig, niet in de laatste plaats omdat de smaak van de lasagne – je lievelingsgerecht – nog aan je gehemelte kleeft.

Wanneer je ’s avonds in bed kruipt, bid je het volgende gebed (met de handen omhoog):

Gebed 2

O, mijn goede en almachtige God en Vader in de hemel. Wat bent u gewéldig groot. Wat moet ik zonder u! In Jezus’ naam aanbid ik u met grote dankbaarheid. Uw naam zij geprezen tot in eeuwigheid. Amen.

Twee gebeden. Ze zijn beide op zichzelf genomen niet fout. Want een christen mag bij God klagen, hem om vergeving vragen. En een christen wil God maar al te vaak grootmaken en aanbidden.

Deze week heb ik mogen leren dat beide gebeden eigen gerechtigheid veronderstellen en blootleggen. Want wie de toenadering tot de heilige God laat afhangen van het weer, van het ontbijt, van het goede gesprek, van het lieve gedrag van je kinderen, kortom: van de kwaliteit van de dag – die minacht God zelf en maakt de naam van Jezus volkomen belachelijk en irrelevant.
Zo’n iemand verspilt Gods genade, gegeven in de komst, de dood, de opstanding en de hemelvaart van Jezus Christus.

Wie in Jezus’ naam bidt, bidt dus vanuit zijn gegeven genade. Dat betekent: de Vader van Jezus Christus houdt van me, accepteert me, maakt me blij en zeker – hoe de dag ook verloopt. Christus’ genade is nooit – never nooit! – afhankelijk van de buitentemperatuur of mijn gemoedstoestand.
En ik moet even kwijt dat ik deze laatste zinnen vol vreugde aan het scherm toevertrouw.

Psalm 138, 6 De HEER is hoogverheven! Naar de nederige ziet hij om,
de hoogmoedige doorziet hij van verre.

[Het prachtige (en heerlijk overdreven) voorbeeld dank ik aan Don Carson, een van de sprekers op het EMA-congres dat ik de afgelopen drie dagen in Londen heb bijgewoond. Het ging hoofdzakelijk over het gebed]

Het is mijn grootste wens om zoveel mogelijk niet-christenen kennis te laten maken met Jezus Christus. Want wie Jezus leert kennen, leert God kennen. En hoe beter je God leert kennen, hoe meer je leven zin krijgt, hoe meer je van hem gaat houden en hoe meer je naar hem en zijn koninkrijk gaat verlangen.

Maar ik wil de ‘gewone’ christen, zo eentje als ik dus, niet vergeten. Want zelfs de beste christen twijfelt wel eens aan God. Daarom is het zo goed om te luisteren naar wat die God allemaal gezegd heeft.
Het moge duidelijk zijn dat Jezus Christus, Gods Zoon, voor maar één ding in deze wereld kwam en rondliep. Jezus zegt: “Je kunt naar mijn Vader toe! Volg mij – zelfs als het je (net als mij) de kop kost – en geloof me op mijn woord, dat bijvoorbeeld Sefanja – een van mijn voorgangers – al verkondigd heeft!”

1. Maar jij twijfelt aan hem en zegt: “Ik kan niet geloven dat de heilige, universele God met mij wil omgaan. Ik bedoel: wie ben ik? Ik ben klein, God is immens groot en heerst over alles en iedereen. Heeft God werkelijk interesse in mij? Heeft hij het niet te druk met mensen bekeren? En met andere grote, belangrijke issues? Wie ben ik dat die God met mij zou omgaan?
En Jezus zal Sefanja 3, 17a aanhalen:

“De HEER, je God, zal in je midden zijn!”

2. Maar jij twijfelt en zegt: “Oké, maar ik heb zoveel vijanden! Alles en iedereen om mij heen zegt dat God niet bestaat, dat hij een egocentrische tiran is, dat de wereld ontstaan is door… van alles en nog wat, behalve door die God, en ze zeggen dat alle godsdiensten hetzelfde zijn. En ik heb zó vaak geen weerwoord!”
En Jezus zal Sefanja 3, 17b aanhalen:

“God, de Heer, is de held die je bevrijdt!”

3. Maar je twijfel houdt aan, en je zegt: “Maar hoe kan ik ooit voor God standhouden. Ik overtreed met de regelmaat van de klok zijn geboden, ik laat hem zo vaak links liggen, vaak zelfs bewust, en nog erger: ik heb er nog lol in ook! Ik voel me geregeld zó zondig!”
En Jezus zal Sefanja 3, 17d aanhalen:

“In zijn liefde zal God zwijgen!” [Echt gebeurd tussen het zesde en negende uur op Golgota]

4. Je gezicht klaart op, maar vervolgens kijk je bedrukt naar Jezus, en je vraagt: “Maar wat moet ik God dan zeggen? Hoe zal ik hem ooit kunnen en moeten bedanken?”
En Jezus zal Sefanja 3, 17c/e aanhalen:

“God zal vol blijdschap zijn, verheugd over jou, [...] in zijn vreugde zal hij over jou jubelen!”

Sefanja 3, 17

De HEER, je God, zal in je midden zijn,
hij is de held die je bevrijdt.
Hij zal vol blijdschap zijn, verheugd over jou,
in zijn liefde zal hij zwijgen,
in zijn vreugde zal hij over je jubelen.

[Met dank aan John Piper en zijn boek The pleasures of God]

Oei, dat klinkt wel als zware kost, zo’n titel. Tenminste, je kunt er boeken over vol schrijven, wat dan ook al gebeurd is.
Hoeveel meer er ook over Gods keuze (voor zijn kinderen) en over zijn genade te zeggen is, vandaag ging het er ‘gewoon’ wel even over.

Eerst in Gorinchem, waar op de Kalkhaven 25 een mooi opgekalefaterd schoolgebouw/kerkje staat. Lekker licht en fris. En… geen orgel! Wat wil je nog meer?
Voor de mensen die de preek n.a.v. Efeziërs 1, 4-6 nog eens willen (na)lezen, klik hier.

Vanmiddag was het korter reizen. Veenendaal ligt een halfuur van huis. In vergelijking met Gorinchem (Gorcum, zo u wilt) een veel grotere gemeente. Het was wel lekker druk voor een middagdienst.
Gods genade stond in het middelpunt, aan de hand van dat glorieuze Godswonder in de woestijn: manna, broodregen, 40 jaar lang. Echt gebeurd, geen sprookje.

Ik vroeg weer eens aan de gemeente of er gebedspunten waren, omdat ik geen punten had opgekregen. Prompt vier vingers de lucht in. Dat was erg leuk.
En het mooiste was nog wel het gebedspunt dat een meisje van een jaar of 8 (denk ik) graag wilde horen. Ze heeft een zachte stem, dus ik liep naar haar toe, boog voorover en toen hoorde ik het: “Dat God gauw terugkomt!”

Ik vind het allang geen wonder meer dat Jezus de kinderen graag zegende.

Klik hier om de preek (na) te lezen.

PS. Nu maar hopen dat ik vandaag (de uren op) de kansel niet verspild heb… :)
Nee hoor, ik weet wel zeker van niet. Ik merkte gewoon dat God de uren direct met zijn zegen bekroonde.

God die mij staat te bezingen. Eerlijk gezegd niet echt een beeld waarmee ik ben opgegroeid. Sterker nog: als ik ooit bij God kom, zal ik hém bezingen. Dat leek me een Bijbelser beeld en uitgangspunt.

Toch had ik ‘t altijd al beter kunnen weten, wanneer ik langer en dieper over Jezus’ bekendste verhaal, De verloren zoons, had nagedacht. Want als in dat verhaal één ding duidelijk wordt, is het wel dat de vader onnoemelijk blij is met de terugkeer van zijn zoon uit het buitenland. Hij doet hem nieuwe kleren aan, een nieuwe ring om, en ze gaan heerlijk vrolijk eten.
De vader vindt het helemaal geweldig dat zijn zoon terug is.

Deze week kreeg ik via via Sefanja 3 voor m’n neus. Ja, Sefanja is een Bijbelboek voor het geval je dacht dat ik Jesaja o.i.d. verkeerd geschreven had :) . Ik zou er niet snel uit mezelf de moeite voor genomen hebben uit dat boekje te gaan lezen. (De ‘kleine profeten’ weiden ver uit over Gods oordelen en dat bezorgt mij ten onrechte (!) vooroordelen.)
Maar in Sefanja staat op een gegeven moment een tekst in die al drie dagen geregeld en in positieve zin door m’n hoofd spookt.

Na een felle oordeelsaankondiging maakt God vanaf Sefanja 3, 9 het uiteindelijke doel van zijn oordeel duidelijk. En dan komt dat schitterende, diepgaande vers 17:

Sefanja 3, 17

De HEER, je God, zal in je midden zijn,
hij is de held die je bevrijdt.
Hij zal vol blijdschap zijn, verheugd over jou,
in zijn liefde zal hij zwijgen,
in zijn vreugde zal hij over je jubelen.

Wat een heerlijk verrassende zin is dit, zeg. God die over mij (en zijn andere kinderen) jubelt. Heerlijk!
En voor mij wordt weer zo heerlijk overduidelijk dat de God van Sefanja exact dezelfde Vader is van Jezus Christus die op zijn beurt graag vertelt over de vader die van en met zijn teruggekeerde zoon geniet van een feestelijke maaltijd.

En tijdens het eten moet gezongen worden.
En de heilige, grote, glorieuze en eeuwige God zegt: “Ik begin!”

Kippenvel, door genade!

Laatst kreeg ik in een groep christenen stevige kritiek toen ik vertelde dat ik merk dat het in onze kerken veel te veel over politiek, huwelijk, media, Darwin en over onze omgang met seks, geld, bezit en elkaar gaat.

Natuurlijk hoor je geregeld het woord ‘God’ voorbijkomen. En natuurlijk zal geen prediker ontkennen dat bijvoorbeeld een preek over het huwelijk, Góds visie op het huwelijk is. Maar ja, denk ik dan, dat doet een christelijke huwelijkstherapeut ook. En wat is dan nog het verschil tussen een prekend theoloog en een christelijke therapeut (of psycholoog of seksuoloog of pedagoog)?

Ik word gek van dat psychologische, maatschappelijke geneuzel met een christelijk sausje. Ik begrijp best dat er in onze maatschappij een schreeuwend tekort is aan christelijke hulpverlening en bijstand, maar om daar nu de kerk(dienst) voor te gebruiken, doet mijns inziens ernstig tekort aan de grootheid van God.

Want om hem gaat het me. Ik wil weten wie God (tot zijn en mijn vreugde) is! Gewoon uit de Bijbel, regel voor regel, vers voor vers, geschiedenis na geschiedenis.

Ik kreeg uit de groep terug dat God álles te maken heeft met alle bovenstaande onderwerpen. Dat hij over alles wat te zeggen heeft.
Dat ontken ik natuurlijk niet. Maar mijn punt is: is in onze kerken God zelf nog wel interessant? Of heeft hij vooral over veel dingen wat te zéggen?
Ik bedoel: hoor je in onze kerken nog preken over zijn perfecties, over zijn glorie, over zijn genade, over zijn vreugde in zichzelf, over zijn relatie met zijn Zoon, over zijn eeuwige liefde, over zijn hemel en ‘zijn’ hel, over zijn heiligheid, over het gegeven dat hij in een ontoegankelijk licht woont, kortom: over wie hij is, en wat hij vanuit zijn hart heeft gedaan en nog steeds doet?

In de kerk zit ik niet te wachten op uitgebreide colleges met als inhoud hoe God over de PVV, over Dancing with the stars, over Gordon, over het huwelijk of over wasmachines denkt.

Met John Piper denk ik dat menig predikant over God zelf is uitgepraat (en dus in clichés vervalt). En dús gaan ze een verdieping lager een beetje ouwehoeren – ik heb er geen beter woord voor – over de dingen die op aarde gebeuren; over dat wat iedereen thuis, op tv en op internet ook zelf kan uitzoeken. En waarom doen ze dat? Omdat ze denken dat de gemeente daarop zit te wachten! “Als ik over God begin, wordt het te moeilijk of haken ze af!”
Kom op zeg, gereformeerden anno 2009 zijn toch niet zó wereldvreemd, naïef en infantiel dat de enige plek waarvandaan ze christelijke psychosociale hulp denken te kunnen krijgen, de kerk of de kansel is?

En wanneer je ziet dat de gemeente afhaakt, niet meer komt opdagen of in slaap valt als jij preekt, stop dan of ga op preekcursus (en verspil je tijd bijvoorbeeld niet met kerkordecursussen, tijdrovende classisvergaderingen en dergelijke inferieure tijdbesteding).
Als ik nu zie en hoor hoe sommige predikers met plaatjes en met allerlei uitgehaalde fratsen interessant proberen te zijn… ik voel dan altijd plaatsvervangende schaamte. Niet dat ik multimediale toepassingen afkeur, tuurlijk niet. Maar je voelt eenvoudig aan wanneer een prediker het mooie plaatje laat zien om het mooie plaatje.
Sorry, maar mooie plaatjes kunnen God zelf niet vervangen.

Ik ga voor Bijbel- en Godcentrische prediking. Niet voor prediking die (min of meer) op de Bijbel of op God gebaseerd is.
En volgens mij ben je een uitermate domme en kleingelovige prediker wanneer je de mooiste, de meest verrassende en de meest geheimvolle inhoud tijdens de kerkdienst links laat liggen: God en zijn gedachten.

(Slik, 3:46 tot 3:56 geldt ook nog veel te veel voor mij! Anders zou ik de Bijbel allang en 13 keer van kaft tot kaft verslonden hebben.
Ongelooflijk dat God zo geduldig met me is.)

Als ik iets als prediker wil bereiken, dan is het wel dat het evangelie landt bij de hoorders. Zowel verstandelijk als emotioneel. In mijn kerkelijke traditie is altijd veel nadruk gelegd op het eerste: het inzicht en het verstand. Zowel bij predikers (luister maar ’s kritisch naar gebeden) als bij gemeenteleden (”Ik neem altijd wel iets mee uit een kerkdienst”).

Neem bijvoorbeeld de vraag waarover elke gereformeerde kerkganger al minimaal 10 preken heeft moeten aanhoren: ‘Wat is waar geloof?’ Antwoord: een zeker weten en een vast vertrouwen.
In negen van de tien gevallen volgt dan een preek die uitleggerig is. Natuurlijk – inkoppertje! – wanneer het over een ‘zeker weten’ gaat. Maar ook wanneer het ‘vast vertrouwen’ aan bod komt, wordt daar zo lang over gepraat dat ik het idee krijg dat het over een verstandelijk vertrouwen gaat. (Zoals je erop kunt vertrouwen dat er elke vijf minuten een vliegtuig opstijgt en landt, omdat je dat nu eenmaal wéét.)

Elke prediker – ik laat de predikers die een vals dilemma tussen gevoel en verstand in stand menen te moeten houden graag buiten beschouwing – wil natuurlijk een bepaald gevoel teweegbrengen. En de manier waarop dat m.i. vandaag de dag gebeurt, hoor je na een intellectuele bespreking terug in zinnen als: “Dat is toch prachtig, gemeente?” En: “Daar word je toch blij van?”

Dat noem ik, met dank aan C.S. Lewis, ‘voorgeschreven gevoelens’.
Je moet als hoorder een bepaald gevoel hebben over God of bijvoorbeeld over het lijden van Jezus Christus. En het komt maar niet. Dat komt doordat het gevoel voorgeschreven wordt. En ‘van een verplichting om iets te voelen kan het gevoel bevriezen’ (Lewis).

Ik wil graag bereiken dat we als gemeente voelen dat het evangelie en dat Jezus Christus waar is, goed is, mooi is en op gelukzalige wijze verwondert. Maar hoe bereik je dat als prediker?

Lees meer »