Het zal groep zes van de basisschool zijn geweest. Ik zat met haar – ik zal haar om privacyredenen Linda noemen – in een leesgroepje van een persoon of vijf.
Terwijl we om de beurt een stukje lazen, kwam opeens – zo begreep ik al snel – de moeder van Linda binnen. Gespannen, ietwat haastig lopend.

Ze keek de klas rond, zag haar aan onze tafel, en liep naar haar dochter. Ze zei zoiets als: “Ik moet je nu verlaten, maar je moet weten dat Jezus je nooit verlaat!” De tranen liepen over haar wangen. Linda begon ook te huilen, stond op en omhelsde haar moeder.
“Hier, pak aan!” zei haar moeder. En ze gaf dochterlief een Bijbeltje. “Bewaar dit goed, je hebt het nodig.”
Linda begon hartverscheurend te huilen, en ik weet nog als de dag van gisteren dat ik de neiging in me op voelde borrelen om lekker hard mee te huilen.

“Dat kan ik niet aannemen!” schreeuwde Linda uit. Haar moeder keek haar aan, omhelsde haar nog één keer, en liep de klas uit.
Ik had het gevoel dat ik getuige was geweest van de laatste ontmoeting tussen moeder en dochter.

In de kerk wordt ons, ook in een leerboekje, geleerd om God dankbaar te zijn voor de verlossing die we dankzij Jezus Christus ontvangen.
En het lijkt me behoorlijk frustrerend om als predikant te merken dat je de gemeente heel vaak oproept tot dankbaarheid, maar dat je er in de praktijk maar weinig van merkt in je gemeente (of bij jezelf).

Herken je dit? Ik wel, en ik heb me afgevraagd hoe dat toch komt. M’n antwoord is dit:

Ik heb het donkerbruine vermoeden dat het in de kerk veel te weinig, veel te soft of veel te benepen over God gaat. Veel te weinig over de relevantie van zijn bestaan voor ons bestaan. En veel te weinig over wat voor onvoorstelbaar grote en immens dure of kostbare dingen hij ons allemaal geeft en nog gaat geven.
In de kerk bekruipt me veel te vaak het gevoel van: “Nou zeg, is dát nu het geweldig evangelie van Jezus Christus?”

Kijk, natuurlijk ben ik dankbaar wanneer ik voor mijn verjaardag van mijn ouders, van mijn broer(s) of van wie dan ook – laten we zeggen – 10 euro krijg. Maar dat is geen onuitsprekelijke dankbaarheid. Een dankbaarheid waarover ik niet uitgepraat raak.
Eerlijk gezegd verwacht ik wel ongeveer een tientje te krijgen…

Ik denk dat dit in de kerk ook te vaak gebeurt. Dat we vanaf de kansel vijfjes en tientjes krijgen uitgereikt. En dat we vervolgens opgeroepen worden om God (intens) dankbaar te zijn. Dat werkt gewoon niet, en begrijpelijk! Het roept alleen maar de sfeer op van een moeder die tegen haar kind zegt, wanneer het van iemand een euro krijgt: “En wat zeg je dan…?”

Het zou van absurde infantiliteit getuigen wanneer volwassenen op deze manier benaderd en beleerd worden. “En wat zeg je dan tegen God?”

De reden dat ik me zo heerlijk verblijd in het houden van preken, is dat ik geen tientjes mag uitdelen, maar vijftigjes, honderdjes, duizendjes. En als er nog hogere waarden of briefjes bestonden, dan had ik die ook genoemd.

Jezus Christus geeft zichzelf aan mij. Jezus geeft mij God met alle eigenschappen en volmaakte glorie die bij die God horen. Jezus Christus belooft me de vrucht van de Geest die stuk voor stuk elk duizendje dat ik hier zou kunnen krijgen, overstijgen. Jezus vergeeft me, leert me een nieuw en mooier leven dan op deze wereld, waarin niets nieuws onder de zon is, te vinden is. Hij geeft me uitzicht op een universeel koninkrijk waar ik dingen ga zien en ga meemaken die op dit moment niet te benoemen zijn, zo groot zijn ze.

En daar wil ik zo graag over preken. Dit heerlijke nieuws mag ik, al puttend uit Gods woord, in de eerste plaats aan mezelf geven, maar ik wil het ook dolgraag doorgeven aan m’n publiek.
En ik denk dat ik dit dan zo moet doen, dat elke oproep om deze God dankbaar te zijn een van de volgende reacties moet uitlokken:

1. “Yes, ik ben weer op God en zijn rijkdom gewezen! Dit had ik nodig – ik denk weer helder (lees: geestelijk) en m’n leven heeft (weer) zin!”
2. “Ja, sorry hoor, maar om dankbaarheid hoeft God me nu niet meer te vragen, hoor. Ik kan op dit moment niet anders dan dankbaar zijn!” [Zo bedoelt de Catechismus het steeds]
3. “Tjongejonge, God geeft me veel te veel. Het staat in geen verhouding met wat ik verdien of met wat ik kon verwachten. Dit kan ik niet aannemen!” [Maar God zelf wil dat je het wel aanneemt :) ]

Kolossenzen 3, 15-16 Laat in uw hart de vrede van Christus heersen, want daartoe bent u geroepen als de leden van één lichaam. Wees ook dankbaar. Laat Christus’ woorden in al hun rijkdom in u wonen; onderricht en vermaan elkaar in alle wijsheid, zing met heel uw hart psalmen en hymnen voor God en liederen die de Geest u vol genade ingeeft.

Reageer