Als ik iets als prediker wil bereiken, dan is het wel dat het evangelie landt bij de hoorders. Zowel verstandelijk als emotioneel. In mijn kerkelijke traditie is altijd veel nadruk gelegd op het eerste: het inzicht en het verstand. Zowel bij predikers (luister maar ’s kritisch naar gebeden) als bij gemeenteleden (”Ik neem altijd wel iets mee uit een kerkdienst”).
Neem bijvoorbeeld de vraag waarover elke gereformeerde kerkganger al minimaal 10 preken heeft moeten aanhoren: ‘Wat is waar geloof?’ Antwoord: een zeker weten en een vast vertrouwen.
In negen van de tien gevallen volgt dan een preek die uitleggerig is. Natuurlijk – inkoppertje! – wanneer het over een ‘zeker weten’ gaat. Maar ook wanneer het ‘vast vertrouwen’ aan bod komt, wordt daar zo lang over gepraat dat ik het idee krijg dat het over een verstandelijk vertrouwen gaat. (Zoals je erop kunt vertrouwen dat er elke vijf minuten een vliegtuig opstijgt en landt, omdat je dat nu eenmaal wéét.)
Elke prediker – ik laat de predikers die een vals dilemma tussen gevoel en verstand in stand menen te moeten houden graag buiten beschouwing – wil natuurlijk een bepaald gevoel teweegbrengen. En de manier waarop dat m.i. vandaag de dag gebeurt, hoor je na een intellectuele bespreking terug in zinnen als: “Dat is toch prachtig, gemeente?” En: “Daar word je toch blij van?”
Dat noem ik, met dank aan C.S. Lewis, ‘voorgeschreven gevoelens’.
Je moet als hoorder een bepaald gevoel hebben over God of bijvoorbeeld over het lijden van Jezus Christus. En het komt maar niet. Dat komt doordat het gevoel voorgeschreven wordt. En ‘van een verplichting om iets te voelen kan het gevoel bevriezen’ (Lewis).
Ik wil graag bereiken dat we als gemeente voelen dat het evangelie en dat Jezus Christus waar is, goed is, mooi is en op gelukzalige wijze verwondert. Maar hoe bereik je dat als prediker?
Geef het gevoel een verhaal! Zo denk ik daar nu over. Oftewel: leg de gevoelens niet op aan de hoorders, maar verpak het gevoel in een verhaal.
Een voorbeeld uit eigen werk.
Afgelopen zondagavond ging het over Gods giften en over God, de gever. Ik had in mijn preek staan, dat het absurd is om wel blij te zijn met Gods giften, maar niet met hemzelf.
Maar ja, ik kan dat wel zeggen, ik voel daar nog niks bij. Hoezo is het absurd? Hoezo word ik blij met God?
Gelukkig zag ik dit op tijd in, en kon ik zondagmiddag nog de Mandemaaker-scène toevoegen (doorbladeren naar pagina 9). De hele gemeente begrijpt volgens mij de stelling (niet zozeer genieten van Gods gaven maar van God) en voelt aan hoe absurd het is wanneer een christen alleen voor Gods gaven gaat.
Ik denk dat dit de reden is dat Jezus Christus niet alleen de zonde van de Farizeeën hardop en recht in hun gezicht benoemt, maar dat hij hen vervolgens ook (emotioneel) confronteert met de beroemde gelijkenis van ‘De verloren zoon(s)’.