Bidden tot mijn God vind ik van tijd tot tijd moeilijk. Een van de redenen daarvan is dat ik vaak ongeveer hetzelfde bid. Daar is op zich niets mis mee, maar het maakt het allemaal wat saai en voorspelbaar. En dat heeft weer tot gevolg dat ik het niet doe, of zeer snel, op de geijkte momenten.
Bidden gaat me in de meeste gevallen goed, moeiteloos en met plezier af wanneer de Bijbel in m’n handen ligt. Ik lees en denk namelijk net zo lang door totdat ik iets aan God kan voorleggen.
En dat helpt me weer om voor m’n stille tijd ook werkelijk de tijd te nemen.
Nog een voordeel van die Bijbel op schoot is, dat God zelf mij leert te bidden. Er staan namelijk nogal wat gebeden in de Bijbel. In het Psalmenboek natuurlijk, maar ook gewoon door de geschiedenissen heen.
En dan denk ik: als God wilde dat die gebeden in zijn Bijbel kwamen te staan, dan staan ze er niet voor niets: ze zullen óók bedoeld zijn om overgenomen te worden.
Vandaag een eerste gebed van Hizkia. Zijn residentie wordt belegerd door Sanherib, de koning van Assyrië, het Amerika van toen. (Of was Babylonië/Babel dat? Het waren in ieder geval twee machtige landen.)
Deze Sanherib laat Hizkia een brief bezorgen met de volgende inhoud: ‘Laat u niet misleiden door de HEER, uw God, in wie u uw vertrouwen hebt gesteld omdat hij u heeft toegezegd dat Jeruzalem niet in handen zal vallen van de koning van Assyrië. U hebt toch zelf gehoord hoe de koningen van Assyrië alle landen die ze binnenvielen vernietigd hebben. Zou u dan gered worden? Gozan, Charan, Resef en de inwoners van Eden in Telassar, die door mijn voorouders werden uitgeroeid, zijn toch ook niet door hun goden gered? En wat is er geworden van de koningen van Hamat en Arpad, en van de koningen van de stad Sefarwaïm en van Hena en Iwwa?’
Met die brief gaat Hizkia naar de tempel. Hij legt hem open neer. Voor de HEER.
Wat kunnen christenen overnemen van het gebed dat Hizkia vervolgens uitspreekt?
1. Onze HEER is op verschillende manieren aan te spreken; hij is niet gemakkelijk in één aanspreektitel te vangen. Een gebed begint met hem en zijn onuitputtelijke eigenschappen en vaardigheden.
Jesaja 37, 16
“HEER van de hemelse machten, God van Israël, u die op de cherubs troont, u alleen bent God van alle koninkrijken op aarde, u hebt de hemel en de aarde gemaakt.”
2. Je kunt gerust verwoorden dat onze HEER, in tegenstelling tot welke andere god dan ook, de levende HEER is.
Jesaja 37, 17a
“Leen mij uw oor, HEER, en luister, open uw ogen en zie toe.”
3. Een gebed hoef je niet vroom te maken, alsof God niet zit te wachten op het feit dat je baalt van de ellenlange files van elke dag of je aan je hoofd zeurende projectmanager (ik noem maar wat). Aan onze God kun je gewoon de situatie voorleggen zoals-ie precies is.
Jesaja 37, 17b-19a
“Hoor met welke woorden Sanherib de levende God hoont. Het is waar, HEER, de koningen van Assyrië hebben alle landen verwoest en hun goden aan het vuur prijsgegeven.”
4. In een gebed kun je natuurlijk vreugdevol gebruik maken van de waarheid en het goede nieuws van je HEER.
Jesaja 37, 19b
“Dat waren dan ook geen goden, het waren slechts maaksels van mensenhanden, beelden van hout en steen, die ze vernietigd hebben.”
5. In een gebed is (vanzelfsprekend) alle ruimte voor de verwoording van wat je nu precies van je HEER verlangt.
Jesaja 37, 20a
“Ik vraag u, HEER, onze God: red ons uit zijn handen…”
6. Wat is het uiteindelijke doel van je gebed (mijn grootste leerpunt!)? Niet Hizkia’s en Jeruzalems redding, niet mijn dagsucces, maar de naam van mijn HEER! God-centered bidden, zou John Piper zeggen…
Jesaja 37, 20b
“…opdat alle koninkrijken op aarde zullen beseffen dat u, HEER, de enige bent.”