‘In het veertiende regeringsjaar van koning Hizkia trok koning Sanherib van Assyrië op tegen de versterkte steden van Juda en nam ze in. Vanuit de plaats Lachis stuurde de koning van Assyrië een van zijn hoogwaardigheidsbekleders, de rabsake, met een geweldig leger naar koning Hizkia.’ [Jesaja 36, 1-2]
Deze rabsake heeft veel, maar liefst acht (!) kenmerken van de duivel of de satan, Gods tegenstander. Hij wil ons namelijk verwarren (duivel = diabool = iemand die verwarring strooit).
Lees maar ’s wat die officier van Sanherib allemaal voor duivelse dingen doet en zegt.
1. Hij hecht meer waarde aan spier- en mankracht dan aan Gods belofte van bescherming en nabijheid.
“Ik zou toch denken dat mooie beloften niet opwegen tegen strategie en militaire macht. In wie stelt u zo veel vertrouwen dat u tegen mij in opstand durft te komen?” [Jesaja 36, 5]
2. Hij spreekt de waarheid (!), maar biedt geen goddelijk alternatief. Dit is zó duivels!
“U vertrouwt op Egypte, die geknakte rietstengel die je hand doorboort wanneer je probeert erop te leunen! Want meer heeft de farao, de koning van Egypte, niet te betekenen voor degenen die hun vertrouwen in hem stellen.” [Jesaja 36, 6]
3. Hij stelt goede, geestelijke acties ter discussie. En probeert christenen tegen elkaar uit te spelen.
“En u kunt mij nu wel zeggen: “Wij stellen ons vertrouwen in de HEER, onze God,” maar was het niet juist die God wiens offerplaatsen en altaren u, Hizkia, hebt laten verwijderen? U hebt immers tegen de bevolking van Juda en Jeruzalem gezegd: ‘Alleen voor dit altaar mag u neerknielen’?” [Jesaja 36, 7]
4. Hij belooft veel goeds en moois (maar natuurlijk wel onder een voorwaarde; de duivel kent geen onvoorwaardelijke liefde!)
“Welnu, waag uw kans met mijn heer, de koning van Assyrië. Hij zal u tweeduizend paarden geven, mits u in staat bent de ruiters ervoor te leveren.” [Jesaja 36, 8]
5. Hij gebruikt de naam van de HEER voor eigen doeleinden!
“U denkt toch niet dat hij [koning Sanherib] zonder instemming van de HEER is opgetrokken om dit land te vernietigen? De HEER heeft hem gezegd: ‘Val dit land aan en vernietig het.” [Jesaja 36, 10]
6. Hij wil dat iedereen zijn leugens hoort, en pakt iedereen genadeloos hard aan.
Eljakim, Sebna en Joach zeiden tegen de rabsake: ‘Spreek alstublieft Aramees met ons, heer; wij verstaan dat. Spreek toch geen Judees tegen ons, het volk op de muur luistert mee.’ Maar de rabsake antwoordde: ‘Dacht u dat mijn heer mij gestuurd heeft om het woord uitsluitend tot uw heer en u te richten? Onze woorden zijn net zo goed bestemd voor de mensen daar op de muur, die binnenkort net als u hun eigen stront zullen eten en hun eigen pis zullen drinken.” [Jesaja 36, 11-12]
7. Hij trekt de geestelijke adviezen van koning Hizkia openlijk in twijfel. En hij paait het volk (en de mensheid) met loze beloftes.
“Dit zegt de koning: ‘Laat u door Hizkia geen rad voor ogen draaien, hij is niet in staat u te bevrijden. Laat hij u niet verleiden uw vertrouwen te stellen in de HEER. Als hij beweert: ‘De HEER zal ons vast en zeker redden en deze stad zal niet in handen vallen van de koning van Assyrië,’ luister dan niet naar hem. Want dit zegt de koning van Assyrië: ‘Geef u over en stel u onder mijn hoede, dan kan ieder van u van zijn wijnstok en zijn vijgenboom eten en het water uit zijn eigen put drinken, tot ik kom en u meevoer naar een land dat niet onderdoet voor dat van u: een land van graan en wijn, van brood en wijngaarden.” [Jesaja 36, 14-17]
8. Hij gooit de ene God en HEER op één hoop met alle andere goden.
“Laat Hizkia u geen valse hoop geven met zijn bewering dat de HEER u zal redden. Hebben de goden van andere volken hun land dan gered uit de handen van de koning van Assyrië? Waar zijn de goden van Hamat en Arpad gebleven, waar waren de goden van Sefarwaïm? Hebben die Samaria soms uit mijn handen gered? Als geen enkele god in staat is gebleken zijn land uit mijn handen te redden, hoe zou dan de HEER Jeruzalem kunnen redden?”
Zie hier de dadendrang van de duivel, wanneer hij bezit neemt van Sanherib en zijn rabsake.
Hoe reageer je daarop, wanneer je deze heilloze beloftes in je eigen leven herkent (en dat dóe je, als je goed om je heen kijkt of ’s op een andere manier TV kijkt). Misschien is dit nog wel het beste: laat hem maar. Laat de duivel maar lullen!
Maar zij zwegen en antwoordden met geen woord, want zo had de koning het bevolen. [Jesaja 36, 21]
David,
de voorbije weken heb ik al meermaals genoten van de fijne en vaak spitse toepassingen die je maakt vanuit jouw lezing van het boek Jesaja. Ook vanochtend weer. Houden zo. Super is dat!
Marc