Gisteravond zag ik Louis van Gaal eindelijk ’s redelijk geïnterviewd worden. Vorige week kreeg Matthijs van Nieuwkerk, niet de minste onder de interviewers, tijdens DWDD werkelijk geen originele zin uit de mond van ‘de heer’ Van Gaal (sidekick Marc-Marie Huijbregts kwam wat dat betreft verder dan Van Nieuwkerk), maar Andries Knevel lukte het gisteren aardig.
Het ging dan ook niet over voetbal, wat zelfs ik wel leuk vond…
Het ging meer over Van Gaal en God.
Van Gaal kwam er eerlijk voor uit niet meer met God overweg te kunnen. Op jonge leeftijd verloor hij zijn vader en na het verschrikkelijke (over)lijden van zijn eerste vrouw is God voorgoed uit zijn gedachten en leven verdwenen.
Knevel stelde hem even later een geweldige vraag; erg indringend vind ik ‘m: “Wat zou God moeten doen om het weer goed met je te maken?”
Van Gaals antwoord: “Dat kan hij niet meer. Een God heeft in te grijpen als het de verkeerde kant dreigt op te gaan. Precies zoals ik dat doe. Als mijn spelers de verkeerde kant op gaan, laat ik me horen…”
Ik denk dat Van Gaal – helaas onbewust – schreeuwde om Jezus Christus. Want schreeuwde deze Zoon van God ook niet naar God, toen hij alleen aan een kruis hing te sterven? ‘Waarom God, mijn (!) God, waarom?’
Jezus hield geloof, stierf in vertrouwen, en liep na drie dagen dood-zijn weer levend rond. Als eerste mens van een immens aantal volgelingen: Jezus-christenen.
Dat betekent niet dat de mens pijn- en lijdensvrij door het leven gaat (zie het leven van Van Gaal, mijn leven, het leven van mijn vrouw, en vast ook dat van jou, beste lezer), maar er is hoop. Gefundeerde, realistische hoop, omdat die Jezus nog altijd leeft én het laatste woord zal hebben.
Er blijft nog een vraag staan. Waarom grijpt God zo vaak niet corrigerend in, zoals Van Gaal dat wel doet bij zijn eigen spelers en staf?
Mijn antwoord is op dit moment dit:
1. Doet God dat in de meeste gevallen écht niet? Hoe weet je dat?
2. Vanuit Gods perspectief en vanuit het perspectief van christenen is het lijden ondergeschikt aan het leven. Wie lijdt, leeft nog (hoe moeilijk dat soms ook te verdragen is). En wie leeft, kan zich verblijden in God. Daarom: een christen kan zwaar lijden, maar dat lijden is nooit vreugdeloos! (Vaak merk je dit bij ernstig zieke christenen; als bezoeker van het ziekbed word je dan jaloers als je de doodzieke hoort praten over God en hoop.)
3. God stelt ons soms (misschien wel vaak) op de proef. Hij doet dit om ons te leren focussen en vertrouwen op hem. Zoals een goede trainer zijn training soms bewust de verkeerde kant op laat lopen. Als check of zijn spelers ook zélf nog nadenken.
Een trainer die dat nooit doet, geeft daarmee aan geen lef te hebben. Zo’n trainer is bang voor z’n eigen persoontje, het wegvallen van zijn gezag.
God kent die angst niet. Omdat hij liefde is, kent hij helemaal geen angst.
God heeft wel een sterk verlangen, namelijk het verlangen om zoveel mogelijk mensen in zijn glorie te krijgen. En met dat doel laat hij de mens(heid) geregeld lijden. Hij heeft dat niet nodig, en in dat lijden op zich heeft hij geen plezier. Wij hebben dat nodig.
Gods visie is dit: beter al lijdend tenslotte in zijn nabijheid komen, dan totaal onwetend voor altijd buiten zijn glorie moeten bivakkeren (de hel). Vergelijk Jezus’ uitspraken hierover.
Er is niets beter voor een mens dan in de glorie van God te zijn. Hoe erg het lijden op aarde ook kan zijn, het weegt nooit op tegen de heerlijke nabijheid van God.
Alleen wie God via de persoon van Jezus Christus wil leren kennen, krijgt het lef en de kracht om het lijden te accepteren én te doorstaan.
En laten we eerlijk zijn, zou God alles voor ons zijn wanneer hij geen lijden in de wereld zou brengen en toestaan? Ik denk dat we allemaal, opstandig en tegennatuurlijk als we zijn ten opzichte van God, achteloos en hoogmoedig zouden doorgaan met onze rijke, westerse leventjes.
Wie de vraag naar het lijden stelt (zoals Van Gaal terecht deed), moet ook het lef hebben om zichzelf met die God te confronteren. Hij liep hier op aarde rond!
Ik hoop dat Louis van Gaal dit alsnog doet.
Romeinen 8, 18-21
[Paulus schrijft:] ‘Ik ben ervan overtuigd dat het lijden van deze tijd in geen verhouding staat tot de glorie die ons in de toekomst zal worden geopenbaard. De schepping ziet er reikhalzend naar uit dat openbaar wordt wie Gods kinderen zijn. Want de schepping is ten prooi aan zinloosheid, niet uit eigen wil, maar door hem die haar daaraan heeft onderworpen. Maar ze heeft hoop gekregen, omdat ook de schepping zelf zal worden bevrijd uit de slavernij van de vergankelijkheid en zal delen in de vrijheid en glorie die Gods kinderen geschonken wordt.’