Archief van oktober, 2009

Voordat m’n cluppie IJsselmeervogels aanstaande zaterdag het Leerdamse clubje LRC van de mat gaat vegen, leidde ik eerst even in dit dorp een kerkdienst in ‘De Hoeksteen’.
Gelukkig duurt het nu niet lang meer voordat ik nieuwe preken kan schrijven, want het houden van die oude heb ik nu wel een beetje gehad…

Het ging vanmorgen over een onderwerp waarover christenen niet graag praten: het (laatste) oordeel van God.
Natuurlijk, hét oordeel van God heeft al plaatsgevonden (omstreeks het jaar 33, in Israël, op Golgota, de heuvel waar de Zoon van God zich liet vermoorden). De vraag is nu alleen hoe de mens zich verhoudt tot de dood van Jezus Christus. Loop je er achteloos aan voorbij, of is het je enige redding met het oog op eeuwig leven met God.

Ik denk – al sinds m’n afstudeerscriptie – dat christenen het lef moeten hebben het oordeel vaker en sneller ter sprake te brengen. Het laatste oordeel is namelijk het enige feit dat nog moet plaatsvinden. Alle anderer zogenaamde heilsfeiten (geboorte, sterven, opstaan, hemelvaart van Jezus Christus, en de komst van Gods Geest in de wereld) hebben al plaatsgevonden.

Het laatste oordeel impliceert alle voorgaande feiten, en moet daarom – wanneer je het goed brengt – een shockerende uitwerking hebben.

Lees hier de preek na.

Vanmiddag was ik voor de eerste keer in ‘De Schuilhof’, een kerk in Hilversum, ergens diep weggedrukt in een wat onopvallende straat. Vandaar die kerknaam?

De preek ging over psalm 63, dus het thema was ‘Verspil je leven niet!’.
Pittige stof, maar wel op en top woord van God (via David, koning van Israël).

PS. En nu op naar de verhuizing. Aanstaande dinsdagmorgen gaan we over: van Bunschoten naar Amersfoort-Vathorst of Hooglanderveen of Hooglanderveen-Vathorst.
Klik hier als je meer wilt lezen over onze verhuizing.

Afgoderij wordt in de Bijbel belachelijk gemaakt. Lachwekkend belachelijk zelfs.
Een stukje uit Jesaja 44:

Jesaja 44, 14-18

Iemand velt een paar ceders, of hij kiest een pijnboom en een eik, die hij in het bos met andere bomen heeft laten opgroeien; of een laurierboom die hij heeft geplant en die groeide door de regen. Ze dienen hem tot brandhout: hij gebruikt het om zich te warmen, of om er brood op te bakken. Of hij bewerkt het tot een god, waarvoor hij knielt; hij maakt er een godenbeeld van, waarvoor hij zich neerbuigt. Met de ene helft stookt hij een vuur, waarop hij vlees bereidt; hij roostert het vlees en doet er zich te goed aan. Hij wordt warm en zegt: ‘Ha, lekker warm! Ik zie de gloed van het vuur!’ Van de rest maakt hij een god, een godenbeeld waarvoor hij knielt en zich neerbuigt in gebed: ‘Red mij, want u bent mijn god.’

Wat voor een houthakker als fornuis of als kachel diende, kon even later gewoon voor een god doorgaan. Slaat natuurlijk nergens op. Hout = Hout.
Jesaja maakt het goed belachelijk.

Maar ja, wat moet je hier in 2009 mee? Ik bedoel: zowel christenen als niet-christenen vinden letterlijke afgoderij belachelijk. De eerste Nederlander die een god van hout maakt, en daarvoor knielt, moet nog geboren worden. Toch?

Ik dacht hierover na, en ik kwam tot de volgende gedachte n.a.v. dit Bijbelgedeelte.

Ik denk dat een van de huidige vormen van afgoderij ons verstand en onze (wereld)visie is. Iedereen heeft een visie op het leven, die hem of haar reden geeft om elke dag weer op te staan en aan de slag te gaan.
En mijn mening is dat elke door ons verstand gevormde (wereld)visie die los van God staat, en waarvoor we vervolgens gáán, afgoderij is.

Want wie voor zijn eigen denkkracht en mate van verstand gaat, doet in principe niets anders dan de houthakker uit Jesaja 44.
Want aan de ene kant gebruiken we onze hersenen om te eten, te lopen, te sporten, te werken en natuurlijk: om te denken. En dat is er precies de bedoeling van. (Precies zoals hout voor haardvuur dient).

Maar veel Nederlanders gaan een stap verder. Ze vormen met datzelfde verstand visies waarop ze hun leven lang gaan vertrouwen.
Deze overwaardering van onze hersenen slaat werkelijk nergens op. Onze hersenen getuigen van een ingenieus en bewonderenswaardig systeem, maar tegelijkertijd kunnen ze binnen de kortste tijd uitvallen en zelfs afsterven.

Hoe kunnnen we het dan in ons hoofd halen om op ons verstand te vertrouwen? Dat komt omdat we van ons verstand, net als van dat hout destijds, een afgod maken.

Een christen maakt zoiets belachelijk. Helaas is het me niet gelukt om dit op lachwekkende wijze te doen…
Maar goed, om te lachen is het natuurlijk ook niet bedoeld:

Jesaja 44, 18-20 [Iets aangepast aan dit blog]

Ze begrijpen het niet, ze beseffen het niet; blijkbaar zitten hun ogen dichtgeplakt, waardoor ze niets zien en het hun aan inzicht schort. Het dringt niet tot hen door, ze missen de kennis en het inzicht om te bedenken: Met de ene [hersen]helft heb ik een vuur gestookt, op de gloeiende houtskool heb ik brood gebakken en vlees geroosterd om te eten. Van wat overbleef [de rest van m'n hersens] heb ik een gruwelijk beeld gemaakt. Ik buig me dus neer voor een blok hout [voor m'n gedachten]. Wat zij koesteren is as [eindige bedenksels]! Een verwarde geest heeft hen op een dwaalspoor gebracht. Ze zijn niet meer te redden, want ze vragen zich niet af: ‘Is wat ik in mijn hand [gedachten] houd eigenlijk geen bedrog?’

Genieten van de redding die God in de persoon van Jezus teweeggebracht heeft.
En geestelijk en persoonlijk leren discussiëren.

Ik denk dat dit een korte samenvatting is van de twee kerkdiensten van vandaag. En hét actiepunt, dat ik in Amersfoort meer benoemde dan in Oegstgeest, is dat we als christenen de Geest van Vader en Zoon zo ongelooflijk hard nodig hebben.

Zonder die Geest valt het genot in God snel weg (om er iets uit de schepping voor in de plaats te stellen). En zonder Gods Geest kun je uren praten over Bijbelse onderwerpen, maar er ondertussen geen steek door veranderen.

Ik preek nu een klein jaartje in een redelijk groot gedeelte van Nederland. En eigenlijk ben ik al die maanden bezig met iets wat ik vaak in onze kerken mis (terwijl het heus wel onder de oppervlakte ligt en er soms ook wel boven uit komt). Ik ben bezig met God centraal stellen in onze kerken. Zoals een van mijn leermeesters, John Piper, dat al 28 jaar doet in z’n eigen gemeente.
Ooit stop ik met déze website en dan hoop ik dat ik een nieuwe website mag beginnen onder de titel: genietenvangod.nl of iets dergelijks. Naar analogie van Piper dus.

Soms twijfel ik wel eens, en zeg ik tegen mezelf: Draait het nu echt om God zelf, David? Is dat niet saai, voorspelbaar, irrelevant?
Kan ik niet beter preken over het huwelijk, over geldbesteding, over drugsgebruik, over onze tijdsbesteding?
En dan denk ik: natuurlijk zijn die onderwerpen niet onbelangrijk of onbespreekbaar, maar het blijft steeds weer gaan om wie God zelf is.
En dat mis ik te vaak in onze kerken. Dat ik wel een prachtige preek over het huwelijk of over rijkdom krijg te horen, maar dat de naam van God zijdelings genoemd wordt. En daar kan mijn arme zieltje niet tegen, en dan denk ik: die huwelijkpreek had een beetje christelijke psychotherapeut ook wel kunnen houden.

Ik mis, kortgezegd, vaak hartverwarmende theologie (dat is: hartverwarmende Gódsleer!) op de vrijgemaakte kansels. Dus én theologie én hartverwarmend cq confronterend.
Ik probeer dat naar eer en geweten te doen. Dat is mijn vak, mijn ambacht. (Als je problemen in je huwelijk hebt, heb je m.i. in eerste instantie niet naar je predikant te stappen. Maar wil je meer te weten komen van God, ja, dan moet je in eerste instantie wèl bij je predikant zijn. Tenminste, zo denk ik daar over.)

Wil je de preek over ‘geestelijk discussiëren’ (na)lezen, klik hier.
Wil je de preek over ‘Gods gegarandeerde redding door Jezus Christus en zijn Geest’ nalezen, klik hier.

Reageer gerust.

Gisteravond zag ik Louis van Gaal eindelijk ’s redelijk geïnterviewd worden. Vorige week kreeg Matthijs van Nieuwkerk, niet de minste onder de interviewers, tijdens DWDD werkelijk geen originele zin uit de mond van ‘de heer’ Van Gaal (sidekick Marc-Marie Huijbregts kwam wat dat betreft verder dan Van Nieuwkerk), maar Andries Knevel lukte het gisteren aardig.
Het ging dan ook niet over voetbal, wat zelfs ik wel leuk vond…

Het ging meer over Van Gaal en God.
Van Gaal kwam er eerlijk voor uit niet meer met God overweg te kunnen. Op jonge leeftijd verloor hij zijn vader en na het verschrikkelijke (over)lijden van zijn eerste vrouw is God voorgoed uit zijn gedachten en leven verdwenen.
Knevel stelde hem even later een geweldige vraag; erg indringend vind ik ‘m: “Wat zou God moeten doen om het weer goed met je te maken?”
Van Gaals antwoord: “Dat kan hij niet meer. Een God heeft in te grijpen als het de verkeerde kant dreigt op te gaan. Precies zoals ik dat doe. Als mijn spelers de verkeerde kant op gaan, laat ik me horen…”

Ik denk dat Van Gaal – helaas onbewust – schreeuwde om Jezus Christus. Want schreeuwde deze Zoon van God ook niet naar God, toen hij alleen aan een kruis hing te sterven? ‘Waarom God, mijn (!) God, waarom?’
Jezus hield geloof, stierf in vertrouwen, en liep na drie dagen dood-zijn weer levend rond. Als eerste mens van een immens aantal volgelingen: Jezus-christenen.

Dat betekent niet dat de mens pijn- en lijdensvrij door het leven gaat (zie het leven van Van Gaal, mijn leven, het leven van mijn vrouw, en vast ook dat van jou, beste lezer), maar er is hoop. Gefundeerde, realistische hoop, omdat die Jezus nog altijd leeft én het laatste woord zal hebben.

Er blijft nog een vraag staan. Waarom grijpt God zo vaak niet corrigerend in, zoals Van Gaal dat wel doet bij zijn eigen spelers en staf?
Mijn antwoord is op dit moment dit:

1. Doet God dat in de meeste gevallen écht niet? Hoe weet je dat?

2. Vanuit Gods perspectief en vanuit het perspectief van christenen is het lijden ondergeschikt aan het leven. Wie lijdt, leeft nog (hoe moeilijk dat soms ook te verdragen is). En wie leeft, kan zich verblijden in God. Daarom: een christen kan zwaar lijden, maar dat lijden is nooit vreugdeloos! (Vaak merk je dit bij ernstig zieke christenen; als bezoeker van het ziekbed word je dan jaloers als je de doodzieke hoort praten over God en hoop.)

3. God stelt ons soms (misschien wel vaak) op de proef. Hij doet dit om ons te leren focussen en vertrouwen op hem. Zoals een goede trainer zijn training soms bewust de verkeerde kant op laat lopen. Als check of zijn spelers ook zélf nog nadenken.
Een trainer die dat nooit doet, geeft daarmee aan geen lef te hebben. Zo’n trainer is bang voor z’n eigen persoontje, het wegvallen van zijn gezag.

God kent die angst niet. Omdat hij liefde is, kent hij helemaal geen angst.
God heeft wel een sterk verlangen, namelijk het verlangen om zoveel mogelijk mensen in zijn glorie te krijgen. En met dat doel laat hij de mens(heid) geregeld lijden. Hij heeft dat niet nodig, en in dat lijden op zich heeft hij geen plezier. Wij hebben dat nodig.
Gods visie is dit: beter al lijdend tenslotte in zijn nabijheid komen, dan totaal onwetend voor altijd buiten zijn glorie moeten bivakkeren (de hel). Vergelijk Jezus’ uitspraken hierover.

Er is niets beter voor een mens dan in de glorie van God te zijn. Hoe erg het lijden op aarde ook kan zijn, het weegt nooit op tegen de heerlijke nabijheid van God.
Alleen wie God via de persoon van Jezus Christus wil leren kennen, krijgt het lef en de kracht om het lijden te accepteren én te doorstaan.

En laten we eerlijk zijn, zou God alles voor ons zijn wanneer hij geen lijden in de wereld zou brengen en toestaan? Ik denk dat we allemaal, opstandig en tegennatuurlijk als we zijn ten opzichte van God, achteloos en hoogmoedig zouden doorgaan met onze rijke, westerse leventjes.

Wie de vraag naar het lijden stelt (zoals Van Gaal terecht deed), moet ook het lef hebben om zichzelf met die God te confronteren. Hij liep hier op aarde rond!
Ik hoop dat Louis van Gaal dit alsnog doet.

Romeinen 8, 18-21

[Paulus schrijft:] ‘Ik ben ervan overtuigd dat het lijden van deze tijd in geen verhouding staat tot de glorie die ons in de toekomst zal worden geopenbaard. De schepping ziet er reikhalzend naar uit dat openbaar wordt wie Gods kinderen zijn. Want de schepping is ten prooi aan zinloosheid, niet uit eigen wil, maar door hem die haar daaraan heeft onderworpen. Maar ze heeft hoop gekregen, omdat ook de schepping zelf zal worden bevrijd uit de slavernij van de vergankelijkheid en zal delen in de vrijheid en glorie die Gods kinderen geschonken wordt.’

Voordat de Israëlieten als asielzoekers gevangen zitten in Babel, belooft de HEER hun alvast dit:

Jesaja 42, 1-4

Hier is mijn dienaar, hem zal ik steunen,
hij is mijn uitverkorene, in hem vind ik vreugde,
ik heb hem met mijn Geest vervuld.
Hij zal alle volken het recht doen kennen.
Hij schreeuwt niet, hij verheft zijn stem niet,
hij roept niet luidkeels in het openbaar;
het geknakte riet breekt hij niet af,
de kwijnende vlam zal hij niet doven.
Het recht zal hij zuiver doen kennen.
Ongebroken zal hij het recht op aarde vestigen;
de eilanden zien naar zijn onderricht uit.

De vraag van vandaag: Wie wordt toch met die dienaar bedoeld?

Omdat ik een behoorlijk trouw kerkganger ben en al aardig wat preekjes heb aangehoord, is mijn reactie: ‘Ja, daar wordt Jezus Christus natuurlijk al voorzegd!’ Jezus is die dienaar die door de HEER, zijn Vader, gesteund wordt.

En dat is ook zo. Want Matteüs haalt in zijn versie van het unieke leven en werk van Jezus deze verzen aan.

Maar ja, wat had Israël nu aan die voorspelling? Oftewel: is het wel terecht om meteen van Jesaja 42 door te fietsen naar Matteüs 12?
Ik denk het niet. En waarom niet? Omdat in Jesaja 44 het volk Israël zelf met die dienaar bedoeld wordt! Lees maar:

Jesaja 44, 1

Nu dan, luister, Jakob, mijn dienaar,
Israël, dat ik heb uitgekozen.

Hoe zit dat nu? Wordt met die dienaar nu Jezus Christus óf Israël bedoeld?

Het antwoord laat zich wellicht raden. Beide! En het geheim van dit antwoord zit ‘m in God de Vader zelf.
Want Israël is dienaar, omdat het Góds uitgekozen volk is.
En Jezus is dienaar, omdat hij Góds unieke Zoon is.

En nu de lijn doortrekken: Ik, David Heek, ben die dienaar, omdat ook ik door God uitgekozen ben! (Zie Jezus’ liefde voor mij, tot zijn dood toe!)
Wie bij de God van Jezus Christus hoort, wordt automatisch zijn dienaar. Met alle kenmerken en voorrechten die daarbij horen. (Precies zoals het volk Israël vaak heerlijk mocht profiteren van de nabijheid, macht en bovennatuurlijke verrassingen van hun God!)

Dus ik mag Jesaja 42, 1-4 zelfs op mezelf toepassen! En dat ga ik nu ook maar doen. Maar besef dan wel dat je achter mijn naam – David – steeds ‘door de persoon en Geest van Jezus Christus’ moet toevoegen.
(En vul gerust, beste christen, ook je eigen naam in…)

Jesaja 42, 1-4 [Door de persoon en Geest van Jezus Christus op mezelf toegepast]

[God, de HEER van hemel en aarde, zegt:]

Hier is mijn dienaar, David zal ik steunen,
David is mijn uitverkorene, in David vind ik vreugde,
ik heb David met mijn Geest vervuld.
David zal alle volken het recht doen kennen.
David schreeuwt niet, David verheft zijn stem niet,
David roept niet luidkeels in het openbaar;
het geknakte riet breekt David niet af,
de kwijnende vlam zal David niet doven.
Het recht zal David zuiver doen kennen.
Ongebroken en vol vuur zal David het recht op aarde vestigen;
de eilanden zien naar Davids onderricht uit.

Herken je mij hierin? Vast maar gedeeltelijk, of misschien wel helemaal niet. Er is veel werk en gebed aan de winkel wat dat betreft. Maar goed, ik weet zeker: Gods Geest zal me laten groeien. Tot aan volmaaktheid of perfectie toe!

Enne… herken je jezelf hierin? Zou je dat willen, beste christen?

Gisteren heb ik er als scheids een wedstrijd geleid (bij DVSU), vanmiddag mocht ik in Utrecht een kerkdienst leiden.
En tja, het klinkt alsof er een behoorlijk aantal GKv-kerken in Utrecht is, wanneer je jezelf Utrecht Noord-West noemt. Maar naast Utrecht-Centrum komt Utrecht Zuid-Oost of West-Zuid-West toch echt niet voor…

Vandaag kon ik vanmorgen gewoon als kerklid naar m’n eigen kerk in Hoogland. Daar ging het aan de hand van de schitterende Psalm 33 over muziek en zang in het kerkelijk leven.
Ik mocht een mooi uur beleven, met een redelijke liturgie en een echte Paul Waterval-preek, dus genuanceerd, fijngevoelig en evenwichtig. (Daarin is hij sterker dan ik ;) …)

Vanmiddag mezelf snel in een pak gehesen, en binnen een half uur stond ik in de zogenaamde Opstandingskerk in Utrecht. Mooi kerkje, hoor. Ik zei dat dat gebouw kon concurreren met andere kerken waar ik al geweest ben. De mooiste drie vind ik totnogtoe die van Eindhoven-Best, Vlaardingen en Utrecht N-W dus.
Waarom ik dat vind is overigens niet helemaal helder. Alle drie de gebouwen hebben als overeenkomst dat ik achter een tafel mag staan, dus dat trekt me waarschijnlijk. En misschien doet de ruimte die een kerkzaal ademt me wel wat.

Het ging weer heerlijk. Met weinig moeite kon ik de aan de beurt zijnde derde Zondag van de Heidelbergse Catechismus koppelen aan een van mijn bestaande preken uit Galaten 5. En dat ging diep hoor. Tot ver onder de zeespiegel, als je begrijpt wat ik bedoel…

Via deze link kun je de dienst beluisteren. Hier kun je de preek nalezen.
En wie geïnteresseerd is in de (originele) Utrechtse site – heerlijk niet vernoemd naar de eigen gemeente (!): GeloofHet.nl – kan hier terecht.

Reageer gerust als je vragen hebt, beste en geliefde Utrechters!

Hoewel het verleidelijk is, heeft het geen zin om een hokjesdenker te zijn.

Ik raak er steeds meer van overtuigd dat het maar weinig om het lijf heeft wanneer ik rondbazuin dat ik gereformeerd ben. Hoewel ik dat nog altijd van harte ben, lopen er genoeg mensen (alleen al) in ons landje rond die dat óók zeggen.
Maar ze laten veel te vaak zien dat ze die term beschouwen als een etiket, als een hokje: je bent gereformeerd óf afvallig.

Ik ken gereformeerden voor wie God alles is én ik ken gereformeerden die de naam van de HEER net zo vaak noemen als de buurlanden van Oezbekistan.
Ik ken gereformeerden die er – zelfs na 40 jaar lidmaatschap van een gereformeerde kerk – voor uit komen eindelijk God te (willen) leren kennen én ik ken gereformeerden die zo verschrikkelijk vast aan vormen en tradities zitten dat ze moeiteloos zouden kunnen concurreren met tweecomponentenlijm.
Ik ken gereformeerden die, net als Jezus, ruimdenkend zijn én ik ken gereformeerden die er een levenstaak van maken van de HEER een gereformeerd(-vrijgemaakt)e HEER te maken.

Kortom: als vier of vijf mensen zeggen dat ze gereformeerd zijn, weet je vrijwel zeker niet waar je aan toe bent.

En dat laatste is zo christelijk! Want een christen is geen hokjesdenker. Een christen wil nooit aan andermans buitenkant kunnen zien wat voor vlees hij in de kuip heeft. Een christen heeft niets aan stempels, etiketten en titels. Want hij wil niet weten waar hij aan toe is, als het om zijn medemens gaat.

Integendeel: iemand die Jezus Christus volgt (en dus naar zijn Vader verlangt), investeert in medemensen. Jezus was fel tegen de traditionele starheid en het ongeloof van de Farizeeërs, maar bleef een hele nacht wakker voor een goed gesprek met Nicodemus… een Farizeeër.

Natuurlijk wilde Jezus niets weten van moordenaars, maar voor de moordenaar aan het eerste kruis stond… nee, hing hij klaar. Kort, dat wel, maar met een kracht die tot in de eeuwigheid niet kapot te krijgen is.

Ik ben ervan overtuigd dat de HEER er niet op let of je katholiek, gereformeerd, evangelisch, hervormd, baptistisch, evangelical, lutheraans, calvinistisch, zwingliaans of Oosters-orthodox bent.
Het gaat hem om het hart van elk individu. En of dat klopt.
Voor hem.

1 Samuël 16, 7

[De profeet Samuël krijgt van de HEER de opdracht de nieuwe koning van Israël te zalven. Zijn oog valt meteen op de grote Eliab, een van de zeven zonen van Isaï, de vader van koning David]

Maar de HEER zei tegen Samuel: “Ga niet af op Eliabs voorkomen en zijn rijzige gestalte. Ik heb hem afgewezen. Het gaat niet om wat de mens ziet: de mens kijkt naar het uiterlijk, maar de HEER kijkt naar het hart.

Wie God is, weet alles. Ja toch?
Een God die zielig met zijn hoofd schudt, wanneer hij de vraag gesteld krijgt of hij nog weet wie Alexander de Grote, Homerus en Salomo waren, is geen God.

Daarom maakt de God en Vader van Jezus Christus zich in de Bijbel ook bekend als de God aan wie geen gebeurtenis of mens voorbijgaat. Zie bijvoorbeeld Job 38 of deze uitspraak van Jezus Christus, de Zoon van God.

En toch kan God vergeten! Ik las het vanmorgen in Jesaja 43. God, de HEER, stelt Israël (en de mensheid in z’n geheel) in staat van beschuldiging. Hij zegt:

Jesaja 43, 22-24

“Maar jij hebt niet tot mij geroepen, Jakob,
jij gaf je geen moeite voor mij, Israël.
Je hebt niet aan mij je schapen geofferd,
mij met je offers geen eer bewezen.
Ik heb je niet met graanoffers belast
en je niet vermoeid met de plicht
om wierook voor mij te branden.
Je hebt van je zilver geen kalmoes voor mij gekocht,
mij niet verzadigd met het vet van je offers.
Nee, je hebt mij met je zonden belast,
mij vermoeid met al je schulden.

Dit is de realiteit van ons bestaan, vanuit Gods perspectief.
Maar dan… het volgende vers:

Jesaja 43, 25

“Ik, ík ben het, die omwille van zichzelf
je misdaden tenietdoet en je zonden vergeet.”

God kan dus wel vergeten. Hij kan onze zonden vergeten. Maar hoe kan dat dan; hoe kan dé allesweter zonden vergeten?
Het antwoord staat in het vers, hoor. Want het staat er niet voor niets tweemaal. ‘Ik, ík ben het…!’

God kan onze zonden vergeten, omdat hij drie-enig is. Altijd al geweest ook. God vergeet de zonden van het Israël van toen, omdat hij dat volk bekijkt door de ogen en de daden van zijn Zoon Jezus Christus (die zijn goddelijk leven voor Israël zou geven).
En ook mijn persoon bekijkt God door de ogen en daden van Jezus Christus (die zijn goddelijk leven leven voor mij gegeven heeft).
En het is de derde persoon in de drie-eenheid, de Geest van Vader en Zoon, die mij hiervan – ook vanmorgen – opnieuw heerlijk overtuigd heeft.

Als ik aan God zou vragen hoeveel zonden ik heb gedaan en wat hij daarvan vindt, dan zegt hij vandaag tegen me: “Zonden, welke zonden? David, je hebt toch wel in je hart en leven laten landen dat die zijn vastgespijkerd en vernietigd aan het kruis van Golgota?”

“Maar waarom heeft u dat gedaan?” vraag ik. En mijn God antwoordt: “Omwille van mezelf. Mijn naam, mijn daden, mijn persoon, mijn hele eeuwige leven is uit op de aanbidding waaraan geen eind komt.”
Vergeet jij niet, David, dat ik God ben, en blijf.

Jesaja 43, 11-13

“Ik, ík ben de HEER!
Buiten mij is er niemand die redt.
Ik heb redding aangekondigd en redding gebracht,
jullie hoorden het van mij, niet van een vreemde.
Jullie zijn mijn getuige – spreekt de HEER –,
dat ik werkelijk God ben
en dat ik blijf wat ik ben.

Niemand kan zich aan mijn macht onttrekken.
Wat mijn hand doet, wie maakt het ongedaan?”