Archief van december, 2009

Straks, in de minuten na 12 uur, wil ik mijn vrouw, zoontje, enkele broers en (schoon)zussen graag een gelukkig nieuwjaar toewensen.
Of ik zeg zoiets als: “Het beste in 2010″.

Ik moest hierbij denken aan een uitspraak van Paulus, die het op een gegeven moment ook over het betere en het allerbeste heeft.

Filippenzen 1, 23-24

“Ik word naar twee kanten getrokken: enerzijds verlang ik ernaar te sterven en bij Christus te zijn, want dat is het allerbeste; anderzijds is het omwille van u beter dat ik blijf leven.”

Dit is voor mij de reden om de mijnen en ook u, beste lezers (gemiddeld zo’n 150 á 200 per dag), niet het allerbeste toe te wensen.
Want om u nu dood te wensen…

Ik wens u en mezelf daarom het betere toe. Dat God ons ook in 2010 in leven houdt en we zijn Zoon steeds beter leren kennen, liefhebben en imiteren.

Als ik zelf aan 2009 terugdenk, word ik vooral blij. Want ik heb opnieuw zo ontzettend veel gekregen.
Maar waarvoor ik God het meest dankbaar ben, is dat het afgelopen jaar weer een jaar van groei in mijn geloof is geweest.
Ik heb, vooral dankzij John Piper, meer liefde voor de Bijbel gekregen. Ik vind het zo’n boeiend boek, omdat het mijn gedachten vormt, verlicht en – ja, hoe zal ik het zeggen – heerlijk tureluurs laat draaien.

Mijn belangrijkste wensen voor het nieuwe jaar zijn dat mijn gebedsleven zich verder en dieper ontwikkelt, want ik bid nog veel te weinig, te weinig intens, vanuit een te klein geloof en te weinig vanuit de Bijbel zelf.
Ook hoop ik dat ik opnieuw een goede vader mag worden…!!!

Allemaal een beter 2010 toegewenst!

Ik kan me goed voorstellen dat je na m’n vorige blog denkt dat een christen na z’n wedergeboorte nooit meer zondigt. Want als ik in de kerk na de lezing van de wet weiger te zingen dat er in de afgelopen week weer een ’stroom van ongerechtigheden’ in m’n leven was, wek ik ook de indruk dat ik een zondeloos mens zou zijn.

Maar ook dat doet geen recht aan mijn leven. Want ik zondig nog altijd met m’n domme kop.
En de op leeftijd gekomen Johannes, een leerling van Jezus Christus, schrijft toch echt:

1 Johannnes 1, 8

“Als we zeggen dat we de zonde niet kennen, misleiden we onszelf en is de waarheid niet in ons.”

‘We’ staat er, dus Johannes schaart zich hier zelf ook onder. Terwijl hij door Gods genade echt wel als een opnieuw geboren mens beschouwd mag worden.
Ook mensen die het licht, Jezus, hebben gezien zullen blijven zondigen.

Maar dan… diezelfde Johannes. Twee hoofdstukken verder:

1 Johannes 3, 9

“Wie uit God geboren is zondigt niet, want Gods zaad is blijvend in hem. Hij kán zelfs niet zondigen, want hij is uit God geboren.

Nu lijkt de beste man zichzelf behoorlijk tegen te spreken. En de vraag is dan natuurlijk: zondig je nu wél of niet als je ‘uit God geboren’ bent?

Ik denk dat de ESV beter vertaalt. Die zegt in plaats van ‘Wie uit God geboren is zondigt niet’: ‘No one born of God makes a practice of sinning‘.

Dus wie uit God of opnieuw geboren is, blijft niet zondigen. Zo’n iemand baalt als hij bij zichzelf merkt dat hij toch weer gevallen is. Zo’n iemand overdenkt dat. Ligt er wakker van, al woelend.
‘Waarom koos ik toch weer tegen God? Was het ongeloof? Kleingeloof? Was het verlangen naar – ik dacht – iets beters dan God(s giften)? Zat er vandaag misschien een verband tussen mijn weigering om m’n ziel met Gods woord te voeden en mijn keuze om tegen hem te zondigen? Onderschat ik de sneaky en verleidelijke krachten van de satan? Bid ik regelmatig om Jezus in mij?’

Een wedergeboren christen ligt wakker van zijn zonden en doet er – als hij daadwerkelijk gelooft – middels gebed alles aan om er onmiddellijk mee te stoppen.
Paulus noemt dat ergens: je hartstocht en begeerten kruisigen.

Mocht je als christen nog nooit wakker hebben gelegen, of mocht je als christen nog nooit hebben gebaald van je niet-christelijke keuzes, ja, ik denk dat je je dan maar moet afvragen af of je wedergeboren bent.

Maar belijd je je zonden richting God en je directe omgeving dan is God van harte bereid om je zonden te vergeven, en nieuwe krachten te geven.

En dan dus niet elke week zingen dat ‘een stroom van ongerechtigheden’ over je heen is gevallen. Dat maakt Gods Geestkracht zinloos en jezelf depressief.
Laten we zo’n lied alleen zingen als er daadwerkelijk en aantoonbaar sprake is van een stroom aan zonden, bij een enkeling of in een gemeente.

Maar ja, dat vraagt een omwenteling in veel kerken, want we belijden elkaar in veel christelijke gemeenschappen nooit onze zonden. Deels omdat we het niet nodig vinden (”Geloven in Jezus’ kruisdood is toch genoeg!?”), deels omdat we vaak met een beangstigend, onveilig aanvoelend aantal mensen bij elkaar hokken, deels omdat we ons te vaak niet kwetsbaar durven op te stellen (ook niet in kleine wijkgroepjes), en deels omdat de kerk ons zondebesef plat en voorspelbaar gemaakt heeft (’Elke week hetzelfde zonde-vergeving-riedeltje’).

[De titel van deze blog is een uitspraak die ik in de preek van afgelopen zondagmiddag gedaan heb in de gemeente van Amersfoort-Nieuwland. Ik wil er nu wat meer woorden aan wijden]

De door mij geliefde predikant Ton de Ruiter (hij heeft onze trouwdienst kundig en enthousiast geleid) schrijft die dingen op zijn gecreëerde website waarover ikzelf ook geregeld schrijf. Hij is vastgelopen op het door hem gesignaleerde feit dat gereformeerd-vrijgemaakten wel geloven dat Jezus in hun plaats is gekruisigd, maar er vervolgens niets mee doen. De Ruiter zegt: “De heiliging van ons leven is secundair aan de rechtvaardiging van ons leven (en aan deze praktijk is de gereformeerde leer zelf schuldig).”

In het verleden is daarop, zo kon ik op de site van het Nederlands Dagblad vinden, al genoeg ingegaan. In mijns inziens zowel dramatisch kortzichtige reacties (uit volkskerkhoek) als in reacties die Bijbels hout snijden.

Ook ik val geregeld over de lauwheid in het geloofsleven van – in mijn geval – vrijgemaakten. En met De Ruiter ben ik van mening dat er in de GKv veel – laat ik zeggen – ‘profiteurs van de rechtvaardiging’ zitten. Met die term bedoel ik dat we de heiliging van ons leven van ons afwerpen, ‘omdat we toch door Jezus vergeven zijn of worden. Dus waarom zou ik mijn leven heiligen? Bovendien… we zijn toch ook geheiligd in Jezus Christus? Klaar is Kees!’
Ik denk dat genoeg GKv’ers het volgende niet hardop zeggen, maar het wel uitleven: ‘Ik leef gewoon van zonden naar vergeving naar zonden naar vergeving. En dat houd ik met gemak m’n hele leven vol.’

Maar wat ik erg vind is het feit dat predikanten aan deze praktijk meewerken. Hoe? Door elke zondagmorgen, als de dienst nog geen vijf minuten oud is, de wet van de HEER voor te lezen, en dan met droge ogen de gemeente psalmen te laten zingen met de volgende strekking:

‘Een stroom van ongerechtigheden
had de overhand op mij.
[namelijk in de afgelopen week]
Maar u verzoent ons overtreden
en maakt van schuld ons vrij.’
[Psalm 65 vers 2 uit het Gereformeerd Kerkboek]

Als je aan dit soort ‘vrome’ praktijken maar vaak genoeg meedoet, ga je vanzelf geloven dat de levenslange afwisseling tussen jouw zonden en Gods vergeving ervan de kern van het christelijk geloof is.
De beste christen is hij die het grootste zondebesef heeft. Hij krijgt namelijk de meeste vergeving…!
Mij bekruipt dan ook wel eens het idee dat we in kerk en liturgie wel willen lijken op die man die door Jezus geprezen wordt, maar dat niemand zich als die man voelt! We zeggen dat we zondig zijn, maar we voelen er geen moer van. ‘Maar ja, God wil dit, dus doen we het maar.’

Wees eerlijk en nuchter. Waarom zou je naar zonden zoeken als je ze niet gedaan hebt (vergelijk Psalm 26; wordt die wel ’s gezongen in de GKv)?
Mijn dominee zei vroeger op catechisatie als we geen zonden bij onszelf konden – en wilden – opnoemen: “Nou, als je geen zonden kunt vinden, bedenk dan goed dat je elke minuut zonden doet, ook onbewust!”
En toen werd David Heek op een dag in 2003 depressief en overspannen van deze ongereformeerde prietpraat die ik moest geloven.

Ik begrijp De Ruiters move van ‘verzoening door voldoening’ naar ‘verzoening door wedergeboorte’ heel goed, al vind ik hem – net als dat leerboekje dat we de Catechismus noemen – op de site te eenzijdig en te kort door de bocht overkomen. (Ik zou beide statements graag naast elkaar willen laten staan; ze laten me het geluk in en grote dankbaarheid voor God ervaren, op Bijbelse grondslag.)
Ik heb z’n boekje (Jezus in ons) vandaag besteld.

Met De Ruiter zou ik willen pleiten voor een heiligingsbeweging in de Gkv. Niet om onszelf vervolgens in de heiliging rechtvaardig te gaan zitten verklaren – “God, kijk ons ’s goed bezig zijn; zijn we niet geweldig?!” – maar omdat Jézus het is die mij rechtvaardig verklaart. Blijkbaar is wat hij gedaan en gezegd heeft, ook in de drie jaar voor zijn dood (!), de weg van het eeuwige leven met God!
Rechtvaardiging alléén geeft me geen vreugde. Wat heb ik er aan als mijn vrouw mij m’n domme dingen vergeeft en mij vervolgens in een donkere kast laat zitten (= geen heiliging)? Mag ik alsjeblieft ook genieten van m’n huwelijk, m’n vrouw en kinderen?

Inderdaad Ton, Jezus in mij! De mooiste verandering in het leven van een schepsel.

1 Johannes 3, 7-10

Kinderen, laat niemand u misleiden: wie rechtvaardig leeft is een rechtvaardige, zoals ook Jezus rechtvaardig is, en wie zondigt komt uit de duivel voort, want de duivel heeft vanaf het begin gezondigd. De Zoon van God is dan ook verschenen om de daden van de duivel teniet te doen. Wie uit God geboren is zondigt niet, want Gods zaad is blijvend in hem. Hij kán zelfs niet zondigen, want hij is uit God geboren. Hieraan is te zien wie kinderen van God en wie kinderen van de duivel zijn: wie niet rechtvaardig leeft, komt niet uit God voort. Hetzelfde geldt voor wie zijn broeder of zuster niet liefheeft.

Wanneer mensen me vertellen dat het in hun kerkelijke gemeente ‘helemaal niet zo verkeerd gaat’ of dat ‘het bij ons altijd erg gezellig en geweldig is’, kan ik een glimlach niet vermijden.

De reden daarvan is dat de mate van gezelligheid en het aantal (geestelijke) prestaties wel belangrijk zijn in onze westerse maatschappij, maar Bijbels gezien totaal irrelevant zijn. Eenheid, betrouwbaarheid, Bijbelse waarheid en de gezindheid van Jezus Christus, zijn enkele maatstaven die Paulus in een christelijke gemeente hanteert.

Wanneer het in gemeentes altijd erg fijn en gezellig is, vraag ik mij af of Jezus Christus er wel verkondigd wordt. Want hoe kan het zijn dat waar deze Jezus kwam een zeer klein gedeelte hem bleef volgen maar dat het gros van de mensen wegliep, kwaad werd, zich aangevallen voelde, en hem ten slotte kruisigde?
Zal dat in een christelijke gemeente dan anders zijn?

Nu denk ik dat veel christenen zullen zeggen: “Maar David, er zitten in een christelijke kerk toch allemaal mensen die Jezus juist willen volgen? Die zijn toch wedergeboren? Hoe kun je dan verwachten dat die kwaad gaan zitten worden op Jezus?”

Ik denk dat we onszelf wat dit betreft geregeld voor de gek houden. In een kerk van 400 gereformeerde (of evangelische of baptistische of katholieke) mensen zitten geen 400 wedergeboren christenen.
Ik denk dat we elkaar wat dat betreft de hand boven het hoofd houden. Ook vanaf de kansel. Ik denk dat in veel gemeentes jarenlang de lieve vrede (in plaats van Jezus, die Gods vrede is) verkondigd en in standgehouden wordt en dat we als gevolg daarvan één-pot-nat-gemeentes kweken.

Bovendien denk ik dat we vanaf de kansel vaak de verkeerde vragen toegeworpen krijgen, waardoor dit één-pot-nat-denken-en-leven in stand gehouden wordt.
Voorbeeld. Ik hoor vaak vanaf de kansel dat we moeten geloven dat Jezus Heer is (of is opgestaan uit de dood o.i.d.). Dan denk ik: ‘Ja, dat is lekker gemakkelijk! Want welke gereformeerde gelooft nu niet dat Jezus Christus zijn of haar Heer is, of dat hij écht is opgestaan (en niet in de harten van zijn leerlingen o.i.d.)?

En dus reageert elke kerkganger met ‘Ik geloof het’ en lijkt het net of er 400 wedergeboren christenen in een en dezelfde gemeente zitten.
En dat allemaal omdat gewoon de verkeerde vraag gesteld is.
(Het gaat er niet om of je gelóóft dat Jezus je Heer is, maar of hij álles voor je is! (Slik?))

Ik zie de gemeente als een snijplank met witlof erop.
Als ik voor m’n vrouw en kind witlof kook, snij ik natuurlijk altijd het niet te eten kontje eraf. En dan liggen er op één en dezelfde snijplank de eetbare witlof en de stukjes witlof die ik even later weg ga gooien.
Ik zie de gemeente als zo’n snijplank.
Een christelijke gemeente kent zowel rechtvaardige, wedergeboren mensen (de goede, eetbare witlof) als onrechtvaardige, niet-wedergeboren mensen (de stukjes witlof die weggegooid worden).

Dit beeld, dat ik aan Jezus’ onderwijs meen te ontlenen, doet meer recht aan de werkelijkheid. Maar dit is nog niet het einde van het verhaal.

Want… het punt is dat in een christelijke gemeente deze kontjes witlof geduld worden! En dat we Jezus hebben te volgen in het liefhebben van iedereen! We kunnen elkaar dus nooit een ‘gebrek aan wedergeboorte’ verwijten. Want hoe weet je dat bij een ander? Wie kan in het hart van een ander kijken?
Je weet het alleen van jezelf. En je merkt het bij jezelf – of niet.

Tot het moment dat Jezus Christus zelf het kaf van het koren gaat scheiden hebben we elkaar allemaal lief, en confronteren (gebeurt dit nog?) en verblijden we elkaar met deze Jezus, de Godmens.

Maar stop alsjeblieft met het verspreiden van die onzalige, onware, onbijbelse gedachte dat jouw kerkelijke gemeente de hemel op aarde is.
Streef er wel naar – waarom niet? Niet jagend en frustrerend, maar biddend, en biddend en biddend. En lezend, en lezend en lezend.

Matteüs 13, 37-43

37 Jezus antwoordde hun: ‘Hij die het goede zaad zaait is de Mensenzoon, 38 de akker is de wereld, het goede zaad dat zijn de kinderen van het koninkrijk [waaronder kerkgangers, DH]; het onkruid dat zijn de kinderen van het kwaad [waaronder kerkgangers, DH], 39 de vijand die het zaait is de duivel, de oogst staat voor de voltooiing van deze wereld en de maaiers zijn de engelen. 40 Zoals het onkruid bijeengebonden wordt en in het vuur verbrand, zo zal het gaan bij de voltooiing van deze wereld: 41 de Mensenzoon zal zijn engelen eropuit sturen, en ze zullen uit zijn koninkrijk allen die anderen ten val hebben gebracht en de wetten hebben verkracht bijeenbrengen 42 en hen in de vuuroven werpen; daar zullen ze jammeren en knarsetanden. 43 Dan zullen de rechtvaardigen in het koninkrijk van hun Vader stralen als de zon. Laat wie oren heeft goed luisteren!

Morgenvroeg, Eerste Kerstdag, zal ook ik weer in de kerk zijn. Helaas ben ik nergens gevraagd om te spreken, ik had ‘t graag gewild.

Ik zie altijd op tegen deze kerkdienst. En dé reden daarvan is dat ik nog nooit een goede, prikkelende, confronterende Kerstpreek heb gehoord, waarin Gods liefde uiterst serieus aangepakt wordt. Natuurlijk hoor ik wel het bekende ‘vrede op aarde’ en ‘God houdt van je, kijk maar naar het kindje Jezus’ maar – ietwat flauw gezegd – veel verder dan een soort ‘Joepie-joepie-Jezus-is-geboren-dus-geloof-in-hem’ komt het in de meeste gevallen niet.
Kortgezegd: ik weet niet hoe u het ervaart, maar ik ben nog nooit geraakt in een Kerstdienst.

Terwijl het juist in déze dienst (en tijdens bruiloft- en begrafenisdiensten) moet gebeuren. Waarom? Omdat juist op zulke dagen mensen in een kerk zitten die er normaliter weinig of nooit een stap binnen zullen zetten.
Morgenvroeg zal het druk zijn in ‘mijn’ Boogkerk in Amersfoort-Nieuwland.

Waarom zit de kerk dan vol? Ik denk om twee redenen:

1. Kerkgang hoort gewoon bij Kerst, volgens velen.
2. En de kans is groot dat je lekkere feelgood-nieuws hoort. (En het vaak vanaf de kansel gehoorde ‘Het draait niet om de kerstboom en de gezelligheid met je familie’ neem je gewoon voor lief. Die waarschuwing hoort er ook een beetje bij, toch?)

Ik zou het wel weten als prediker. Juist op zo’n moment, juist met Kerst zou ik het zoetige ‘vrede op aarde’ mijden.

Want die prachtige uitspraak, gevangen in een lied uit de hemel (Lucas 2, 14), is een uitspraak voor de wereld (vrede op aarde), veel minder voor de kerk.
In de kerk is het spannender. Waarom? Omdat kerkmensen dichter bij het vuur zitten. Let op, ik zeg niet dat kerkmensen beter zijn dan de wereld (veel te vaak: integendeel!), maar dat ze dichter bij het heilige vuur, bij God, zitten.
En wie Jezus Christus, de Zoon van die God, een beetje kent, weet dat deze Jezus in dat geval veel confronterender spreekt.

Sterker nog: het lijkt wel of Jezus de uitspraak van de engelen volledig omdraait!

Matteüs 10, 34-35

[Jezus:] “Denk niet dat ik gekomen ben om op aarde vrede te brengen. Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard. Want ik kom een wig drijven tussen een man en zijn vader, tussen een dochter en haar moeder en tussen een schoondochter en haar schoonmoeder.”

Absoluut, Jezus is Gods vrede in levende lijve. En hij is hét geheim dat in de wereld in het lijfje van een kwestbare, hulpbehoevende baby is binnengedrongen.
Maar ik droom van Kerstdiensten waarin eerlijke, bewogen en tot tranen geroerde voorgangers hun hoorders waarschuwen voor de verschrikkelijke gevolgen die Jezus’ komst had en heeft voor mensen die hem als een lief baby’tje zijn blijven beschouwen – alsof hij niet groter, groot, nee groots geworden is.

De Kerstboodschap in een harde, verrotte, oorlogszuchtige, egocentrische wereld: “Er is vrede bij Jezus te krijgen!”
De Kerstboodschap in de kerken van Jezus Christus: “Merk je het zwaard in de keuze die je voor Christus hebt gemaakt? Dan ben je op de goede weg richting het koninkrijk van God!”

Ik wens iedereen gelukkige Kerstdagen toe.
Enne… we kunnen het betere kiezen, maar het is niet gek om op deze momenten goed te eten en lekker te drinken.
Het is en blijft een verjaardag.

Graag zou ik ergens een vaste aanstelling als prediker krijgen.

Voor mezelf maar ook voor een gemeente is het namelijk goed om ergens regelmatig of langdurig voor te gaan. Dan bouw je wat op, is er ruimte voor een prekenserie, en ontstaat er een band tussen prediker en publiek. En dat laatste is zo belangrijk: inhoud is alleen over te brengen wanneer er een band is tussen zender en ontvanger(s).

Wat dat betreft is het wel begrijpelijk maar ook vreemd geregeld in onze kerken. In veel gemeentes vliegen in een maand tijd soms zeven verschillende predikers voorbij. Je ziet ze, en dan een maand of drie niet meer.
En ja, elke prediker neemt natuurlijk z’n eigen ding en stokpaardjes mee.

Voorzover het nog gaat – de roosters worden vanaf september volgepropt – probeer ik wat vaker achtereen in eenzelfde gemeente voor te gaan.
In 2010 probeer ik ook wat dichter bij huis de kerkdiensten te leiden.

Mijn rooster van 2010 (tot de zomer)

(27 december 2009)

’s morgens: nog vrij, er mag nog gebeld worden
’s middags: Amersfoort-Nieuwland

3 januari

’s morgens: Amersfoort-Vathorst
’s middags: … *

10 januari:

’s morgens: Amersfoort-Hoogland
’s middags: Hilversum

17 januari

’s morgens: …
’s middags: …

24 januari

’s morgens: …
’s middags: Amersfoort-Vathorst

31 januari

’s morgens: Amersfoort-De Horsten
’s middags: …

7 februari

’s morgens: Nijkerk
’s middags: …

14 februari

’s morgens: Utrecht Noord-West
’s middags: …

21 februari

’s morgens: Amersfoort-Centrum
’s middags: Utrecht Noord-West

28 februari

’s morgens: Amersfoort-De Horsten
’s middags: Nijkerk

7 maart

’s morgens: …
’s middags: …

14 maart

’s morgens: …
’s middags: …

21 maart

’s morgens: …
’s middags: …

28 maart

’s morgens: Amersfoort-Hoogland
’s middags: Amersfoort-West

4 april (Pasen)

’s morgens: …
’s middags: …

11 april

’s morgens: …
’s middags: …

18 april

’s morgens: …
’s avonds: Bunschoten-Oost

25 april

’s morgens: VRIJ **
’s middags: VRIJ **

2 mei

’s morgens: Amersfoort-Hoogland
’s middags: Amersfoort-Hoogland

9 mei

’s morgens: Nijkerk
’s middags: Amersfoort-Hoogland

16 mei

’s morgens: …
’s middags: …

23 mei (Pinksteren)

’s morgens: …
’s middags: …

30 mei

’s morgens: Kampen-Noord
’s middags: …

6 juni

’s morgens: Nijkerk
’s middags: …

13 juni

’s morgens: Utrecht Noord-West
’s middags: Nijkerk

20 juni

’s morgens: …
’s middags: Nijkerk

27 juni

’s morgens: Hilversum
’s middags: Hilversum

4 juli

’s morgens: Utrecht Noord-West
’s middags: …

11 juli

’s morgens: Amersfoort-West
’s middags: Amersfoort-West

* … = nog te boeken diensten
** VRIJ = bewust vrijgehouden zondag

Als klein, nietig en beperkt mens nadenken over God is een ondoenlijke bezigheid. Ik bedoel: als God werkelijk God is en wil blijven, dan is hij per definitie onbegrensd groots, ongelooflijk goed, extreem wijs, mateloos liefdevol en uitermate rechtvaardig. Kortom: God is niet in woorden of zinnen of boeken te vatten, waaruit m.i. onmiddellijk volgt dat een leven met die God eeuwig moet duren, en nooit zal vervelen.

Maar ja, hoe kun je dan van die God houden? Hoe kan ik houden van iemand die mij per definitie duizenden kilometers overstijgt? Is er dan wel sprake van een persoonlijke liefde, zoals we elkaar in deze wereld liefhebben?
Want de Bijbel is duidelijk. God vraagt die liefde voor hem wel van me. Heb de HEER, uw God, lief met heel uw hart enz.

Van Sint Nicolaas heb ik een erg leuk boekje gekregen, dat door een andere Sint geschreven is, namelijk Aurelius Augustinus. Het boekje heet Goed onderwijs, een Nederlandse vertaling van het Latijnse De catechizandis rudibus. Daarin beschrijft Augustinus aan een collega hoe je onderwijs kunt geven aan nieuwkomers in de kerk.
Een erg waardevol boekje voor me.

Als een echte leraar geeft Augustinus het goede voorbeeld door zelf een uitgebreid voorbeeld te geven van de wijze waarop hij nieuwkomers het goede nieuws vertelt.

En op een gegeven moment schrijft hij iets over het liefhebben van (de onkenbare) God.

“We moeten niet van God houden als van iets wat me met de ogen zien. Het moet zijn zoals we houden van wijsheid, waarheid, heiligheid, rechtvaardigheid, naastenliefde en meer van zulke begrippen: niet zoals die bij de mensen zijn, maar zoals ze zijn in de eigenlijke bron van onvergankelijke en onveranderlijke wijsheid.”

Ik vind dat het citaat me intellectueel uitdaagt, dat het recht doet aan het anders-zijn of aan de niet-lichamelijkheid van God (die Geest is), en het maakt me verwonderd en dankbaar dat God zich in de persoon van Jezus Christus in grote lijn aan de mensheid heeft aangepast.
Jezus Christus = God in een herkenbaar lichaam.

[Citaat uit: Goed onderwijs (2009), blz. 207]

Op www.gkv.nl is een video geplaatst, waarin Jochem Douma en Adrian Verbree de kinderdoop tegenover de baptistische leer verdedigen.

Al eerder heb ik beschreven waarom ik vind dat deze eeuwige discussie in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) eens moet stoppen. Het is namelijk een achterhoedediscussie.

Want waarom zouden deze twee GKv’ers zo vurig de visie van de baptisten moeten bestrijden? Wat is de relevantie ervan?

Ik denk dat beide mannen deze avonden beleggen om daarmee ook te verdoezelen dat er in de meeste GKv’s een doffe, saaie, nietszeggende, oubollige, 20ste eeuwse sfeer heerst.
Want waarom willen zoveel jongeren zich graag laten overdopen? Wat denk je, zouden ze dat ook willen als er in de GKv een positieve geloofssfeer zou hangen? Zou dit dan een issue zijn? En laten ze zich overdopen om zich daarmee af te zetten tegen hun eerdere doop? Ik weet wel zeker van niet.
Integendeel, ik denk dat de wens om zich te laten overdopen vooral compensatiegedrag is voor het gebrek aan christelijke echtheid in de eigen gemeente.
Als de Geest van Christus in een gemeente heerst, voelt men zich heus wel thuis in de eigen gemeente, en zullen ze de dooppraktijk voor lief nemen.

Maar in plaats van de (veelal Geestloze?) sfeer aan te pakken door middel van kerkelijke, eigentijdse vernieuwingen, door prikkelende, relevante prediking en door bewogen midden in de wereld te staan, gaan we met elkaar opnieuw het belang van de kinderdoop zitten benadrukken! Want daar zijn we als gereformeerden natuurlijk goed in, en trots op. Bovendien zoeken we veel zekerheid in onze kinderdoop, terwijl ik me afvraag of het ritueel niet belangrijker is geworden dan de Gód die wil dat er in de christelijke kerk gedoopt wordt.

Hierdoor gaan we aan het échte probleem voorbij: jongeren lopen zich collectief stuk op het gebrek aan merkbaar geloof van de mensen in en het gebrek aan relevantie van de kerken! En men voelt ook collectief aan dat een Bijbelse visie op de doop, hoe uitgebreid en goed die ook wordt uitgelegd, daar niets aan verandert.

Mijn voorkeur gaat uit naar de kinderdoop (omdat dit ritueel God ongelooflijk groot maakt en houdt, meer dan bij het opdragen van kinderen), maar ik vind het onnodig dit onderwerp op het benauwende niveau van Verbree en Douma te voeren, en zo op de spits te drijven.

In de video zie ik de twee mannen geregeld gebruikmaken van drogredenen (Verbree neemt de gereformeerde visie bijvoorbeeld als waarheid en wie dat niet zo ziet is als iemand die niet in de zwaartekracht gelooft…); ik zie het ‘grefo’-wijsvingertje vooral bij Douma wel heel vaak; er worden karikaturen van baptisten en de baptistische leer gemaakt (alsof dé baptistische leer bestaat en Bottenbley er dé woordvoerder van is); en tijdens de lezingen wreekt zich het feit dat dit ‘debat’ voor eigen parochie gevoerd wordt (zie setting): ik zie veel ja-knikkers in het publiek (met de daarbij behorende gefronste wenkbrauwen…). Thuiswedstrijden zijn altijd gemakkelijker om te spelen.

Nu lijkt het erop alsof ik de gereformeerden finaal afmaak. Maar ach… ook evangelischen en baptisten zullen op hun beurt – en als ze daarop uit willen zijn – bij hun eigen publiek gemakkelijk scoren door karikaturen van de gereformeerde visie te maken. Natuurlijk doen Bottenbley en de zijnen dat geregeld; ik ben daar niet blind voor.
Maar m’n punt is dat we geen steek dichter bij het koninkrijk van God komen.

Als Jochem en Adrian kerkmuren willen blijven optrekken, moeten ze vooral zo doorgaan! Maar ik vraag me zwaar af of hun gedrag past bij het komende koninkrijk van God. Waar is de christelijke nederigheid, de christelijke ruimte, het relativeringsvermogen en de Geestkracht die we nodig hebben om te zien waarop het in deze wereld aan komt, voordat Jezus terugkomt?