In m’n preek van gistermorgen haal ik een voor menig (ex-)kerkganger bekend lied aan: ‘Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw’.
Ik gebruikte dit lied in een kritisch kader. Want ik heb het vermoeden dat we dit lied soms iets té graag zingen.
Het ligt nogal genuanceerd.
Kijk, je kunt dit lied zingen vanuit je veilige holletje. Je doet als christen je best niet om heilig te leven, om te wandelen met God, om met geestelijke ogen en het nodige lef door deze wereld te stappen.
Integendeel, je leeft als ieder ander, en het enige waarin je je onderscheidt is je zondagse kerkgang.
Wie dan dit lied graag zingt, liegt tegen zichzelf. Want waarom zou je het belangrijk vinden dat God alles gaat vernieuwen als blijkt dat je je in het alledaagse leven prima thuisvoelt? Waarom zou jij dan stil gaan zitten afwachten totdat het gebeurt? Volgens mij moet je er niet aan dénken dat God alles gaat vernieuwen. Je ziet er in ieder geval niet de noodzaak van in…
Je kunt dit lied dus gebruiken om je eigen geweten te sussen. Je brult het lekker hard mee, terwijl je totaal niet naar die nieuwe wereld (waarin het eeuwig om God draait! Slik?) verlangt.
Maar wat nu als je wèl een christen bent die Jezus probeert te volgen en naar Gods koninkrijk verlangt?
Ja, dan kan ik me goed voorstellen dat je wel eens baalt van de huidige wereld om je heen. Dat je depressief of moe van alles wordt.
Dan lijkt het me goed om dit lied te zingen. Waarom? Omdat je Vader-God, wanneer je in zo’n deprimerende situatie zit, op grond van de komst van zijn Zoon Jezus Christus werkelijk tegen je zal zeggen dat je gerust stil kunt zijn en af kunt wachten wat hij voor verwonderlijk nieuwe dingen in petto heeft.
Wanneer je je als volgeling van Jezus niet lekker in je vel zit, mág je van hem uitgebreid niet lekker in je vel zitten. God is namelijk totaal niet afhankelijk van jouw inspanningen met het oog op de komst van zijn koninkrijk.
Je kunt het herkennen bij de de dichter van psalm 42. Hij kent God, en is depressief. Maar hij stelt zijn hoop in alle rust op God. God wijst hem niet af, vanwege luiheid of aanstellerij of iets dergelijks.
Maar dit gebeurt dan dus niet in z’n veilige kerkje of z’n eigen gecreëerde winterslaapholletje, maar middenin een wereld die werkelijk dagelijks van God en zijn koninkrijk een ver-van-je-bed-show maakt.
Psalm 42, 12
Wat ben je bedroefd, mijn ziel,
en onrustig in mij.
Vestig je hoop op God,
eens zal ik hem weer loven,
mijn God die mij ziet en redt.
PS. Als liturg zou ik dit lied dan ook alleen in een pastorale context laten zingen. Niet zomaar, “omdat-ie weer een keer aan de beurt is”.