Archief van januari, 2010

Heb je je wel eens afgevraagd waarom je zo vaak of zo gemakkelijk in de valkuil van zonden stapt?

Ik kan me voorstellen dat iemand deze vraag beantwoordt met iets als: “Ja, dat komt natuurlijk omdat ik zondig bén!” En inderdaad, zo hebben we dat altijd geleerd. En het is ook waar. Tot aan zijn dood blijft een mens een zondaar, of je het nou leuk vindt of niet. (Maar vergeet nooit dat je door Jezus Christus als een geliefd, geaccepteerd, gerechtvaardigd en vernieuwd zondaar wordt beschouwd.)
Toch vind ik dat antwoord ook altijd wat te gemakkelijk. “Ik kan er nu eenmaal niets aan doen, dus heb ik het maar te accepteren.”

Vanmorgen mocht ik spreken in De Lichtkring. Inderdaad, exact dezelfde kerk als afgelopen vrijdag.
Maar nu was de sfeer natuurlijk totaal anders. Was ff omschakelen.

Ik sprak over Psalm 119. Vooral vers 11 daarvan trof me, en ik wilde met mijn preek bereiken dat ook anderen stevig geraakt zouden worden.

Psalm 119, 11

Uw woord heb ik in mijn hart geborgen,
zo zal ik niet tegen u zondigen.

Dus als ik het goed begrijp, geldt het volgende. Eén van de redenen waarom ik in de valkuil van zonden en verleidingen trap is gelegen in het feit dat ik geen weerwoord heb. Letterlijk geen weerwoord.
Terwijl de dichter van Psalm 119 dat wel heeft. Net als Jezus Christus, die in de woestijn de satan met Bijbelcitaten de mond snoerde. (Opvallend trouwens dat ook de satan de Bijbel goed kent. Oké, hij misbruikt hem maar hij weet donders goed dat het boek waardevol en belangrijk is.)

Wie Gods woord niet alleen hoort maar het ook in zijn hart bewaart, heeft munitie in huis. Tegen die satan. Raak hem met de Bijbel, en hij vlucht van je weg. Alsof de ketting waaraan hij ligt nog korter wordt, en jij dus veiliger bent.

Hiernaast de preek: Psalm 119, 11

DE BESTE BIJBELVERTALING (volgens mij dan)

Aan het begin van de dienst raadde ik de gemeenteleden van Amersfoort-De Horsten aan om de English Standard Version (ESV) aan te schaffen.
Deze Bijbel blijft namelijk erg goed bij de grondtalen, terwijl ‘onze’ NBV er soms net niet helemaal lekker uitziet. Bovendien is het gewoon mooi Engels.
En die taal beheersen we zo goed als allemaal.
Het is ook nog eens een studiebijbel. Dus mocht je ’s vastlopen in je stille tijd, dan kun je altijd nog terecht bij de uitgebreide voetnoten en ontelbare verwijzingen naar Oude en Nieuwe Testament.
Mocht je denken dat de Bijbel te oud en boring is, dan zal dat met deze vertaling snel voorbij zijn.

Als je deze Bijbel wilt hebben, kun je hem het beste uit Engeland laten overvliegen. In Engeland is-ie (vaak) veel goedkoper dan in ons land. Je betaalt geen verzendkosten; het enige wat je nodig hebt is een creditcard.

Ik heb destijds gekozen voor een le(de)ren uitvoering. Klik daarvoor hier.

Maar je kunt ook voor het iets goedkopere harde kaft kiezen. Klik daarvoor hier.
In Nederland is deze uitvoering iets duurder.

Beide uitvoeringen blijven onder de 50 euro.
Van harte aanbevolen!

De afgelopen week was een van de heftigste weken uit mijn leven. Zondagochtend hoorde ik voor de eerste keer van de plotselinge dood van Martijn de Zeeuw. Nog diezelfde middag belde zijn vader met de vraag of ik de samenkomst van afgelopen vrijdag wilde leiden.
Ik dacht meteen ‘ja’, maar ik vroeg natuurlijk om wat bedenktijd.
Zondagavond had ik besloten.

Ja, en dan ga je denken. Wat moet ik in vredesnaam zeggen in een overdenking tijdens zo’n samenkomst? Zijn er wel woorden? Is er wel troost?
Er komen zoveel jongeren die weinig tot niets met het christelijk geloof hebben. Hoe spreek ik hen aan?

Maar al snel schoot een beeld, waarmee ik zelf natuurlijk ook heel veel heb, van de keeper me te binnen. Martijn keepte namelijk. Eerst bij Hoogland, later bij ASC Nieuwland.
Het verhaal zat in m’n hoofd, maar pas op donderdag stond alles op papier. (Vrouw en zoon waren de hele week wat ziek, ik had geregeld overleg met betrokkenen, en een inbraak in onze auto – TomTom gejat – kostte me de nodige tijd.)

Ik deed een kleine try-out in een klein groepje jongeren, bij wie ik door onze predikant werd uitgenodigd. De metafoor sloeg aan, en dat maakte me een stuk zekerder.

Het is een mooi en duidelijk verhaal over de trainer, zijn team en zijn keeper geworden. Een verhaal dat moeiteloos overloopt in een korte lezing en toepassing van Psalm 139, 7-12. Een geweldige troost.

Met toestemming van de ouders en kinderen plaats ik hieronder de overdenking.
Het is mijn gebed dat het ook anderen veel troost en kracht mag geven.
Namens Jezus Christus.

Samenkomst Martijn de Zeeuw – overdenking Psalm 139, 7-12

Afgelopen zondagmorgen kregen we het afgrijselijke nieuws te horen. Een toffe, joviale, relaxte kerel van 17 jaar, die ik twee jaar geleden twee jaar lang wekelijks kerkelijk onderwijs gaf, wilde afgelopen vrijdagavond niet verder leven.

Ik was ontdaan, beduusd, stil en hoorde elk woord in de kerk wel aan maar kon het niet laten landen. Hoe goed en sterk de kracht er ook van is, soms blijven woorden maar woorden. En het enkele gezang kwam wel uit de (meeste) kelen, maar de luchtstroom uit de longen had de stembanden op de reis naar de uitgang amper aangeraakt. Het kwam op mij over als een intens verdrietige brei aan klanken.
Ik ben (mijn broer in Christus) dankbaar dat mijn opgekropte verdriet, dat in het niet valt bij het grote, blijvende verdriet van zijn nabije familie, er alsnog uit kwam.

Het is zo tegennatuurlijk. Het hoort niet, past niet, klopt niet. En natuurlijk is er de vraag die niemand wil stellen, maar wel moet: Waarom toch?

In tranen riep ik uit: “God wil absoluut dat we naar volmaaktheid toe groeien, maar niet de stap nemen om die volmaaktheid vroegtijdig te bereiken!” Dat is tegennatuurlijk. Die stap past niet bij het leven, ook niet bij de God die het leven gecreëerd heeft.
We moeten dood gaan, niet dood willen.

Zeventien jaar. In de bloei van zijn leven. Een kleine boom met uitzicht op groei, in de lengte, in de breedte, in de hoogte, en niet te vergeten: in de diepte.
Ja, hij was nog een kleine boom die hier moest groeien. Maar hij kon niet meer, wilde niet meer. De lage temperatuur, de ijzige wind, de harde neerslag, het lagedrukgebied van het leven werd hem teveel.
Er moest zonlicht zijn. Veel zonlicht. Eindeloos zonlicht.

Jesaja 61, 2c-3

[Jezus, de door God Gezalfde, is gekomen...]
om allen die treuren te schenken
een kroon op hun hoofd in plaats van stof,
vreugdeolie in plaats van een rouwgewaad,
feestkledij in plaats van verslagenheid.
Men noemt hen ‘Eiken van gerechtigheid’,
geplant door de HEER als teken van zijn glorie.

Het is mijn geluk dat Jezus als geen ander weet hoe je met de Bijbel dient om te springen. Want de satan weet er op zijn manier ook wel raad mee, veel nepchristenen evenals allerlei soorten sektarische groeperingen kunnen met alle gemak allerlei teksten naar hun hand zetten.
Maar Jezus en zij die hem volgden en vol van hem waren/werden, zijn de leraren die ik serieus neem.

Ik loop geregeld vast in het Oude Testament. En een van de eerste dingen die ik dan doe is nagaan of die tekst in het Nieuwe Testament wordt aangehaald. En dan kom ik tot de meest verrassende ontdekkingen. Heerlijke eye-openers.

Vandaag las ik het eerste stukje uit Jesaja 61. Ik wist al, door mijn afstudeerscriptie, dat Jezus dit gedeelte aanhaalde in zijn thuiskerk, de synagoge van Nazaret (Lucas 4). Daar leest Jezus Jesaja 61, 1-2a voor om dat Bijbelgedeelte vervolgens doodleuk op zichzelf toe te passen.

Jesaja 61, 1-2a

‘De Geest van de Heer rust op mij,
want hij heeft mij gezalfd.
Om aan armen het goede nieuws te brengen
heeft hij mij gezonden,
om aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken
en aan blinden het herstel van hun zicht,
om onderdrukten hun vrijheid te geven,
om een genadejaar van de Heer uit te roepen.’

Dit citaat is volgens mij niet alleen heel bewust door Jezus uitgekozen, maar ook zeer bewust geëindigd.
Ik schreef zo-even dat Jezus tot vers 2a voorlas. De zin die daarna komt bewust niet!

Jesaja 61, 2b

‘…en een dag van wraak voor onze God [uit te roepen]‘

Waarom stopt Jezus bij het zinsdeel ‘om een genadejaar van de Heer uit te roepen’? Omdat Jezus daarvoor zijn nabijheid bij God heeft opgegeven. Of, om een uitspraak van Jezus zelf aan te halen, om duidelijk te maken dat hij niet gekomen is om de wereld te oordelen, maar haar te redden.

Ruim 2000 jaar geleden is de wraak van God niet over de mensheid losgebarsten. Integendeel, Gods liefde kwam in de persoon van zijn Zoon op aarde. Om mensen naar zijn koninkrijk te trekken, om mensen aan hem te laten spiegelen zodat zij zichzelf zouden leren kennen, om te ontdekken wat genade inhoudt, om zich te verwonderen om Jezus’ radicale en bewonderenswaardige woorden en niet te vergeten zijn uitzonderlijke, bovennatuurlijke daden, om God zelf te leren kennen en hem alle aanbidding te geven die hij verdient, om in te zien dat Jezus in onze plaats de wraak van God accepteerde en droeg.

Jezus sprak de dag van Gods wraak niet uit. Want die Bijbelse waarheid was niet voor zijn publiek in die synagoge bestemd, maar voor zichzelf.

Komt er dan helemaal geen wraak van God? Natuurlijk wel. Jesaja 61, 2b is geen leugen of afgedane zaak. Maar pas in tweede instantie is hij voor de mensheid bestemd.
Wanneer Jezus zich nogmaals zal laten zien, zal dit gepaard gaan met gebeurtenissen die op mondiaal, zelfs kosmisch niveau zullen plaatsvinden.
Maar zij die hun redding door Jezus liefhebben, op grond van zijn eerste komst, zullen daarvan niets meemaken. Voor hen wordt het genadejaar vanaf dat moment direct omgezet in ontelbaar veel genade-eeuwen.

DE LANGE STILTE

Aan het eind der tijden stonden miljarden mensen op een grote vlakte om Gods troon verspreid. De meesten deinsden terug voor het stralende licht voor hen. Maar in een paar groepen die vooraan stonden werd druk gepraat. Niet zacht en beschaamd, maar met grote heftigheid.

“Kan God ons oordelen? Wat weet hij nou van lijden af?” snauwde een brutaal zwartharig meisje. Ze trok haar mouw omhoog en liet een getatoeëerd nummer van een nazi-concentratiekamp zien. “Wij hebben verschrikkingen, en klappen, en marteling, en de dood moeten verduren!”
In een andere groep trok een negerjongen zijn kraag naar beneden. “En dit dan?” vroeg hij, terwijl hij de lelijke afdruk van een touw in zijn hals liet zien. “Gelynched, alleen maar omdat ik zwart was!”
In een andere groep stapte iemand uit Haïti naar voren. “Waarom moest ik zonodig slachtoffer van de aardbeving zijn?” mompelde ze. “Waar heb ik dat aan verdiend!”

Overal op de vlakte stonden honderden van zulke groepen. Ze beklaagden zich allemaal over God dat hij het kwaad en het lijden in zijn wereld had toegestaan. Ja, God, die was heerlijk gelukkig dat hij in een hemel woonde waarin alles heerlijk en licht was, waarin geen sprake was van angst, honger of haat. Wat wist God van alles wat de mens in de wereld moest meemaken? God leidt een aangenaam en beschermd leven, zeiden ze.

Iedere groep zond daarom zijn leider, die gekozen werd omdat hij het meest geleden had. Een Jood, een neger, iemand uit Hiroshima, iemand die door reuma helemaal krom gegroeid was, een totaal misvormd kind. Midden op de vlakte kwamen ze bij elkaar om met elkaar te overleggen. Ten slotte waren ze klaar om hun zaak voor te leggen. Die zat goed in elkaar.

Voordat God in aanmerking kon komen om hen te oordelen, moest hij eerst meemaken wat zij meegemaakt hadden. Ze besloten dat God tot een leven op aarde veroordeeld moest worden – als mens.
“Laat hem als Jood geboren worden. De wettigheid van zijn geboorte moet in twijfel getrokken worden. Geef hem zo’n moeilijk werk dat zelfs zijn eigen familie denkt dat hij gek is als hij dat werk probeert te doen. Laat hem door zijn beste vrienden verraden worden. Laten ze hem vals beschuldigen en voor de rechtbank brengen en laat hem dan door een bevooroordeelde jury ondervraagd worden en door een laffe rechter gevonnist worden. Laat hem ook goed gemarteld worden.
Laat hem uiteindelijk zien wat het betekent helemaal alleen te zijn. Laat hem dan sterven. Laat hem zodanig sterven dat er geen enkele twijfel bestaat dat hij werkelijk gestorven is. Er moet een groot aantal getuigen zijn dat dat kan bevestigen.”

Toen iedere leider zijn onderdeel van het vonnis had uitgesproken, stegen er luide kreten van bijval op uit de verzamelde menigte.
En nadat de laatste zijn vonnis had uitgesproken, viel er een lange stilte. Niemand zei nog iets. Niemand bewoog.
Jezus liet zich zien.
Plotseling wist iedereen dat God zijn vonnis al had ondergaan.

[Dit is een bewerkte versie van The Long Silence, geschreven door een anoniem auteur]

Voor vanavond ben ik gevraagd om een ontmoetingsavond te leiden waarin het gebed met kinderen centraal staat. Ik kreeg namelijk een verontrustend (maar niet verrassend) mailtje waarin werd geschreven dat ouders niet meer met hun schoolgaande kinderen bidden.

Toen je kinderen nog niet naar school gingen, voer het jonge (gebeds)leven in rustig, kalm vaarwater. Bovendien waren de kids vaak nog ‘in the mood’. Ze deden hun handjes al samen, voordat je hun slaapkamer inwandelde of meteen nadat ze hun dekentjes voelden. Nu zijn ze 8, 9, 10, 11 jaar, worden ze mondig, is het kalme water al in een redelijke stroming terechtgekomen, en ja, krijg ze dan nog maar ’s aan het bidden.
En hoe houd je het leuk? Spannend? Verwachtingsvol? Relevant? Op hun niveau? Authentiek en natuurlijk, met ruimte voor alle emoties?

Ik kan me goed voorstellen dat je als ouders de moed opgeeft, de kids hierin meer en meer loslaat of jezelf overgeeft aan een saai, irrelevant, zo goed als levenloos ritueel. En dat moet voorkomen worden, want wellicht jarenlang opgelopen schade door laksheid wordt steeds moeilijker te repareren.

Ouders bidden niet (meer) met hun kinderen. De vraag is: hoe komt dat?
Ik wil één ding noemen, vanavond meer.

Een resultaatgerichte visie op het gebedsleven vanuit gearriveerdheid bij jezelf.

Ouders maken zich vaak openlijk zorgen om de geestelijke groei van hun kids. Als je hun vraagt naar het waarom, vermoed ik een vreemd antwoord te krijgen.
Ouders blijken zich namelijk niet primair zorgen te maken over het gebedsleven als zodanig, maar veel meer over het gegeven dat hun kids “in een veel dynamischer, prikkelender tijd dan wij destijds” leven. Vroeger hadden ‘wij’ het gemakkelijker, rustiger. En die tijd hebben we, vaak zonder een levend gebedsleven, doorstaan. Maar onze kinderen leven in een totaal andere tijd, waarin het gebed wèl of meer noodzakelijk is.
Hiermee wordt volgens mij geheel ten onrechte gesuggereerd dat de kids-van-nu het gebed meer nodig zouden hebben dan de ouders-van-nu of de kids-van-toen.
Alsof de satan in de jaren 50-80 van de vorige eeuw van een jarenlange pauze genoot. Niet hij pauzeerde, maar het is hem vaak gelukt om ons een gevoel van rust en geestelijke onbezorgdheid te geven.

Een dergelijke gearriveerdheid blijkt volgens mij ook uit de volgende waarheid. De reden dat ouders hun kinderen willen laten bidden is niet (zozeer) om hen een vertrouwensband aan te laten gaan met hun Vader in de hemel, maar om hen op een bepaald, geaccepteerd punt te brengen waar de ouders zelf staan, en tevreden mee zijn.
Anders gezegd: ouders hopen veel meer op een gebedsleven met het nodige resultaat. Voor zichzelf: ‘Yes, ik heb mijn kind aan het bidden gekregen/gehouden!’ En voor hun kids: belijdenis, doop, goede keuze wat de vriendenkring betreft, christelijk huwelijk, geloof, trouwe kerkgang.
Het uiteindelijke resultaat is, veel meer dan het gebedsproces op zich, de drijfveer om kinderen aan het bidden te krijgen.
In plaats van te investeren in en te genieten van de dagelijkse, intieme omgang met God die vrede geeft, ligt steeds de (wan?)hoop onder de oppervlakte die erop gericht is dat de kids dezelfde keuzes als de ouders gaan maken. Anders gezegd: in plaats van te bidden om te worden als hij (Jezus Christus) hopen de ouders erop dat hun kinderen worden als zij!

Ik denk dat een dergelijke houding funest is voor het gebedsleven binnen een gezin. Het kan zoveel mooier, aantrekkelijker, heiliger en intiemer. Tenminste, als ik de Bijbel over het gebed erop nasla.
En dat is mijn belangrijkste punt. Ik denk dat de vreugde gestimuleerd wordt wanneer we opnieuw gaan inzien dat een geestelijk gebedsleven zonder een hernieuwde fascinatie voor Gods Woord, een hopeloze zaak is.

Gisteren schreef ik dat het goed voor me is om me te vereenzelvigen met de heidenen. Ik ben namelijk zelf ook iemand van buiten het volk Israël.
Ik doe daarmee niets unieks. Want de Israëlieten moesten niets anders doen. Zij hadden nooit het recht zich te verheffen boven hun buitenlandse medemens. Alsof zij goed en rechtvaardig in zichzelf waren omdat zij Joden waren.

Of je nu Jood, Nigeriaan, Nederlander of inwoner van Alaska bent, je bent mens. Anders gezegd: je bent Adamiet. En omdat je, waar je ook woont en hoe goed je ook meent te leven, van Adam afstamt ben je een in zonde gevallen mens. Ieder mens staat er voor God exact hetzelfde voor.
(Ik las net ergens iets zeer verhelderend met betrekking tot de zondige staat van elk individu: ‘Je bent geen zondaar omdat je zonden doet. Het is andersom: je doet zonden omdat je een zondaar bent. Dat is de betekenis van het feit dat elk individu in Adam is.)

Dat de Joden als een rechtvaardig volk werden beschouwd, heeft niet met de uitzonderlijke prestaties van het volk als zodanig te maken, maar met de God die dat volk in zijn soevereine wijsheid heeft uitgekozen. God besloot, overigens met het oog op de redding van de hele wereld (Genesis 12, 1-3), zijn zegen, zijn genade, zijn ontferming, enzovoort en beter gezegd: zichzelf voor een bepaalde tijd aan één volk te geven, en de rest van de wereld aan haar lot en dus onwetendheid over te laten. Tot aan Pinksteren.

Het volk Israël was niet rechtvaardig van zichzelf, maar werd vanaf het begin als een rechtvaardig volk beschouwd. Door God, vanuit zijn overvloedig gegeven genade. En die genade gaf hij steeds opnieuw, want in de loop van de Joodse geschiedenis kwam met de regelmaat van de klok pijnlijk aan de oppervlakte dat het rechtvaardige volk grote moeite had met die goede, rechtvaardige God.
En dat is nog steeds herkenbaar in het christelijk leven: niets is moeilijker dan uit genade te leven!

Dat Israël zich had te identificeren met de heidenen, concludeer ik uit het feit dat Israël aan het slot van haar jarenlange onderdrukking in Egypte moest vrezen voor de gevolgen van Gods straf. God straft Egypte (met de wellicht bekende 10 plagen), maar hij laat zijn eigen volk tijdens de uitvoering daarvan niet buiten beschouwing.
En dat moet een reden hebben, lijkt me.

Exodus 12, 12-13

[De HEER:] “Ik zal die nacht rondgaan door Egypte, en ik zal daar alle eerstgeborenen doden, zowel van de mensen als van het vee, en ik zal alle Egyptische goden van hun voetstuk stoten, want ik ben de HEER. Maar jullie zal ik voorbijgaan: aan het bloed zal ik jullie huizen herkennen, en door dat merkteken zal de dodelijke plaag waarmee ik Egypte straf, jullie niet treffen.”

Heel kernachtig samengevat: het valt me op dat God niet klakkeloos, vanzelfsprekend maar bloedserieus aan zijn volk voorbijgaat.

Een Israëliet die dacht, “Ach, ik ben een Israëliet, God kan me niets maken, dus ik hoef dat bloed niet aan m’n voordeur te smeren”, had een groot probleem.

Toegepast op mezelf: Ik ben geen haar beter dan welke niet-christen dan ook. En wanneer ik in mijn omgang met God niet vertrouw op het bloed van Jezus Christus (maar bijvoorbeeld wel op de naar mijn idee goede, zondeloze dagen) heb ik een groot probleem. Dat bloed is mijn redding.

Het houdt een gelovige, denk ik, geestelijk gezond wanneer hij zichzelf in de Bijbel uitgebreid identificeert met de heidenen in plaats van met de (gelovige) Joden.

Dit lijkt misschien een open deur, maar zelf ben ik grootgebracht met het idee dat mijn kerkgemeenschap het nieuwe, ware Israël was. En hoewel dit, hoop ik, nu niet meer (hardop) gezegd wordt, maar deze gedachten ongetwijfeld bij velen met de genen verkleefd zijn, heeft menig gereformeerde het recht opgeëist zichzelf zonder enige vorm van gêne, voorzichtigheid of nederigheid gelijk te stellen met Abraham (i.p.v. de verbannen Babyloniërs), met Isaäk (i.p.v. Ismaël), met Elisa (i.p.v. Naäman), met de gelovige Jood (i.p.v. de Joodse leiders of wreed-lompe Romeinen), met Paulus (i.p.v. bijvoorbeeld de Galaten) en met Jezus (in plaats van Pilatus of Jezus Barabbas).

In Lucas 7 moet het je lukken om je te identificeren met een heiden. Daar wordt namelijk erg positief gesproken over een Romein die niet op stereotype wijze voldoet aan de wreed-lompe kenmerken, maar gewoon een geweldige kerel is.
Kijk, dat kan dus ook. Dat niet-christenen die nog nooit van Jezus gehoord hebben in de praktijk veel beter leven dan menig christen die trouw z’n geestelijke dingen doet.

Het verhaal gaat over een Romein die het Joodse volk goedgezind is en zelfs een synagoge heeft laten bouwen. De beste man heeft een doodzieke slaaf. Maar dan vers 3.

Lucas 7, 3

Toen de Romein over Jezus hoorde, zond hij enkele Joodse leiders naar hem toe om hem te vragen bij hem te komen en zijn slaaf van de dood te redden.

Ik heb het gedeelte ‘over Jezus hoorde’ er even uitgelicht, omdat ik dit als de kern beschouw vanwaaruit je het hele stukje (vers 1-11) begrijpen moet.
Want tussen horen en horen zit soms een wereld van verschil.

1. Je hebt de Joodse leiders die natuurlijk al veel over Jezus hebben gehoord, maar het volgende tegen Jezus over die Romein zeggen:

Lucas 7, 4b-5

Ze zeiden: “De man die u dit verzoekt, verdient het dat u hem deze gunst bewijst. Want hij is ons volk goedgezind en heeft voor ons de synagoge laten bouwen.”

2. Je hebt de Romein die ook over Jezus hoort en niet zelf maar de Joodse leiders verzoekt de aandacht van Jezus te trekken. Wanneer Jezus dat verzoek inwilligt laat de Romein vervolgens het volgende door een paar vrienden overbrengen (de Romein heeft Jezus nooit in de ogen durven kijken!).

Lucas 7, 7-8

“Heer, spaar u de moeite, want ik ben het niet waard dat u onder mijn dak komt. Daarom ook achtte ik mij niet waardig om zelf naar u toe te gaan. Maar u hoeft maar te spreken en mijn knecht zal genezen zijn. Ook ik ben iemand die onder andermans gezag staat en zelf weer soldaten onder zich heeft, en als ik tegen een soldaat zeg: “Ga!” dan gaat hij, en tegen een andere: “Kom!” dan komt hij, en als ik tegen mijn slaaf zeg: “Doe dit!” dan doet hij het.”

Jezus heeft het vaak over kleingeloof, maar hier prijst hij de heiden om zijn grootgeloof. Zo’n groot geloof heeft hij zelfs in Israël niet gevonden, zegt hij even later tegen zijn publiek.
Het klinkt logisch, maar kan voor velen een eye-opener zijn: luisteren naar Jezus betekent niet dat je aan zelfonderzoek gaat doen en vervolgens luistert naar Jezus en afwacht welk cadeau hij je aanbiedt. Het betekent volgens mij wel dat je eerst luistert naar Jezus, hem op waarde schat en vervolgens jezelf leert kennen.
Op een bekende gereformeerde manier gezegd: niet vanuit je eigen ellende (eindeloos graven in jezelf; tot een bepaald dieptepunt ofzo?) naar verlossing toewerken, maar in de persoon en daden van Christus jezelf leren kennen.

De titel van dit blog is de vraag op welke voorwaarden Jezus voor je klaar staat. Het antwoord lijkt simpel:
Jezus staat voor je klaar als je net als deze Romein bent of doet. De Romein erkent namelijk dat hij Jezus niet waard is en hij vertrouwt erop dat Jezus aan één genezingsbevel-op-afstand genoeg heeft om de slaaf weer vrolijk rond te laten rennen.

1. Maar klopt dit antwoord? Zijn dat de voorwaarden waarop Jezus wacht voordat hij voor jou in actie komt?
2. En is de houding van die Romein in het christelijk leven alle navolging waard?

Ad 1. Nee, Jezus staat namelijk óók klaar voor die Joodse leiders die zeggen dat de Romein het verdient om geholpen te worden. En dan kan ik me voorstellen dat gereformeerde haren meteen overeind schieten. Wat verdienen!? Je moet toch eerst je eigen zonde (of ellende) kennen voordat je Jezus’ genade (of verlossing) krijgt?
Maar het staat er toch echt. Jezus houdt geen preek waarin hij de leiders op hun nummer zet. Integendeel. Vers 6: ‘Jezus ging samen met die Joodse leiders op weg…’

Keurt Jezus die houding dan goed? Ik denk het niet (zijn uitspraak over het grootgeloof van die Romein dient wat dat betreft als een kraakheldere spiegel), maar hij staat wel voor hen klaar. En dat lijkt me een leerpunt voor gereformeerde mensen.

Ad 2. Ik vraag het me af. Natuurlijk, dat grootgeloof is geweldig, zet ook mij op scherp, en verdient alle navolging. Maar is het gezond dat je Jezus niet onder ogen durft te komen? Zit Jezus erop te wachten dat ik als grondhouding met gebogen hoofd op hem afstap en hem niet aan durf te kijken? Is Jezus’ Vader alleen blij met een gebed waarin ik consequent eerst mijn zondige aard belijd?
Welke vader wil dat zijn kind eerst zegt hoe ‘ellendig’ hij is, voordat hij vertelt hoe z’n dag op school was?
In die zin is het volgens mij onjuist om de houding van de Romein volledig te projecteren op het ideale beeld van christen-zijn. Ik denk dat Jezus het geloof prijst (één bevel is genoeg; u bent de heer zoals ik een heer over anderen ben). Maar met die angstige houding zou Jezus vervolgens aan het werk gaan, denk je niet?

Jezus stelt, net als zijn Vader, geen voorwaarden op grond waarvan hij zichzelf aanbiedt. Al denk je zelfs dat je recht hebt op Jezus’ nabijheid en zorg, dan nóg staat hij voor je klaar, loopt hij niet chagrijnig of boos weg! Oké, je beleeft dan geen plezier aan en vreugde in hem, maar m’n punt is nu: Jezus blijft voor je klaarstaan.

In plaats van mensen bij voorbaat af te houden, opzij te preken, een theologisch stempeltje op te drukken of weg te redeneren, geeft Jezus zijn medemens tot aan de laatste dag niet te weinig kansen om te ontdekken wat zijn genade inhoudt.

HET AVONDMAAL

Als dit verhaal klopt, dan is het, zoals iemand tegen me zei, de vraag of het avondmaalsgebruik in de gereformeerde kerken in plaats van een genademaal niet verworden is tot een lidmaatschapsmaaltijd (wel voor die, niet voor die) of een ‘first-feeling-bad-meal’ (je moet je zondig of onwaardig voelen voordat je Jezus kunt ontmoeten, zoals gesuggereerd lijkt te worden in Lucas 7, 1-11).

Ik verbaas me over de eenzijdige voorwaarde die vaak in de grefo-kerken gesteld wordt: “Alleen zij die een afkeer hebben van zichzelf, zich voor God verootmoedigen, berouwvol en zelfs vol verdriet over hun zonden zijn, mogen aan de tafel aangaan.”
Ik heb het idee dat we het avondmaal hebben overgeanalyseerd, -getheologiseerd en -gesacramentaliseerd, wat uitgemond is in ellenlange polemieken en vervolgens in strak belijnde (en oersaaie) avondmaalsformulieren.

Zie ik het verkeerd of te oppervlakkig als ik denk dat het avondmaal, zoals elke normale maaltijd, uitnodigend, ruimhartig en gedurfd van karakter dient te zijn?
Echt, het lijkt me werkelijk ondoenlijk én onnodig om je hoorders telkens een gevoel van berouw en zondebesef op te leggen (hoe waar dit element ook is).
Gevoelens zijn niet op te leggen, laat staan dat ze voorwaardelijk gemaakt worden. Iedereen beleeft het avondmaal anders – en dat moet mogen en kunnen.

Genade stelt geen voorwaarden vooraf. Genade werkt anders. En dat meen ik misschien wel te zien tijdens het Laatste Avondmaal van Jezus. Liet hij daar zijn verrader Judas niet uitnodigend, gedurfd en ruimhartig van ‘meegenieten’?