Of je nu gelooft of niet, áls er een unieke god bestaat moet-ie totaal anders zijn dan wij: sterfelijke, beperkte, machteloze wezens die zich continue bewegen tussen ervaringen van geluk en depressie, lachen en rouwen, juichen en klagen, controle en zoektochten-in-eenzaamheid.
Ik bedoel niet dat een god deze sterk uiteenlopende ervaringen niet mag kennen. Ik bedoel dat hij er ver boven moet (kunnen) staan – zowel boven ons heerlijkste gevoel van geluk als onze meest depressieve momenten. Een god moet dit kunnen handelen.
Nu zou er een god kunnen bestaan die niets met zijn schepping te maken wil hebben. Nogmaals, dit zou werkelijk waar kunnen zijn! Maar alleen al op grond van m’n eigen ervaringen acht ik een betrokken houding aannemelijker dan een afstandelijke.
Wat ikzelf aan materie of bedenksels creëer gooi ik nooit gemakkelijk weg. Ik heb of krijg er ‘iets’ mee.
Een nog sterkere ervaring is deze: ik moet er niet aan denken om geen betrokken, liefdevolle relatie aan te gaan met mijn zoontje die ik slechts heb verwekt, niet gecreëerd.
Als een schepsel deze liefde voor de ander al kent (zonder het geschapen te hebben), zou de werkelijke schepper van de mens dit dan anders gewild hebben? Wanneer ik Joram een stevige knuffel geef, zou die god zich dan, omdat hij is aangetast in zijn eer en in zijn doel met zijn schepping, gepikeerd in zijn hemel terugtrekken?
Een god moet zich met elke menselijke ervaring kunnen confronteren en er tegelijkertijd ver boven kunnen staan; hij moet werkelijk god zijn.
Anders gezegd: een ‘bruikbare’ god moet zich zowel dichtbij kunnen opstellen als zich ver terug kunnen trekken. Hij moet onafhankelijk én aan te hangen, oneindig én bereikbaar, soeverein én te genieten zijn.
Ik meen (iets van en tegelijk veel meer van) deze God in de persoon van Jezus Christus te ontmoeten. Op het ene moment wil Petrus dat Jezus bij hem vandaan gaat, op het andere moment is geen ouder en kind bang voor hem. Jezus brengt zowel een ervaring van goddelijke soevereiniteit teweeg (gevolg: verwijdering) als een ervaring van hemelse aantrekkingskracht (gevolg: nabijheid).
Een mens krijgt volgens mij de keuze om met de onzichtbaarheid, de oneindigheid en de soevereiniteit van God drie kanten op te gaan.
1. Hij kiest voor de korte weg van de onverschilligheid. “Nou en, laat dat hele godsdienstgezever maar zitten.”
2. Hij kiest voor de lange weg van de frustratie. “Ik kan God niet zien, ik voel hem niet, ik heb er niets aan, het slaat nergens op, ook m’n vrome moeder kreeg kanker.” Deze weg kent veel afslagen naar de weg van de onverschilligheid.
3. Hij kiest voor de eindeloze weg van de (stille) verwondering.
Deze laatste weg lijkt aantrekkelijk, en dat is-ie ook. Wie wil zich niet verwonderen (in sport, tijdens vakanties, richting je partner of kind)?
Maar voor mensen die in een tijd leven waarin de lange adem of dat oude begrip ‘volharding’ niet hoog aangeschreven staat, verloopt deze weg als een eindeloze wandelroute naar – laten we zeggen – de top van de Alpe d’Huez.
Je kunt deze beklimming zo snel mogelijk maar gefrustreerd afleggen. Je kunt er ook voor kiezen om het rustig aan te doen en je lang en steeds weer te laten inpakken door de schitterende omgeving die na elke haarspeldbocht weer anders op je afkomt.
Ongeveer op deze manier werkt het volgens mij in de christelijke godsdienst. Ik ervaar dit de laatste tijd regelmatig, vooral wanneer de Bijbel spreekt over het ‘zijn’ van God. Vaak wanneer het woord ‘is’ na het woordje God (of uit de mond van Jezus) volgt, voel ik de neiging opkomen het christelijk geloof uit frustratie op te geven.
God is liefde, God is licht, “Ik ben de weg, ik ben de waarheid, ik ben de opstanding, ik ben het leven.”
De weg van de frustratie (Bijbel snel aan de kant leggen) ligt eerder voor de hand dan de weg waarop ik ga stilstaan en tijd neem voor verwondering (meditatie en gebed).
Ik moet blijven vechten voor en bidden om verwondering en acceptatie van het grote geheim dat God heet. Hij is te groot voor me – en ergens diep in mijn hart haat ik deze waarheid. En als ik deze haat niet voel, merk ik dat ik tot deze haat word aangezet.
(Hoe anders was het geweest als de Bijbel niet verder zou zijn gekomen dan dat God de waarheid, het leven, de opstanding, het licht en de liefde slechts zou geven. Dat zou behapbaar zijn – ik hoefde dit alles slechts te ontvangen. Maar nee hoor, God overweldigt, overvalt me – hij zegt het allemaal te zijn!)
Met C.S. Lewis zeg ik dat de keuze van deze onbereikbaar grote God om zijn leven met mij te willen delen, een “ondraaglijk compliment” aan mijn persoon is.
Ik zou daaraan “onbegrijpelijke liefde” willen toevoegen.