Gisteren schreef ik dat het goed voor me is om me te vereenzelvigen met de heidenen. Ik ben namelijk zelf ook iemand van buiten het volk Israël.
Ik doe daarmee niets unieks. Want de Israëlieten moesten niets anders doen. Zij hadden nooit het recht zich te verheffen boven hun buitenlandse medemens. Alsof zij goed en rechtvaardig in zichzelf waren omdat zij Joden waren.
Of je nu Jood, Nigeriaan, Nederlander of inwoner van Alaska bent, je bent mens. Anders gezegd: je bent Adamiet. En omdat je, waar je ook woont en hoe goed je ook meent te leven, van Adam afstamt ben je een in zonde gevallen mens. Ieder mens staat er voor God exact hetzelfde voor.
(Ik las net ergens iets zeer verhelderend met betrekking tot de zondige staat van elk individu: ‘Je bent geen zondaar omdat je zonden doet. Het is andersom: je doet zonden omdat je een zondaar bent. Dat is de betekenis van het feit dat elk individu in Adam is.)
Dat de Joden als een rechtvaardig volk werden beschouwd, heeft niet met de uitzonderlijke prestaties van het volk als zodanig te maken, maar met de God die dat volk in zijn soevereine wijsheid heeft uitgekozen. God besloot, overigens met het oog op de redding van de hele wereld (Genesis 12, 1-3), zijn zegen, zijn genade, zijn ontferming, enzovoort en beter gezegd: zichzelf voor een bepaalde tijd aan één volk te geven, en de rest van de wereld aan haar lot en dus onwetendheid over te laten. Tot aan Pinksteren.
Het volk Israël was niet rechtvaardig van zichzelf, maar werd vanaf het begin als een rechtvaardig volk beschouwd. Door God, vanuit zijn overvloedig gegeven genade. En die genade gaf hij steeds opnieuw, want in de loop van de Joodse geschiedenis kwam met de regelmaat van de klok pijnlijk aan de oppervlakte dat het rechtvaardige volk grote moeite had met die goede, rechtvaardige God.
En dat is nog steeds herkenbaar in het christelijk leven: niets is moeilijker dan uit genade te leven!
Dat Israël zich had te identificeren met de heidenen, concludeer ik uit het feit dat Israël aan het slot van haar jarenlange onderdrukking in Egypte moest vrezen voor de gevolgen van Gods straf. God straft Egypte (met de wellicht bekende 10 plagen), maar hij laat zijn eigen volk tijdens de uitvoering daarvan niet buiten beschouwing.
En dat moet een reden hebben, lijkt me.
Exodus 12, 12-13
[De HEER:] “Ik zal die nacht rondgaan door Egypte, en ik zal daar alle eerstgeborenen doden, zowel van de mensen als van het vee, en ik zal alle Egyptische goden van hun voetstuk stoten, want ik ben de HEER. Maar jullie zal ik voorbijgaan: aan het bloed zal ik jullie huizen herkennen, en door dat merkteken zal de dodelijke plaag waarmee ik Egypte straf, jullie niet treffen.”
Heel kernachtig samengevat: het valt me op dat God niet klakkeloos, vanzelfsprekend maar bloedserieus aan zijn volk voorbijgaat.
Een Israëliet die dacht, “Ach, ik ben een Israëliet, God kan me niets maken, dus ik hoef dat bloed niet aan m’n voordeur te smeren”, had een groot probleem.
Toegepast op mezelf: Ik ben geen haar beter dan welke niet-christen dan ook. En wanneer ik in mijn omgang met God niet vertrouw op het bloed van Jezus Christus (maar bijvoorbeeld wel op de naar mijn idee goede, zondeloze dagen) heb ik een groot probleem. Dat bloed is mijn redding.