Archief van februari, 2010

Tot mijn eigen vreugde kan ik maar moeilijk afscheid nemen van Jesaja 65. En dat komt door vers 17. Want daar staat iets wat ik in dit leven op geen enkele manier kan begrijpen, laat staan meemaken.
Ja, soms, heel even. Een moment, waarop het lijkt alsof de eeuwige mijn ziel aanraakt en in extase brengt. Maar veel te kort. Als ik het wil grijpen om het te bewaren, is het al weer weg.

Jesaja 65, 17

[De HEER zegt:] “Zie, ik schep een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.
Wat er vroeger was raakt in vergetelheid,
het komt niemand ooit nog voor de geest.”

Ik begrijp daar niets van. Ik kan niet meemaken hoe het mogelijk wordt dat ik, maar ook de mens in het algemeen, zijn of haar verleden zal vergeten. ‘Wat er vroeger was raakt in vergetelheid’ of zoals de ESV vertaald zegt: ‘… zal niet worden herinnerd’ is onaards, kan niet waar zijn.
Vergeven, dat kan ik wel. Maar vergeten, dat lukt geen mens.

Het kan niet anders of Gods nieuwe hemel en zijn nieuwe aarde moeten overweldigend zijn. Ik denk dan ook dat alleen continue, goddelijke, grandioze overweldiging in staat is om mij mijn verleden te laten vergeten.
Zoals ik alles (helaas even) vergeet als mijn vrouw zomaar en precies op het goede moment ‘Ik hou van jou’ tegen me zegt. Of zoals ik alles (helaas even) vergeet bij een prachtig doelpunt na een schitterend uitgevoerde aanval. Of zoals ik alles (helaas even) vergeet als we als broers en zussen van de Heer heerlijk én uitgebreid eten en drinken, Bijbelstudie doen en dan met elkaar twee- of driestemmig de Heer prijzen.
Het heeft allemaal te maken met overweldiging en vreugde.

Ik heb gelezen dat God dit ooit ook ’s gaat doen. En dat hij daarmee met de komst van zijn Zoon op aarde en door de energie en vreugde die zijn Geest geeft en losmaakt, al begonnen is. En dat die God mij en anderen soms al iets van die extase met bijkomende vergetelheid geeft.

Dit wil ik geloven, hier kijk ik naar uit:

Jesaja 65, 18-19

[De HEER zegt:] “Er zal alleen maar blijdschap zijn
en groot gejuich om wat ik schep.
Ik herschep Jeruzalem in een jubelende stad
en schenk haar bevolking vreugde.
Dan zal ik over Jeruzalem jubelen
en mij verblijden over mijn volk.
Geen geween of geweeklaag wordt daar nog gehoord.”

Omdat ik morgenvroeg in De Kandelaar als Spakenburgse dominee (;)) over Psalm 145 mag spreken, heb ik eerder deze week ook dat lied samen met een vriend hertaald. We hebben dit aan de hand van de NBV en de ESV gedaan.
Een supergaaf lied die heerlijk naast de Psalmen voor Nu-versie moet blijven bestaan.
En morgenvroeg wordt-ie vast en zeker ook mooi gespeeld. Peter Sneep speelt dan.

Mijn God en koning, allerhoogste Heer,
ik geef verheugd uw grote naam de eer.
Uw naam, zo groot en vol van majesteit,
zal ik aanbidden tot in eeuwigheid.
Van dag tot dag zal ik u eer bewijzen.
De HEER is groot en ieder moet hem prijzen.
Zijn grootheid gaat het scherpst verstand te boven.
Laat elk geslacht zijn werk en almacht loven.

Groot is de HEER, hij straalt in heerlijkheid!
Ik denk verwonderd aan zijn majesteit.
Zijn schepping: glorieus tot stand gebracht.
Zijn daden: enkel wonderen uit macht.
Laat jong en oud uw naam en faam benoemen,
met hen wil ik uw macht en grootheid roemen.
Wij zullen uw rechtvaardigheid verspreiden.
en in uw goedheid zingend ons verblijden.

Genadig is de HEER en altijd goed.
vol liefde en slechts toornig als het moet.
Uw schepping brengt u zelf de dank, o HEER!
Uw heiligen bewijzen u hun eer.
Zij zullen van uw koninkrijk getuigen.
Ja, jong en oud zal voor uw glorie buigen.
Uw glansrijk koninkrijk zal eeuwig duren,
Uw koningschap zal alle tijd verduren.

De HEER is sterk, onwankelbaar in macht.
Hij steunt wie valt, wie zwak is schenkt hij kracht.
Wie onder angst en moeiten gaan gebukt,
richt hij weer op, hoe zwaar de last ook drukt.
De mensen kijken op naar u, en weten:
u geeft hun op de juiste tijd te eten.
Uw gulle hand verleidt ons tot gezangen.
Van al wat leeft vervult u het verlangen.

Rechtvaardig is de HEER in zijn beleid.
In alles wat hij doet schuilt vriend’lijkheid.
Wie echt oprecht naar hem verlangt, redt hij.
Hij hoort hun schreeuw, komt in hun angst nabij.
De goddeloze zal het niet lang maken.
Maar wie God liefheeft zal hij trouw bewaken.
Zo wil ik met mijn stem de HEER vereren.
Laat al wat leeft zijn naam voor altijd eren!

Het is een van mijn favoriete liederen. Mooi persoonlijk, veel inhoud, mooie melodie, zelfbewust en Jezus verheerlijkend.
Ik heb het over ‘Jezus, leven van mijn leven’, nummer 89 uit het Gereformeerd Kerkboek.
De tekst raakt natuurlijk steeds meer verouderd, al hindert mij dat niet.
Toch heb ik hem vanmiddag hertaald, met een dierbare knipoog naar de oude tekst.
Vind je het wat?

Jezus leeft en laat mij leven,
want zijn dood was ook mijn dood.
Hij heeft zich in angst begeven,
want zijn liefde was te groot.
Nu weet ik, al zou ik sterven
dat ik ’t leven zal beërven.
Niet te tellen – zoveel keer
geef ik hem daarvoor de eer.

Jezus, u moest veel verdragen:
hoongelach en trieste spot.
U bent aan een kruis geslagen.
U hing daar, de Zoon van God!
Om mij, zondaar, te bevrijden
van mijn schuld en eeuwig lijden.
Niet te tellen – zoveel keer
geef ik u daarvoor de eer.

Om mij weer bij God te brengen
heeft u mij eens opgezocht.
Om mijn leven te verlengen
heeft u mij eens vrijgekocht.
Zonder Geest totaal verloren
ben ik nu door hem herboren.
Niet te tellen – zoveel keer
geef ik u daarvoor de eer.

U, mijn Heer, wil ik bedanken
dat u koos voor mij, uw dood.
Dat u mij niet af wou danken,
maar uw bloed voor mij vergoot.
Slechts uw liefde kan mij dwingen
om mijn dank nu uit te zingen.
Niet te tellen – zoveel keer
geef ik u, die leeft, de eer.

Ik kan me goed voorstellen dat iemand na het eerste deel over bovenstaande vraag z’n bedenkingen uit en (ook tegen Tim Keller) zegt: “Is het niet behoorlijk mager om je visie op de hel en op verlorenheid te baseren op één Bijbelse passage? Bovendien is het ook nog eens een verhaal van Jezus. In hoeverre kun je en mag je daaruit zulke verregaande en stellige conclusies trekken?”

Ik moest zo-even weer aan dat blog denken toen ik Jesaja 65 las. (Jaja, nog één hoofdstuk en ik heb de kleine Bijbel, zoals ik Jesaja noem, uit.)
By the way, heb je vers 17 tot 25 wel eens gelezen? Zacht gezegd is wat daar staat niet verkeerd! Negen feestjes (en preken?) op een rij!

Toch bleef ik in mijn gedachten vooral steken bij de verzen 11 en 12. Ik denk vanwege dat hemel/hel-verhaal. En ik ontdekte dat het publiek dat het bekendste verhaal van Jezus te horen kreeg, al kon weten hoe Bijbelse verlorenheid eruit ziet.

1. Bijbelse verlorenheid is een keuze waarvoor de mens zelf verantwoordelijkheid draagt.
Wie ‘naar de hel’ wil, wil zonder de God van de Bijbel leven.
De christen die hem heeft leren kennen en vervolgens besloten heeft hem niet meer te willen kennen, hem te dumpen, maakt zichzelf verantwoordelijk voor die keuze. (Over wie God en zijn Zoon hier op aarde niet heeft leren kennen, oordeelt God met andere maatstaven!)

Jesaja 65, 11a

Maar jullie die de HEER hebben verlaten
en mijn heilige berg veronachtzaamd [...]

2. Bijbelse verlorenheid begint met de gedachte dat je geluk en je bestemming maakbaar zijn.
Dit is volgens mij dé gedachte waarin Gods tegenstander ons dag in dag uit wil laten geloven, vooral door consequent gebruik te maken van de eindeloze wegen van de reclame. We moeten ons volsmeren met huidmiddelen, sneaky gemotiveerd met de slogan ‘omdat je het waard bent’. De mooiste auto’s moeten ons het idee geven van geluk, status, een goed imago en reden om uit je bed te komen. En zelfs maandverband schijnt het zwakke geslacht al een happy period te bezorgen. (Waarom merk ik daar nooit iets van :) ?!)

We dekken – christenen vaker bewust, niet-christenen vaker onbewust – de tafel voor god Geluk en ‘offeren’ ons geld aan de Staatsloterij voor god Bestemming.

Jesaja 65, 11 [Vertaling is mix van NBV en ESV]

Maar jullie die de HEER hebben verlaten
en mijn heilige berg veronachtzaamd,
die voor god Geluk de tafel dekten
en voor god Bestemming de kruiken vulden
[...]

3. Bijbelse verlorenheid is onze bestemming als gevolg van bovenstaande godsverering.
Het idee van de bestemming van het leven behelst vaak niet meer dan het geluk voor ons lichaam. God maakt zichzelf in de persoon van Jezus bekend als de God die zowel de bestemming van ons lichaam als van onze ziel bepaalt. Eerst en vooral in positie zin: eeuwig leven met hem. Maar ook in negatieve zin: de eeuwige dood, die in de Bijbel de ‘tweede dood’ wordt genoemd. Over geluk gesproken!

Jesaja 65, 11b-12a

… die voor de god van het geluk de tafel dekten
en voor de god van het fortuin de kruiken vulden,
jullie zal ik voor het zwaard bestemmen,
ieder van jullie zal knielen voor de slacht.

Toegegeven, in het verhaal van de verloren zoons wordt met geen woord gerept over een doodvonnis van de oudste zoon die liever buiten blijft staan. De reden daarvan is dat Jezus het verhaal bewust een open eind geeft. De oudste zoon, waarmee Farizeeën en hoogmoedige ‘christenen’ zich hebben te identificeren, krijgt bedenktijd.
Maar de Bijbel is duidelijk: wie ook daarna nog dwars en ongelovig besluit buiten te blijven staan, is bestemd voor het zwaard: de eeuwige dood. Zo’n iemand wil knielen voor satan, die ooit definitief geslacht wordt.

Maar het belangrijkste element van Jezus’ verhaal blijft in Jesaja 65 overeind staan. Het is de goedheid van de Vader, die de reden van het zwaard en de slacht niet onbesproken laat:

4. Bijbelse verlorenheid is de Vader niet willen antwoorden, niet naar hem willen luisteren en het slechte doen: niet willen wat Vader wil.
Zie je in onderstaande citaat de Vader die zowel voor zijn jongste zoon als voor zijn oudste zoon naar buiten komt, of niet?!

Jesaja 65, 12

… jullie zal ik voor het zwaard bestemmen,
ieder van jullie zal knielen voor de slacht.
Want ik heb geroepen, maar jullie antwoordden niet,
ik heb gesproken, maar jullie luisterden niet;
jullie deden wat slecht is in mijn ogen,
en jullie verkozen wat ik niet wil.

Vooral jonge christenen komen er geregeld mee op de proppen. Ze vinden dat ze te weinig bidden. En omdat ze geleerd is dat ze moeten bidden, doen ze het dan (soms) toch maar. Voordat ze gaan slapen: even de ogen dicht en dan in gedachten enkele zinnen richting de hemelse gewesten prevelen.
En als ik hun dan vraag wat ze bidden, komen ze zo goed als standaard uit bij de volgende antwoorden:

1. Danken voor de dag.
2. Vergeving vragen voor hun zonden.
3. Bidden voor een goede nacht.

Dan zeg ik: ja, vind je het écht gek dat je dan op een gegeven moment niet meer bidt?! Hoe saai en voorspelbaar kun je het voor jezelf maken…

Het zelfverwijt, zo valt me op, is als het over het gebed gaat groot onder jongeren. (Mijn vermoeden is dat oudere christenen er vaak al mee hebben leren leven óf het zelfverwijt niet meer hardop (durven/mogen?) uitspreken óf de hoop op verandering in hun relatie met God hebben opgegeven.)

Maar goed, de vraag blijft natuurlijk wel hoe je van dat zelfverwijt, dat zich behoorlijk hardnekkig in je geloofsleven kan nestelen, bevrijd kunt worden. Want dat moet natuurlijk kunnen. Het christelijk geloof rust namelijk op het leven en de dood en andermaal het leven van Jezus Christus. En Jezus kreeg die naam om geen andere reden dan mensen te bevrijden van alles wat op ons leven een druk legt.
Het zelfverwijt hoort daar zonder twijfel bij. Het is zonde als je het in je eigen leven herkent én accepteert.

Hoewel er meerdere oorzaken voor dit zelfverwijt zijn aan te wijzen (zoals kerk(cultuur), (groot)ouders, egocentrisme en neiging tot zelfrechtvaardiging) denk ik dat de vinger allereerst bij de volgende reden gelegd moet worden.
Ik heb het idee dat christenen te snel vergeten of maar moeilijk kunnen laten landen hoe groots het is dat de eeuwige God onze Vader is. Dat wil zeggen: hij heeft zich bekendgemaakt, het duidelijkst in zijn Zoon Jezus Christus maar dus ook duidelijk in het Oude Testament, als een Vader die niet zit te wachten op plichtplegingen maar op de liefde van zijn kinderen.

Op zich heb ik geen moeite met een gezond zelfverwijt. Wie structureel langs zijn of haar biologische vader voorbijloopt, hem niet ziet staan of aanspreekt, ja, die heeft alle reden zichzelf genoeg te verwijten. (Al weet ik best dat er genoeg vaders rondlopen die het met hun vaderschap niet zo nauw nemen of genomen hebben. Niet in de laatste plaats omdat ze zelf ook een dramatisch slechte vader hebben gekend.)

God, de Vader van Jezus Christus, is volmaakt goed en volmaakte liefde; een Vader die elke vader en elk kind voor zichzelf wenst.

Dé reden waarom (ik denk: veel) christenen niet of weinig bidden is dat ze niet weten dat God hun Vader is. Eerder laten we het beeld van een kille politie-agent of parkeerwachter in afstandelijk uniform in onze gedachten binnen. Of iemand die als een secretaresse dagelijks een christo-checklist afwerkt. Of een vader/opa die je per elk gemaakt doelpunt 2 euro geeft – en anders niets of alleen een snicker in de kantine). Of als een levende klok, waarin je bij tijd en wijlen wel een batterij (gebed) moet stoppen omdat hij anders geen nut meer heeft.

Neem dit Bijbelse advies ter harte: laat te allen tijde Jezus Christus jouw beeld van God bepalen. Elk ander beeld schiet tekort of stelt teleur.

Praktisch nu.
1. Als je niets tegen je Vader te zeggen hebt, nou, zeg dan niets! Is dat nou zo erg?
2. Als je al tijden niets tegen je Vader te zeggen hebt, sla dan de Bijbel ’s open, lees wie hij was en is, lees hoe zijn Zoon niet zonder hem kan leven, lees over de Naam, het koninkrijk en de wil van God. En leer zo langzaam maar zeker de duivelse gedachte uit je leven te verbannen dat God en de Bijbel saai zouden zijn.
Dan denk ik dat je op een (door God zelf) gegeven moment helder voor ogen komt waarom je weinig of niet bidt. We denken dat de dagen om onszelf draaien…
En weet je wat dat is? Dat is nog ’s saai, man!

Matteüs 6, 7-10

[Jezus:] “Bij het bidden moeten jullie niet eindeloos voortprevelen zoals de heidenen, die denken dat ze door hun overvloed aan woorden verhoord zullen worden [zie hier die saaie, ongelukkig makende en vervloekte zelfrechtvaardiging, DH]. Doe hen niet na! Jullie Vader weet immers wat jullie nodig hebben, nog vóór jullie het hem vragen. Bid daarom als volgt:
Onze Vader in de hemel,
laat uw naam geheiligd worden,
laat uw koninkrijk komen
en uw wil gedaan worden
op aarde zoals in de hemel.”

Nee. Laat ik maar meteen duidelijk zijn. God is niet toorn. Hij is (wel) liefde.
Net zoals hij ook niet in de Bijbel bekendmaakt dat hij duisternis is, maar (wel) licht.

Toch wordt in de Bijbel wel duidelijk dat God onnoemelijk kwaad kan zijn, bijvoorbeeld tijdens de zondvloed, de tien rampen over Egypte en de verbanning die Israël moest ondergaan. Ook kan God zich terugtrekken en complete duisternis veroorzaken. Het bekendste en meest indrukwekkende voorbeeld hiervan is de duisternis tijdens het sterven van zijn Zoon Jezus Christus aan een kruis op een heuvel: drie uur dikke duisternis.

Het is belangrijk om Gods toorn en duisternis niet aan zijn identiteit toe te schrijven. Alsof God verraderlijke of onbetrouwbare kanten zou hebben. De ene dag licht, de andere dag donker. Nu eens laat hij liefde zien en voelen, dan weer laat hij vanuit het niets zijn woede uitbarsten. Hij zou een God zijn die zijn eeuwige leven laat beheersen door onberekenbare, humeurige buien.
De Bijbel is gelukkig duidelijk: God is liefde. God is licht.

Hoe zit dat dan met die woede en die duisternis? Volgens mij zit het zo: Gods woede en duisternis zijn noodzakelijke uitingen van zijn liefde en zijn licht-zijn. Noodzakelijk bedoel ik dan op twee manieren.

1. Een God die zegt wel liefde te zijn, maar niet woedend kan worden, is geen God van liefde!
Als ik zeg van mijn zoontje Joram te houden, terwijl ik niet kwaad word en optreed als hij mijn waarschuwingen ondermijnt, hou ik niet van hem. Dan bestaat mijn liefde voor hem slechts uit zoetige woorden. Woede komt voort uit gekrenkte liefde. Zoals duisternis voortkomt uit ‘gekrenkt’ licht.

2. Als God niet kwaad kon zijn, zou ik nooit gered kunnen worden!
Stel je eens voor dat God mij liet begaan in m’n gebrekkige, zondige leventje. Dat hij vanuit ‘liefde’ zou zeggen: “Ach, laat David ook maar. Het zou zonde zijn om nog boos op hem te worden.”
Dan zou ik dus nooit bij God kunnen komen. Als God zijn woede om de zonde van de wereld in toom zou houden, had ik een groot probleem. God en mens zouden geen meter dichterbij elkaar kunnen komen.
Daarom is het kruis van Golgota, het noodzakelijke slotstuk van Jezus’ leven waarin hij namens God de zonde van de wereld draagt (dus ook die van mij), mijn geluk. Golgota is de tweede, noodzakelijke stap van God naar de mens. (De eerste stap is natuurlijk de incarnatie, Kerst: God als mens op aarde. De derde stap is Pasen, de dag waarop het nieuwe leven met die God begint, met Jezus als de eerste nieuwe mens!)

God is niet toorn op de wijze waarop hij liefde is. Hij is éérst liefde, daaruit volgt zijn woede. Liefde kan uitlopen op gekrenkte liefde. Andersom kan niet. Gekrenkte liefde kan uit zichzelf geen liefde worden. Een God die van zichzelf toorn is, kan nooit een God van liefde zijn of worden. Toorn is afhankelijk van liefde, liefde niet afhankelijk van toorn.
Hetzelfde geldt voor licht. Licht kan uit zichzelf duisternis worden (wanneer het dimt of uitdooft), maar duisternis kan vanuit zichzelf geen licht worden (daarvoor heb je een tweede (licht)bron nodig).
Daarom is God liefde, en licht.

Maar zonder zijn concrete, gekrenkte liefde zouden jij en ik een groot probleem hebben. Zonder zijn geuite woede zou geen mens gered kunnen worden.

Jesaja 63, 1-6 [met kort commentaar]

[Jesaja:] ‘Wie is het die uit Edom komt, uit Bosra,
in purper gekleed, met praal getooid,
die zich groots en machtig verheft?’
[De HEER:] Ik ben het die in gerechtigheid spreekt
en bij machte is te redden.
[Jesaja:] ‘Hoe komen uw kleren zo rood,
als de kleren van iemand die de wijnpers treedt?’
[De HEER:] Ik heb de perskuip alleen getreden,
geen van de volken hielp me daarbij. [We zijn van Gods gekrenkte liefde afhankelijk. Geen mens maakt zich kwaad mét hem.]
Ik trad hen in mijn woede,
vertrapte hen in mijn toorn.
Hun bloed bespatte mijn kleren,
al mijn kleren werden besmeurd. [Wij houden onszelf liever schoon; zien het mondiale probleem (van de zonde) niet in.]
Ik had besloten tot een dag van wraak,
het jaar van vergelding was aangebroken.
Toen zag ik dat er niemand was die hielp,
ik was geschokt dat niemand mij aanmoedigde.
Op eigen kracht bracht ik redding,
door mijn woede aangespoord
. [Zonder die aansporing vanuit God zelf was ik verloren. God is gelukkig niet lui en gemakkelijk.]
Ik heb de volken in mijn woede vertrapt,
met mijn toorn heb ik hen dronken gevoerd. [Wie Gods liefde en redding niet wil, wil liever Gods woede drinken. Dit is de hel.]
Hun bloed liet ik op aarde neervloeien. [Wie Gods liefde en redding niet wil, wil niet leven. ESV: 'And I poured out their lifeblood on the earth.']

Gisteravond sprak ik met twee jonge twintigers over de hemel en de hel. Dat vind ik namelijk een fascinerend onderwerp. Vooral omdat ik via Tim Keller en zijn boekje ‘De vrijgevige God’ heb mogen ontdekken dat de meeste christenen geen Bijbels maar een nogal middeleeuws beeld van de hemel en, vooral, de hel hebben.

Ik denk dat de meeste christenen het op deze manier vóór zich zien: na je overlijden kom je voor God te staan. Deze God staat op een T-splitsing. Hij kijkt je aan, stelt je misschien een vraag (”Hoe gedroeg je je in het leven?” of: “Wat was je laatste daad?” of: “Op grond waarvan moet ik je in mijn hemel toelaten?” of: “Zeg ‘t maar, waar wil je heen?”), maar hij wijst je in ieder geval al snel door naar links (de hel) of naar rechts (de hemel). En daar ga je dan; óf je belandt in een toestand van eeuwig geluk óf in een toestand van eeuwige pijn in vuur en vlammen.

Toen we het hierover hadden, zei een van de twee jongeren op een gegeven moment tegen me: “Ja, maar dat is wel heel simpel zo. Iederéén wil toch naar de hemel?! Wie wil er nu naar de hel?”

Waarop ik zei: “Nou, er zijn genoeg mensen die liever naar de hel dan naar de hemel willen! Let op, ik zeg niet: er zijn genoeg mensen die naar de hel gáán of gestuurd worden, maar genoeg mensen die liever in de hel (dat is: buiten de hemel) willen blijven staan!”
En ik vervolgde: “En je herkent die mensen hier op aarde al snel.”
Ik zag de verbazing in de ogen.

En dus openden we de Bijbel. Bij het beroemdste verhaal van Jezus dat in de Bijbel staat. Het verhaal over de verloren zoons in Lucas 15, 11-32.

We kwamen na een halfuur tot de volgende conclusie: mensen die in de hel gekweld worden, zijn die mensen die niet thuis bij God de Vader willen komen. Ze willen liever buiten blijven.
En wel om de volgende redenen:

1. Ze zoeken het geluk liever buiten God hun Vader en zijn thuis.

Lucas 15, 11-13

Vervolgens zei Jezus: ‘Iemand had twee zonen. De jongste van hen zei tegen zijn vader: “Vader, geef mij het deel van uw bezit waarop ik recht heb.” De vader verdeelde zijn vermogen onder hen. Na enkele dagen verzilverde de jongste zoon zijn bezit en reisde af naar een ver land, waar hij een losbandig leven leidde en zijn vermogen verkwistte.

2. Ze wantrouwen de goedheid van God hun Vader, vanuit de gedachte het zoon-zijn zelf te moeten verdienen.

Lucas 15, 17-19

[Na ellende kwam de zoon] tot zichzelf en dacht: De dagloners van mijn vader hebben eten in overvloed, en ik kom hier om van de honger. Ik zal naar mijn vader gaan en tegen hem zeggen: “Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u, ik ben het niet meer waard uw zoon genoemd te worden; behandel mij als een van uw dagloners.”

3. Ze worden woedend om de goedheid van God hun Vader.

Lucas 15, 25-28a

De oudste zoon was op het veld. Toen hij naar huis ging en al dichtbij was, hoorde hij muziek en gedans. Hij riep een van de knechten bij zich en vroeg wat dat te betekenen had. De knecht zei tegen hem: “Uw broer is thuisgekomen, en uw vader heeft het gemeste kalf geslacht omdat hij hem gezond en wel heeft teruggekregen.” Hij werd woedend en wilde niet naar binnen gaan [...]

4. Ze veroordelen de goedheid van God hun Vader, vanuit de gedachte het zoon-zijn zelf te moeten verdienen en daar recht op te hebben.

Lucas 15, 29a

De oudste zoon zei tegen zijn vader: “Al jarenlang werk ik voor u en nooit ben ik u ongehoorzaam geweest als u mij iets opdroeg [...]“

5. Ze veroordelen de goedheid van God hun Vader, omdat ze nooit ontdekt en ervaren hebben dat hun Vader altijd al onvoorwaardelijk goed voor hen is geweest.

Lucas 15, 29b-30

“… en u hebt mij zelfs nooit een geitenbokje gegeven om met mijn vrienden feest te vieren. Maar nu die zoon van u is thuisgekomen die uw vermogen heeft verkwanseld aan de hoeren, hebt u voor hem het gemeste kalf geslacht. Zijn vader zei tegen hem: “Mijn jongen, jij bent altijd bij me, en alles wat van mij is, is van jou.”

A. Wil iedereen naar de hemel?
Nee. Want de hemel, het Bijbelse paradijs, is daar waar God (je Vader) is.
- Lang niet iedereen wil er aan geloven dat alleen God zélf hun thuis en hun eeuwig geluk en hun Vader is.
- Lang niet iedereen kan leven met God de Vader die onvoorwaardelijk liefdevol is; een Vader die geen geestelijke prestaties of vergeven (laatste) daden als voorwaarde voor je redding vraagt (’Maar ik moet toch bidden en trouw naar de kerk gaan en op tijd om vergeving vragen?’ Nee, Jezus laat overduidelijk zien dit je geestelijke gedrag niets toevoegt, hélémáál niets toevoegt aan je redding!)
- Lang niet iedereen kan tegen de smalle weg naar God, de weg van genade. De brede weg van zelfrechtvaardiging vindt de mens veel aantrekkelijker.
- Lang niet iedereen kan tegen een Vader die op losers afrent, hen omhelst, ervoor kiest zelf hun schuld op te vangen via (mede)lijden, hen vergeeft en vervolgens uitgebreid met hen gaat zitten eten en lopen dansen. (’Je denkt toch niet dat ik eeuwig met die en die ‘heiden’ ga zitten feestvieren?!’).
- Lang niet iedereen kan het aan dat hij of zij een zoon of dochter van Vader is – zij doen hun leven lang niet anders dan zich uit te sloven een kind van hun Vader te worden.

B. Maar de hel is toch een straf van God?
Ja, het is een ’straf’ voor trotse mensen die om stuk voor stuk egocentrische redenen het buiten verkiezen boven het binnen-zijn bij hun liefdevolle God en Vader. ‘Hij werd woedend en wilde niet naar binnen gaan.’

PS. Er is geen mens op deze wereld die zichzelf niet (ten dele) zal herkennen in deze trots, dit egocentrisme en een grove onderschatting van Gods vaderliefde. Daarom raad ik iedereen aan genoemd boekje aan te schaffen en nauwkeurig te lezen. Tim Keller schrijft het veel duidelijker, uitgebreider en mooier op dan ik in dit blog heb gedaan.
Het is goed nieuws, ook voor (verstokte) christenen die in geestelijke zin snakken naar lucht en liefde.

Als een christen gevraagd zou worden of hij rust in zijn leven ervaart, zou hij er moeite mee kunnen hebben om daarop een kort en bondig antwoord te geven.
Je kunt namelijk antwoorden met zowel ja als nee.

Wie ‘ja’ zegt bedoelt waarschijnlijk te zeggen dat hij rust vindt bij Jezus Christus, zijn Heer en redder. Deze Jezus heeft namelijk zelf gezegd dat je met al je lasten en zorgen bij hem mag komen, “dan zal ik je rust geven”.

Maar ik kan me ook voorstellen dat je de vraag ontkennend beantwoordt. En je zult zeggen: “Zolang ik nog niet in Gods koninkrijk ben, niet bij de koning, niet bij Jezus en God zelf, leef ik een rusteloos leven. Ik heb geen rust. Daarvoor grijpt me veel teveel in dit leven aan.”
Hoewel zo’n iemand niet ontkent rust te vinden bij Jezus Christus, wordt zijn of haar leven gekenmerkt door een rusteloze opeenstapeling van gebeurtenissen waaraan geen eind lijkt te komen.
Ik denk dat iedereen wel mensen uit zijn buurt kent die zo ongelooflijk veel meer te verduren krijgen dan jijzelf.
De laatste tijd hoor ik niets anders dan kankergevallen, vroeg overlijden, amputaties en andere verschrikkelijke gevallen van pijn, ziekte en dood.

Ik kan begrijpen dat je je dan rusteloos voelt. En hoewel je gelooft in en bouwt op Jezus Christus, de goddelijke rust in levende lijve, verlang je rusteloos naar het signaal van God.
Zoals een voetballer die op zich lekker in z’n vel zit – van binnen rust heeft – in een bepaalde wedstrijd waarin hij tot op het gaatje moet gaan verlangend uitkijkt naar het rustsignaal. “Scheids, is het al tijd?”

Misschien kun je, als het leven je zwaar valt, het christelijk leven nog het beste omschrijven als een leven waarin je zonder rust naar rust verlangt.

Het goede nieuws is dat er een God is die deze onrust niet afkeurt. Alsof hij zou zeggen: “Zeur niet, ik ben er toch. Vind je rust gewoon in mij!” Hij wil wel dat iedereen deze onrust van tijd tot tijd voelt. In die zin gunt hij niemand in deze wereld rust. Rust met die wereld, alsof er niets met die wereld aan de hand is.

Tegelijkertijd is hij een God die met me meedoet. Hij verlangt net zo goed als ik naar een tijdperk van rust: de definitieve doorbraak van zijn koninkrijk dat met de komst van Jezus Christus al in het klein (maar door grootse daden) werd uitgetekend. Die God zal niet rusten voordat hij dat mondiale signaal aangeeft.
En dan is het voor hen die in Jezus geloven geen rust-, maar een eind- en een doorstartsignaal.

Ik geloof in een God die iets groots aan het voorbereiden is. Dat maakt me én rustig (in hem) én rusteloos (zowel om deze wereld als van verlangen).

Jesaja 62, 6-7

Jeruzalem, ik [de HEER] heb wachters op je muren gezet
die nooit zullen zwijgen, dag noch nacht.
Jullie die een beroep doen op de HEER,
gun jezelf geen rust
en gun hem evenmin rust
,
totdat hij Jeruzalem weer heeft gegrondvest
en haar roem op aarde heeft bevestigd.