Gisteravond sprak ik met twee jonge twintigers over de hemel en de hel. Dat vind ik namelijk een fascinerend onderwerp. Vooral omdat ik via Tim Keller en zijn boekje ‘De vrijgevige God’ heb mogen ontdekken dat de meeste christenen geen Bijbels maar een nogal middeleeuws beeld van de hemel en, vooral, de hel hebben.
Ik denk dat de meeste christenen het op deze manier vóór zich zien: na je overlijden kom je voor God te staan. Deze God staat op een T-splitsing. Hij kijkt je aan, stelt je misschien een vraag (”Hoe gedroeg je je in het leven?” of: “Wat was je laatste daad?” of: “Op grond waarvan moet ik je in mijn hemel toelaten?” of: “Zeg ‘t maar, waar wil je heen?”), maar hij wijst je in ieder geval al snel door naar links (de hel) of naar rechts (de hemel). En daar ga je dan; óf je belandt in een toestand van eeuwig geluk óf in een toestand van eeuwige pijn in vuur en vlammen.
Toen we het hierover hadden, zei een van de twee jongeren op een gegeven moment tegen me: “Ja, maar dat is wel heel simpel zo. Iederéén wil toch naar de hemel?! Wie wil er nu naar de hel?”
Waarop ik zei: “Nou, er zijn genoeg mensen die liever naar de hel dan naar de hemel willen! Let op, ik zeg niet: er zijn genoeg mensen die naar de hel gáán of gestuurd worden, maar genoeg mensen die liever in de hel (dat is: buiten de hemel) willen blijven staan!”
En ik vervolgde: “En je herkent die mensen hier op aarde al snel.”
Ik zag de verbazing in de ogen.
En dus openden we de Bijbel. Bij het beroemdste verhaal van Jezus dat in de Bijbel staat. Het verhaal over de verloren zoons in Lucas 15, 11-32.
We kwamen na een halfuur tot de volgende conclusie: mensen die in de hel gekweld worden, zijn die mensen die niet thuis bij God de Vader willen komen. Ze willen liever buiten blijven.
En wel om de volgende redenen:
1. Ze zoeken het geluk liever buiten God hun Vader en zijn thuis.
Lucas 15, 11-13
Vervolgens zei Jezus: ‘Iemand had twee zonen. De jongste van hen zei tegen zijn vader: “Vader, geef mij het deel van uw bezit waarop ik recht heb.” De vader verdeelde zijn vermogen onder hen. Na enkele dagen verzilverde de jongste zoon zijn bezit en reisde af naar een ver land, waar hij een losbandig leven leidde en zijn vermogen verkwistte.
2. Ze wantrouwen de goedheid van God hun Vader, vanuit de gedachte het zoon-zijn zelf te moeten verdienen.
Lucas 15, 17-19
[Na ellende kwam de zoon] tot zichzelf en dacht: De dagloners van mijn vader hebben eten in overvloed, en ik kom hier om van de honger. Ik zal naar mijn vader gaan en tegen hem zeggen: “Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u, ik ben het niet meer waard uw zoon genoemd te worden; behandel mij als een van uw dagloners.”
3. Ze worden woedend om de goedheid van God hun Vader.
Lucas 15, 25-28a
De oudste zoon was op het veld. Toen hij naar huis ging en al dichtbij was, hoorde hij muziek en gedans. Hij riep een van de knechten bij zich en vroeg wat dat te betekenen had. De knecht zei tegen hem: “Uw broer is thuisgekomen, en uw vader heeft het gemeste kalf geslacht omdat hij hem gezond en wel heeft teruggekregen.” Hij werd woedend en wilde niet naar binnen gaan [...]
4. Ze veroordelen de goedheid van God hun Vader, vanuit de gedachte het zoon-zijn zelf te moeten verdienen en daar recht op te hebben.
Lucas 15, 29a
De oudste zoon zei tegen zijn vader: “Al jarenlang werk ik voor u en nooit ben ik u ongehoorzaam geweest als u mij iets opdroeg [...]“
5. Ze veroordelen de goedheid van God hun Vader, omdat ze nooit ontdekt en ervaren hebben dat hun Vader altijd al onvoorwaardelijk goed voor hen is geweest.
Lucas 15, 29b-30
“… en u hebt mij zelfs nooit een geitenbokje gegeven om met mijn vrienden feest te vieren. Maar nu die zoon van u is thuisgekomen die uw vermogen heeft verkwanseld aan de hoeren, hebt u voor hem het gemeste kalf geslacht. Zijn vader zei tegen hem: “Mijn jongen, jij bent altijd bij me, en alles wat van mij is, is van jou.”
A. Wil iedereen naar de hemel?
Nee. Want de hemel, het Bijbelse paradijs, is daar waar God (je Vader) is.
- Lang niet iedereen wil er aan geloven dat alleen God zélf hun thuis en hun eeuwig geluk en hun Vader is.
- Lang niet iedereen kan leven met God de Vader die onvoorwaardelijk liefdevol is; een Vader die geen geestelijke prestaties of vergeven (laatste) daden als voorwaarde voor je redding vraagt (’Maar ik moet toch bidden en trouw naar de kerk gaan en op tijd om vergeving vragen?’ Nee, Jezus laat overduidelijk zien dit je geestelijke gedrag niets toevoegt, hélémáál niets toevoegt aan je redding!)
- Lang niet iedereen kan tegen de smalle weg naar God, de weg van genade. De brede weg van zelfrechtvaardiging vindt de mens veel aantrekkelijker.
- Lang niet iedereen kan tegen een Vader die op losers afrent, hen omhelst, ervoor kiest zelf hun schuld op te vangen via (mede)lijden, hen vergeeft en vervolgens uitgebreid met hen gaat zitten eten en lopen dansen. (’Je denkt toch niet dat ik eeuwig met die en die ‘heiden’ ga zitten feestvieren?!’).
- Lang niet iedereen kan het aan dat hij of zij een zoon of dochter van Vader is – zij doen hun leven lang niet anders dan zich uit te sloven een kind van hun Vader te worden.
B. Maar de hel is toch een straf van God?
Ja, het is een ’straf’ voor trotse mensen die om stuk voor stuk egocentrische redenen het buiten verkiezen boven het binnen-zijn bij hun liefdevolle God en Vader. ‘Hij werd woedend en wilde niet naar binnen gaan.’
PS. Er is geen mens op deze wereld die zichzelf niet (ten dele) zal herkennen in deze trots, dit egocentrisme en een grove onderschatting van Gods vaderliefde. Daarom raad ik iedereen aan genoemd boekje aan te schaffen en nauwkeurig te lezen. Tim Keller schrijft het veel duidelijker, uitgebreider en mooier op dan ik in dit blog heb gedaan.
Het is goed nieuws, ook voor (verstokte) christenen die in geestelijke zin snakken naar lucht en liefde.