Ik weet dat de Bijbel het Woord van de eeuwige, goede God is. Ik weet waar de verschillende edities in m’n huis liggen (beneden, slaapkamer en werkbureau). Maar wat besluit ik toch vaak om het cadeau ongeopend te laten. Vanuit on- of kleingeloof. Vanuit gebrek aan vertrouwen en verwachting.

Gelukkig is het God zelf die me vaak uit geloofsdallen naar boven laat kruipen. Hij pakt me door zijn Geest bij mijn verstand, bij mijn hart, hij laat me zonden belijden, hij pakt mijn handen, en ja hoor, de Bijbel gaat open.
En hij laat de vreugde weer ouderwets naar binnen stromen.

En wat komt dan weer aan de oppervlakte hoe beperkt ik over God en mezelf denk. Want ik verwacht weer te lezen hoe ik vergeven word, hoe ik door God gerechtvaardigd en geheiligd ben, hoe hij me in Christus ziet, wat hij me allemaal geeft, hoe het christelijk leven er hoort uit te zien.
Maar daar het God niet om. Niet ten diepste.

Ik las vanmorgen Jesaja 62. En daarin maakt mijn God bekend dat hij niet stil zal blijven ‘totdat het licht van Jeruzalems gerechtigheid daagt en de fakkel van haar redding brandt’ (vers 1). Ook roept hij ons op zichzelf geen rust te gunnen ‘totdat hij Jeruzalem weer heeft gegrondvest en haar roem op aarde heeft bevestigd’ (vers 7).
Als christen mag ik dan natuurlijk meteen denken aan het nieuwe Jeruzalem dat uit de hemel zal neerdalen. En dat is dan weer het nieuws dat Jezus Christus zelf is komen aankondigen maar dan met de term ‘koninkrijk van God’.
God gunt zichzelf geen rust voordat die nieuwe wereld staat als een huis.

Ook geeft hij die stad een nieuwe naam (vers 2, 4 en 12) en kroont hij haar met een schitterende kroon en koninklijke tulband (vers 3). Prachtig allemaal, en het mooie is: het zal me allemaal overkomen! Ikzelf ben totaal nog niet in beeld geweest. Mijn redding, lot en toekomst ligt in Gods gedachten en handen, niet in de mijne.
Het is de kunst, die Gods Geest me telkens moet laten inzien en leren, om terug te vallen op die trouwe God en Heer.

En nu heb ik het mooiste nog niet genoemd. Want naast de goddelijke gift van een nieuwe stad, die nieuwe namen, die schitterende kroon, de onverwoestbare belofte van een nieuw en eeuwig leven, verlang ik het meest naar God zelf. En concreter: dat hij naar mij lacht. Dat hij plezier in mij heeft. Dat hij naar mij verlangt.
En laat hij dat nou vanmorgen opnieuw tegen mij hebben gezegd. Het zijn zijn eigen woorden.

Jesaja 62, 4-5

“Men noemt je niet langer ‘Verlatene’
en je land niet langer ‘Troosteloos oord’,
maar je zult heten ‘Mijn verlangen’
en je land ‘Mijn bruid’.
Want de HEER verlangt naar jou
en je land wordt ten huwelijk genomen.
Zoals een jongeman een meisje tot vrouw neemt,
zo zullen jouw zonen jou ten huwelijk nemen,
en zoals de bruidegom zich verheugt over zijn bruid,
zo zal je God zich over jou verheugen.”

Reageer