Praktijkvoorbeeld 1
Vorig jaar hoorde ik een predikant uit de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt (GKv) die ergens in een dorp naar eigen zeggen “goed bezig” is, het volgende zeggen: “Ik ben nu een tijdje bezig in mijn gemeente, en ik merk dat er een beweging op gang komt. Ik merk in de gemeente geestelijke groei, missionair verlangen en een groter geloof.
Maar weet je waar ik zo van baal? Dat er naast mij ook andere predikanten komen preken, die al het opgebouwde werk neer lijken te halen. Zoals laatst bijvoorbeeld. Hebben we net een mooie prekenserie over genade achter de rug, fietst er zo’n typisch vrijgemaakte dominee langs die Gods genade klein(er) maakt, of – nog erger – die genade stiekem/impliciet afhankelijk maakt van onze daden!
Dan heb ik het gevoel al m’n werk voor niets te hebben gedaan!”
Praktijkvoorbeeld 2
Vandaag kreeg Margreet een ‘Handreiking voor een evenwichtige plek voor ‘Opwekking’ in de liturgie’ uit de kerk mee. Daarin wordt door een daarvoor aangestelde groep GKv’ers (het zogenaamde Deputaatschap Kerkmuziek) redelijk uitgebreid betoogd op welke criteria sommige Opwekkingsliederen wel en andere niet worden geselecteerd.
We moeten er bijvoorbeeld op bedacht zijn dat de liederen niet om ons gevoel en onze vroomheid draaien. Ook hebben we te waken voor ‘onbijbelse overwinningstheologie’ en tenslotte moeten we het gevaar van ‘remonstrantse invloeden’ niet onderschatten, ‘alsof het draait om de keuze van de mens’.
En dus is er nu ongeveer 15% van het aantal Opwekkingsliederen goedgekeurd om in de GKv gezongen te worden.
Ik moet om beide bovenstaande voorbeelden vooral glimlachen. Vooral het tweede voorbeeld is niets anders dan cabaret. Oké, een behoorlijk misplaatst cabaret inclusief een grote portie plaatsvervangende schaamte, maar toch.
Het eerste praktijkvoorbeeld vind ik getuigen van grove zelfoverschatting en controledwang. Maar vooral is het totale onderschatting van Gods krachtige Geest. Alsof mensen in een kerkelijke gemeente anno 2010 niet zelf kunnen aanvoelen en bepalen of er wel of geen evangelie is verkondigd. (Tip: kijk gewoon naar de gezichten van kerkgangers als ze de kerk uitlopen, of luister naar hun gesprekken na een kerkdienst. Ik denk zelfs dat de tijd van het napraten in de kerkhal of op het -plein veel zegt over het uur daarvóór. Zoals het ook in een voetbalkantine drukker is na een overwinning van de thuisploeg; daar moet uitgebreid op gedronken worden!)
Mijn eerste vraag is: waarom en waarvoor zou je als prediker bang zijn? Juist als je een gemeente voor je ogen geestelijk ziet groeien, ben je toch niet bang dat de boom omvalt als er toevallig een paar lompe bouwvakkers langskomen die geen verstand van de natuur blijken te hebben?
Wees niet bang. We leven echt niet meer in de voorbije eeuwen waarin het gros van de kerkmensen als een stel ongeschoolde, ongeletterde en onderontwikkelde kleuters alles voor zoete koek slikt.
Ik ben ervan overtuigd dat de meeste christenen in de GKv zélf christen (kunnen) zijn.
Het tweede voorbeeld getuigt van typisch vrijgemaakte haarkloverij, zuinigheid, nattevingerwerk en – ja hoor, daar duikt hij weer op – angst. Angst om mensen voor het hoofd te stoten, wanneer een lied niet helemaal strookt met de gereformeerde dogmatische beginselen. Angst voor ruzies, scheve gezichten en boze brieven aan de kerkenraden. Angst om de bordjes zo nu en dan heerlijk scheef te hangen. Angst voor geestelijke dynamiek en spanning. Angst voor misverstanden.
En ja, dan krijg je dus onbegrijpelijke gedachtekronkels als dit voor je kiezen: een werkelijk prachtig lied als ‘Nog voordat je bestond, kende hij je naam’ (Opwekking 599) is niet geselecteerd omdat het – dogmatisch bekeken – niet ‘hij wacht alleen maar totdat je komt’ moet zijn, maar ‘God máákt dat je komt’.
Hier spreekt het grote theologische geweten, dat logischerwijs wel moet kunnen spreken maar zeker niet moet regeren. Het geweten heeft namelijk ook de neiging erg beklemmend te werken.
Mijn tweede vraag, naar aanleiding van beide voorbeelden, is: waarom bestaat deze (liturgische) controlfreakerigheid nog altijd in de GKv? Natuurlijk, ik weet wel waar deze controledwang vandaan komt – hij zit ons sinds ‘44 in de genen -, maar ik begrijp niet waarom we er nog steeds niet afscheid van hebben willen nemen. Juist op synodaal niveau.
Ik vermoed dat de synode en dergelijke deputaten hun ‘publiek’ structureel als infantielen en domme kleuters beschouwen die zich om het minste of geringste het lazarus schrikken, bang worden en wegvluchten.
En daarom schrijven synode en deputaten ons als een stel kleuterjuffen nog steeds van alles voor, tot aan de liedjes die we wel of niet mogen zingen toe. Dit alles onder het mom van ‘evenwichtigheid’ en ‘afgewogen beslissingen’.
En ik denk: Jammer… de bepalende mannen van de GKv denken nog steeds niet volwassen. En laten het gewone kerkvolk niet volwassen wórden. (Leer toch van de apostelvergadering in Handelingen 15, zou ik willen zeggen. Daar werd geestelijk beleid gemaakt, daar werd geregeerd.)
En nu ga ik weer in de blokkenhoek spelen. Als dat mag natuurlijk. Juf, waar bent u?!
Reageer
Reacties
Hoi Menrike,
Even zomaar eerste gedachte na het lezen van het stuk en je reactie: waarom ben je benieuwd naar die richtlijnen?
@Gertjan: omdat het me irriteert, ‘k vind het nogal arrogant overkomen. Maar ik heb het er gisteravond met jouw vrouw, mijn zus, over gehad en we kwamen tot de conclusie dat je het beter maar niet kunt weten, dan hoef je je er ook niet over op te winden.
En toch hè …….ondanks dat ik je stukje onderschrijf, de beschreven situatie zo op, zeg maar elke “orthodoxe kerk” kan leggen, blijf je met het probleem zitten dat de praktijk weerbarstiger is dan de theorie zou zeggen.
En dan bedoel ik het feit dat menig kerkvolk geen flauw benul heeft van enkele m.i. gevaarlijke gedachtengangen en invloeden in sommige opwekkingsliederen. Denk daarbij maar eens aan de “aanrakingstheologie” en de mystieke (gnostieke?) invloeden waarbij we opgeroepen worden om maar “te gaan zweven op Gods Geest want dan komt het allemaal wel goed” waarna er in de daarop volgende werkweek na het zingen hiervan enkele geweldige vliegcrashes plaats vinden……
Wie wijst “het kerkvolk” daarop? Helemaal gelijk dat we gerust kunnen stellen dat we gemiddeld geen domme schapen zijn maar, we blijven wel schapen die geleidt moeten worden, en we niet zo maar alles wat een hoog “evangelisch karakter schijnt te hebben” klakkeloos maar moeten meezingen.
Ik zou graag de discussie eens zien verplaatsen naar: hoe ga je daar nou mee om? Is een raad van oudsten in Christus kerk daar dan niet verantwoordelijk voor? Hoe voorkom je idd. een theologische haarkloverij, of hoe ver moet/wil je gaan op selectie op theologisch gebied zonder die heerlijke genade, aanbidding en geloofsvreugde van zoveel mooie opwekking te verliezen!
lastig hoor….
groet van een broeder die heel veel opwekking zingt in een praiseband binnen zijn gemeente maar bij sommige liederen ernstige bedenkingen heeft…….
Ik moet toegeven, Jan, dat ik in het verleden zeer kritisch richting Opwekking was. Ik dacht vanuit een overtrokken controledwang en een groot gereformeerd geweten. En vanuit angst, alleen kan ik niet benoemen voor welk resultaat ik precies bang was.
Ik heb ook op dit weblog (misschien kun je het bewuste stukje nog wel vinden ook) fel uitgehaald naar bijvoorbeeld dat bekende lied waarin ‘ik zweef op de wind’ (Heer, ik kom tot u).
Ook ik plakte daar dan het gereformeerde verweer-etiket ‘aanrakingstheologie’ op en ik was klaar.
Nu denk ik: wat is er mis met een theologie en liturgie waarin we dicht naar God toe willen zingen, en daar mooie beelden voor gebruiken? Wat is er mis met goddelijke aanraking of met verlangen naar intieme nabijheid bij God?
‘U zette mij neer op een rots… (psalm 40) of: ‘In de schaduw van uw vleugels schuilen de mensen (Psalm 36)’ of: ‘Ik bezwijk onder de slagen van uw hand’ (Psalm 39), geen grefo die vooralsnog moeilijk doet over deze nabijheids- en aanrakingsteksten.
Ik vind het zowel mooi als goed wanneer wij het op onze eigen, moderne manier verwoorden (want we zijn geen Joden, laat staan dat we de Joodse manier van zeggen heilig moeten verklaren). De vraag is dan ook niet zozeer of een lied goed danwel fout is, maar of je het in waar geloof zingt. God kijkt naar het hart, hij ontmaskert alle nepheid en hypocrisie toch wel.
Persoonlijk heb ik heb niet veel (zeg maar gerust: helemaal niks) met dit lied over het zweven op de wind, maar mijn vrouw bijvoorbeeld wel omdat het dicht bij haar verlangen naar God komt; het emotioneert haar geregeld.
Snapt zij het dan niet? Is zij gevaarlijk bezig? Zou zij net zo’n groot gereformeerd geweten als ik moeten krijgen? Gelooft zij (nog) niet helemaal op de juiste manier? Moet ik haar (en de haren) verbieden om dit lied te zingen?
Ik zou niet weten waarom. We kunnen er samen, als volwassenen, toch gewoon over doorspreken? Ik vind dat hartstikke boeiend, en ik leer zo van m’n vrouw – en zij op haar beurt van mij.
Maar dat wel/niet selecteren, nee, ik heb er helemaal niks mee. Ik vind er, om het maar eens een beetje hype-rig te zeggen, zo’n jaren ‘50 betuttelingsluchtje aan zitten.
Ik ben het met je eens dat het van goed regeringsbeleid zou getuigen als op synodaal niveau die hele liturgiekwestie wordt losgelaten en wordt overgelaten aan de plaatselijke gemeentes.
Want nu ligt er dus weer een ‘checklist’ in de kerken. En natuurlijk ben ik daar alweer op aangesproken.
Hoi David,
bedankt voor je reactie, het blijft een boeiende materie idd. en ik snap je ergenis omtrent het van bovenaf weer een keurig lijstje ontvangen. Zo wordt je als kerkvolk dom gemaakt en ook helaas dom gehouden, je hoeft er nl. niet meer zelf over na te denken en er op een volwassen manier met elkaar over nadenken en discusieeren: volg het lijstje en alles komt goed.
Het gaat jou nu duidelijk over de werkwijze van de GKv, iets waar ik als NGK’er ook nog steeds met volledige verbazing naar kijk.
Maar binnen het kader van discusieeren en leren van elkaar is het natuurlijk niet verkeerd om bepaalde invloeden en gedachten die in al de eeuwen telkens weer een ingang proberen te krijgen binnen de kerk die proberen te herkennen en zonodig te weren, als dit verkeerd zou zijn met de bijbel als kader en hulpstuk.
Ik vind het te makkelijk om dit soort zaken dan maar onder het vloerkleed van “onze hartsgesteldheid” te vegen , want jij snapt dat net zo duidelijk dat we daar aardig mee aan de haal kunnen gaan. Persoonlijk heb ik grote moeite met liederen die neigen naar een soort samensmelten van mijn ziel met dat van het goddelijke (God) (gnostiek) en welke zeer op het “ik” gericht zijn. Daar spreken ook de psalmen van maar ik vind het lastig dit theologisch zo even te onderbouwen, maar dat is toch een andere manier van benadering.
Neem dat lied als voorbeeld dan maar even: wat als ik dat “gevoel” van zweven niet heb? Ga ik dan als een gek dat “gevoel” toch opzoeken omdat God zich helemaal niet laat “aanraken” op dat moment dat IK dat wil (let op het feit wanneer IK op het gewenste moment wil dat God dichterbij moet komen, eerste zin van het lied!) …..
De psalmen spreken mi. veel meer vanuit het aanbod van Gòd naar de mens toe in de vorm van bescherming, dragen, opvangen etc. dan dat ik God als het ware opdraag naar mij toe te komen wanneer ik er klaar voor ben.
Daar staan hele mooie opwekkingsliederen gelukkig pal tegenover, en zo kunnen we heerlijk beppen over het welles en nietes in liederen.
Ik heb de de handleiding al meerdere malen doorgelezen, en elke keer moet ik weer lachen. Terwijl ik het helemaal niet grappig vind eigenlijk. En een groot stuk plaatsvervangende schaamte. Dat krampachtige. Die angst. Ik word er eigenlijk ontzettend gefrustreerd van.
Ergens denk/hoop ik altijd dat het een grote grap is. Dat een volgende vergadering de synode zit te schuddebuiken van het lachen, en zich op de bovenbenen slaan van de pret. ‘Hahahaha, al die domme vrijgemaakte schaapjes doen blindelings wat wij zeggen.
Hoppa. We stellen een lijst op met 78 liederen, en iedereen danst naar onze pijpen, alsof de handleiding van Hem zelf komt. ‘
Hoewel, dat zou ook schrijnend zijn.
Ook ik heb die handreiking gelezen.
Ik proefde er een milde toonzetting in en een behoorlijk ‘enerzijds en znderzijds’ gehalte. Gelukkig geen botte taal, maar ook ik moest er om lachen.
Wat zijn ze/we toch weer bezig om alles beheersbaar te houden en te kunnen verklaren.
Als het zingen van Opwekkingsliederen het is waar we in de kerk zorgen om moeten hebben teken ik er direct voor.
Heel veel woorden en zinnen spreken een gevoel, verlangen en beleving uit wat bv. goed bij mij past en waar bij een ander ‘de rillingen over de rug lopen’. En tuurlijk heeft de melodie daar ook een ’stem’ in.
Een zekere bekendheid met de achtergrond of mogelijke dwaling van een lied is prima en mss. zelfs wel wenselijk, maar laat aub de verkramptheid los.
Ik hoop dat er veel gezongen wordt om onze Heer te loven en dat we woorden kunnen geven aan ons verlangen om op Hem te vertrouwen en bij Hem te schuilen.
Verscheidenheid in de gemeente zal blijven, maar geef elkaar wat meer ruimte.
Ik ben toch wel benieuwd wat die punten dan zijn in die ‘Handreiking voor een evenwichtige plek voor ‘Opwekking’ in de liturgie’.
Wij hebben vanmorgen echt een hele fijne (zang)dienst gehad. Ja, met alleen maar opwekkingsnummers waarvan het grootste gedeelte waarschijnlijk niet goedgekeurd zou zijn… Maar hoezo kun je God daar niet mee loven, prijzen en groot maken?
Geef mij die rode blokken eens aan…! Nee, geef hier! Geef terug!!! JUF!!!