Stiekem afgeluisterd. Top secret!

Br. A: Zo, broeders, we zijn bij Opwekking 599 aanbeland. Wat vinden jullie van dat lied?
Br. B: Nou, mooie melodie. Ja, op zich wel aardig…
Br. A: Maar?
Br. B: Maar het komt toch wel wat remonstrants op mij over.
Br. C: Hoezo, broeder?
Br. B: Nou, dat zinnetje ‘Hij wacht alleen nog maar totdat jij komt’ zint me niet zo.
Br. A: Hm… nou je het zegt. Zo staat de keuze van de mens natuurlijk veel te centraal hè?
Br. B: Zo is het. Het is juist gereformeerd om te zeggen dat God máákt dat wij naar hem toekomen?
Br. A: Dat lijkt me correct, broeder. Dát is het evangelie zoals het al eeuwen in onze belijdenisgeschriften is opgetekend, is het niet?

[Beide andere broeders knikken instemmend. Er volgt een stilte, en na een tijdje:]

Br. C: Aan de andere kant… in de gelijkenis van de Verloren Zoon wordt wel degelijk duidelijk dat de vader aan het wachten is. En ik heb niet het idee dat de vader máákte dat zijn zoon thuiskwam. Hij haalt zijn zoon niet in het buitenland op of iets dergelijks.
Br. A en B [geschrokken] Warempel, dat is waar ook! Wat nu, broeders?
Br. C: We zouden dit lied gewoon kunnen overslaan, en doen alsof onze neuzen even bloedden?
Br. A: Nee, dat valt op een gegeven moment teveel op. Laten we dat bij het gemiddelde van eenmaal per 15 liederen houden.

[Stilte, na een tijdje:]

Br. B: Ik heb een idee!
Br. A: Vertel op!
Br. B: Als we nu eens zouden voorstellen om dit lied alleen in vriendendiensten te zingen, waarin veel niet-christenen zitten die zich zullen herkennen in de verloren zoon?
Br. C: Ja, maar [hm] maak je dan geen onterecht onderscheid tussen gemeenteleden en mensen buiten de kerk? Alsof niet-christenen wél zelfstandig een geloofskeuze moeten maken en wij, gemeenteleden, níet.
Br. B: Beste broeder, wij horen toch bij het uitverkoren verbondsvolk, wij hoeven ons toch niet met de verloren zoon te identificeren?!
Br. C: [na enige aarzeling] O ja, dat is ook zo. Nu je het zegt. Inderdaad, ik herken mezelf eerlijk gezegd ook nooit in die verloren zoon…
Br. B: Nou, ik ook niet.
Br. A: Ik ook niet.

[Korte stilte, daarna:]

Br. B: Nou, zullen we het dan zo afspreken? Opwekking numero 599 laten we niet in de reguliere diensten zingen, maar we staan wel toe dat hij in andersoortige diensten met het oog op gasten gezongen wordt.
Br. A: Ik vind dat een weloverwogen beslissing, broeder.

[Stilte, na enige tijd:]

Br. C: Bij nader inzien heeft dit lied trouwens ook wel prachtige trekken van Psalm 139. En het vertelt ook prachtig over Gods onvoorwaardelijke liefde. En ongelooflijk, ik merk er heel mooi het plaatsvervangend verlossingswerk van Jezus Christus in op.
Br. A en B [in koor, verontwaardigd]: Genoeg broeder!

[Br. C zwijgt, z'n hoofd voorover gebogen. Daarna kijkt hij met betraande ogen zijn collega's aan.]

Br. B: En zie ik nu echt dat het lied je nog ontroert ook?! Kom op zeg! Wèl je hele leven met droge ogen de 150 prachtige psalmen zingen, en dan hier een potje gaan zitten janken na één liedje?
Br. C: Sorry, maar de tranen kwamen gewoon opzetten.
Br. A: We hebben besloten. Zo blijven we bezig, zeg! Nummer 600 is aan de beurt. Heeft iemand daar misschien een mening over?

Reageer

Reacties

Reactie van: Peter-Frans

Dit gaan we een keer naspelen hoor… Ik wil broeder A graag zijn.

8 februari 2010 om 22:49 uur