Archief van april, 2010

Afgelopen woensdag mocht ik voor het Deputaatschap Toerusting Evangeliserende Gemeenten (DTEG) een praatje houden over preken.
Ik stond stil bij de metafoor in de prediking; hield een pleidooi voor een groter gebruik van beelden en verhalen.

Het was vooral een praatje voor predikanten. Helaas waren er niet al te veel – een prediker of 15 denk ik zo.

Ik vond het leuk om te doen, de werkvorm sloeg behoorlijk aan. En ook merkte ik dat het nog niet meevalt een beeld te verzinnen dat meer is dan een vóórbeeld en voldoet aan de eisen die ik eraan zou willen verbinden:

a. boeiend
b. onvoorspelbaar
c. relevant
d. to the point

Hieronder is mijn verhaal (na) te lezen.

Beeldend spreken – de preek in de vorm van een metafoor

De meningen zijn er, zo merk ik, sterk over verdeeld. Kun (mag) je op een podium of kansel mensen wegzetten door middel van harde typeringen of zelfs scheldwoorden?
Omdat ik zelf nogal uit de school kan klappen reageert menig broers of zus met: “Maar dat past een dienaar van God toch niet?” Of: “Het woord van God moet bediend en niet gescholden worden!”

Nu ben ik vanwege mijn directheid zeker ook wel eens te hard geweest.
Het heeft me ook aan het denken en aan het (onder)zoeken gezet. Daaruit komt de volgende conclusie:

In de Bijbel wordt geregeld gescholden. Maar dan op een indirecte manier. Woorden als ‘klootzak’, ‘lul’, ‘zeikerd’ en ‘eikel’ zul je in de Bijbel niet tegenkomen. Wat me is opgevallen is dat er op inhoudelijke wijze gescholden wordt, oftewel: een scheldwoord of typering met een verhaal.
De HEER (via profeten), dichters, Paulus en ook Jezus bedienen zich er geregeld van.
Overeenkomend punt bij allen: ze maken gebruik van de dierenwereld.

BIJBELS EN NATUURLIJK TYPEREN EN SCHELDEN

a. Honden

- Psalm 22, 17 (David, de dichter)
Honden staan om mij heen, een woeste bende sluit mij in, zij hebben mijn handen en voeten doorboord.

- Psalm 22, 21 (Idem)
Bevrijd mijn ziel van het zwaard, mijn leven uit de greep van die honden.

- Jesaja 56, 10-11 (De HEER)
Want al mijn wachters zijn blind, ze merken niets;
ze zijn stom als waakhonden die niet kunnen blaffen:
vadsig en hijgend liggen ze daar,
ze willen alleen maar luieren.
Vraatzuchtige honden zijn het, onverzadigbaar.

- Filippenzen 3, 2 (Paulus)
Pas op voor die honden met hun kwalijke praktijken, pas op voor die versnijdenis van ze!

b. Slangen

- Psalm 58, 5 (David)
Giftig zijn ze als een bijtende adder, doof als een slang die zijn oren sluit.

- Psalm 140, 4 (David)
Hun tong is scherp als die van een slang, achter hun lippen schuilt het gif van een adder.

- Matteüs 23, 33 (Jezus)
Slangen zijn jullie, addergebroed, hoe denken jullie te kunnen ontkomen aan een veroordeling tot de Gehenna?

- Romeinen 3, 13 (Paulus)
Hun keel is een open graf, hun tong is bedrieglijk, achter hun lippen schuilt het gif van een adder.

c. Stieren

- Psalm 22, 13 (David)
Een troep stieren staat om mij heen, buffels van Basan omsingelen mij.

d. Vossen

- Lucas 13, 32 (Jezus)
Hij antwoordde: ‘Zeg tegen die vos (koning Herodes): “Let op, ik drijf demonen uit en vandaag en morgen genees ik mensen, en op de derde dag bereik ik de voltooiing.”

e. Leeuwen

- Psalm 22, 14 (David)
Roofzuchtige, brullende leeuwen sperren hun muil naar mij open.

- Psalm 35, 17 (David)
Heer, hoe lang nog blijft u toezien? Behoed mij voor hun moordlust, red mijn kostbaar leven van die leeuwen.

f. Hengsten en ezels

- Jeremia 5, 8 (De HEER)
Het zijn bronstige, hitsige hengsten, ze hinniken allen naar andermans vrouw. Zou ik zo’n volk niet straffen – spreekt de HEER.

- Ezechiël 23, 20 (De HEER)
Ze verlangde terug naar haar minnaars daar, die zo zwaargeschapen zijn als ezels en hun zaad lozen als hengsten.

g. Wolven

- Ezechiël 22, 27 (De HEER)
De leiders in de stad waren als wolven die hun prooi verscheuren. Door bloed te vergieten, door mensen te gronde te richten, joegen ze hun eigen gewin na.

- Matteüs 7, 15 (Jezus)
Pas op voor valse profeten, die in schaapskleren op jullie afkomen maar eigenlijk roofzuchtige wolven zijn.

- Handelingen 20, 29 (Paulus)
Ik weet dat er na mijn vertrek woeste wolven bij u zullen binnendringen, die de kudde niet zullen ontzien.

Een tijd geleden sprak ik iemand die erg graag vader zou willen worden, maar – zo vertrouwde hij mij toe – “vooralsnog wil het ons maar niet lukken”.

Het zijn niet de leukste gesprekken. Maar ergens ook weer heel mooi.
Ik luister naar het verdriet, het verlangen, het trieste onderzoekstraject (”Het is vernederend om een potje met zaad bij het ziekenhuis te moeten afleveren”), het vele proberen.
Tegelijkertijd merk ik een groot godsvertrouwen op; een soort hemelse ontspanning bij iemand die al veel langer met deze ‘zaak’ rondloopt dan dat ene moment dat ik naar zijn verhaal luister.

We praten.
Hij zegt dat je ook vruchtbaar kunt zijn zonder kinderen te krijgen; dat vruchtbaarheid niet beperkt moet worden tot het succesvol samensmelten van zaad- en eicel.
Ik beaam dat.

Na een tijdje confronteer ik hem met Psalm 113, 9 (al wist ik destijds niet dat het in Psalm 113 stond).

Psalm 113, 9

De onvruchtbare vrouw laat de HEER wonen in het huis,
een vrolijke moeder van kinderen.

Ik vraag: “Begrijp jij dit?”
Hij reageert met bewoordingen zoals hierboven. Dat je vruchtbaarheid ook anders kunt interpreteren.
Ik zeg: “En toch lees ik dat ze móeder wordt – niet succesvol in haar carrière of een uitblinker in naastenliefde.”
“Ja…hm…ja…hm…ja”, kon hij er nog uit krijgen.

Gaat God de HEER echt iets wonderlijks doen? dacht ik een tijdje later. Gaat hij ongewenst onvruchtbare vrouwen en mannen alsnog verrassen met kinderen?
Ik denk het.

Psalm 113 werd gezongen tijdens de Joodse feesten in Jeruzalem, de stad van God. Jeruzalem was de stad waar God woonde. Vandaaruit leidde hij, en zegende hij zijn geliefde volk. Ook met kinderen.
Geldt voor christenen dan niet hetzelfde? We zijn op weg naar Jeruzalem, maar dan naar een hemelse stad in een nieuwe gedaante. Opnieuw een stad waarin God zal wonen. Blijvend, dichtbij, stralender dan de zon. Schitterend dus. En zichtbaar.

Het zou mij niet verbazen (en toch ook wel, hoor) als die HEER de levens van zijn onvruchtbare kinderen alsnog verrijkt met kinderen. Dat hij de kinderwens alsnog vervult. Misschien geeft de HEER hun wel de kinderen die door dwaze vrouwen en mannen werden geaborteerd om de meest trieste en egocentrische redenen.

Het lijkt me prachtig om mee te maken. Juist omdat ik zelf een vrolijke vader ben.
Het lijkt me heerlijk om te mogen delen in de vreugde van anderen.
Ik hoor de nieuwe vaders en moeders én mezelf én al die andere heiligen het al uitschreeuwen. Dat woord. Het meest bekende Hebreeuwse woord dat er bestaat. Het eerste en het laatste woord van Psalm 113.

Halleluja!
Alle eer – aan wie? – aan de HEER!