De meningen zijn er, zo merk ik, sterk over verdeeld. Kun (mag) je op een podium of kansel mensen wegzetten door middel van harde typeringen of zelfs scheldwoorden?
Omdat ik zelf nogal uit de school kan klappen reageert menig broers of zus met: “Maar dat past een dienaar van God toch niet?” Of: “Het woord van God moet bediend en niet gescholden worden!”
Nu ben ik vanwege mijn directheid zeker ook wel eens te hard geweest.
Het heeft me ook aan het denken en aan het (onder)zoeken gezet. Daaruit komt de volgende conclusie:
In de Bijbel wordt geregeld gescholden. Maar dan op een indirecte manier. Woorden als ‘klootzak’, ‘lul’, ‘zeikerd’ en ‘eikel’ zul je in de Bijbel niet tegenkomen. Wat me is opgevallen is dat er op inhoudelijke wijze gescholden wordt, oftewel: een scheldwoord of typering met een verhaal.
De HEER (via profeten), dichters, Paulus en ook Jezus bedienen zich er geregeld van.
Overeenkomend punt bij allen: ze maken gebruik van de dierenwereld.
BIJBELS EN NATUURLIJK TYPEREN EN SCHELDEN
a. Honden
- Psalm 22, 17 (David, de dichter)
Honden staan om mij heen, een woeste bende sluit mij in, zij hebben mijn handen en voeten doorboord.
- Psalm 22, 21 (Idem)
Bevrijd mijn ziel van het zwaard, mijn leven uit de greep van die honden.
- Jesaja 56, 10-11 (De HEER)
Want al mijn wachters zijn blind, ze merken niets;
ze zijn stom als waakhonden die niet kunnen blaffen:
vadsig en hijgend liggen ze daar,
ze willen alleen maar luieren.
Vraatzuchtige honden zijn het, onverzadigbaar.
- Filippenzen 3, 2 (Paulus)
Pas op voor die honden met hun kwalijke praktijken, pas op voor die versnijdenis van ze!
b. Slangen
- Psalm 58, 5 (David)
Giftig zijn ze als een bijtende adder, doof als een slang die zijn oren sluit.
- Psalm 140, 4 (David)
Hun tong is scherp als die van een slang, achter hun lippen schuilt het gif van een adder.
- Matteüs 23, 33 (Jezus)
Slangen zijn jullie, addergebroed, hoe denken jullie te kunnen ontkomen aan een veroordeling tot de Gehenna?
- Romeinen 3, 13 (Paulus)
Hun keel is een open graf, hun tong is bedrieglijk, achter hun lippen schuilt het gif van een adder.
c. Stieren
- Psalm 22, 13 (David)
Een troep stieren staat om mij heen, buffels van Basan omsingelen mij.
d. Vossen
- Lucas 13, 32 (Jezus)
Hij antwoordde: ‘Zeg tegen die vos (koning Herodes): “Let op, ik drijf demonen uit en vandaag en morgen genees ik mensen, en op de derde dag bereik ik de voltooiing.”
e. Leeuwen
- Psalm 22, 14 (David)
Roofzuchtige, brullende leeuwen sperren hun muil naar mij open.
- Psalm 35, 17 (David)
Heer, hoe lang nog blijft u toezien? Behoed mij voor hun moordlust, red mijn kostbaar leven van die leeuwen.
f. Hengsten en ezels
- Jeremia 5, 8 (De HEER)
Het zijn bronstige, hitsige hengsten, ze hinniken allen naar andermans vrouw. Zou ik zo’n volk niet straffen – spreekt de HEER.
- Ezechiël 23, 20 (De HEER)
Ze verlangde terug naar haar minnaars daar, die zo zwaargeschapen zijn als ezels en hun zaad lozen als hengsten.
g. Wolven
- Ezechiël 22, 27 (De HEER)
De leiders in de stad waren als wolven die hun prooi verscheuren. Door bloed te vergieten, door mensen te gronde te richten, joegen ze hun eigen gewin na.
- Matteüs 7, 15 (Jezus)
Pas op voor valse profeten, die in schaapskleren op jullie afkomen maar eigenlijk roofzuchtige wolven zijn.
- Handelingen 20, 29 (Paulus)
Ik weet dat er na mijn vertrek woeste wolven bij u zullen binnendringen, die de kudde niet zullen ontzien.