Archief van: ‘Johannes 19’

Wie bij een rouwsamenkomst aanwezig is, hoort het vaak gezegd worden: “Hij was een goed mens!” Zo wordt het leven van een overleden dierbare vaak samengevat. Want: over de doden niets dan goeds.

Een van de meest opmerkelijke uitspraken die gedaan zijn tijdens en na Jezus’ martelgang op Golgota, komt uit de mond van een Romeins hoofdofficier. Wanneer hij Jezus de laatste adem hoort uitblazen, zegt hij op basis daarvan:

Marcus 15, 39 “Werkelijk, deze mens was Gods Zoon!”

Dat vind ik vreemd, en ik vraag me af: hoe heeft Jezus zijn laatste adem dan uitgeblazen? Marcus schrijft dat Jezus een luide kreet slaakte (”Het is volbracht”, vermoed ik op basis van Johannes’ beschrijving) en dat Jezus daarna de laatste adem uitblies.
Hoe dat geklonken heeft is me een raadsel, maar het heeft de Romein zeer geïmponeerd.

Vroeger interpreteerde ik de uitspraak van de beste man positief. Ik dacht: Hé, een buitenlander die tot geloof komt, dat is mooi!
Maar wanneer ik er dieper over nadenk, verandert mijn positieve gevoel in het gevoel dat ik krijg bij een ‘normale’ rouwsamenkomst: “Ja echt, hij was een goed mens…”

Oké, hij waardeert Jezus als “Gods Zoon”, maar wat kon die Romein weten van de God van Israël? Kende hij het Oude Testament? Natuurlijk niet. Als een Romein iemand Gods Zoon noemt, is dat volgens mij vergelijkbaar met iemand die Luis Suárez een zoon van god, een godenzoon, noemt. Het is een oppervlakkige betiteling zonder diepgang.

En dan nog iets. De man zegt: “Hij was Gods Zoon.” Oftewel: hij vindt Jezus zeer bijzonder, hij heeft ook een bijzondere titel voor hem over, maar nu is die Zoon van God wel dood! Het is einde verhaal voor Gods Zoon. “Hij wás een goed mens!”
En de officier ging weer naar huis, stel ik me voor.

De Romein heeft het bijna goed. Hij vertelt bijna goed nieuws. Want wie deze Jezus kent, wie de God van de hele Bijbel kent, die zegt tijdens en zelfs na het sterven van Jezus: “Werkelijk, deze mens is Gods Zoon.”

Mijn HEER, Jahwe kennende, kan Golgota geen ‘einde verhaal’ betekenen…

Veel preken die na Pasen volgen gaan over drie mannen, namelijk over Jezus en de twee mensen die op weg naar huis zijn. Naar Emmaüs, een plaatsje dat ongeveer 12 kilometer (60 stadiën) van Jeruzalem lag.

In Lucas 24, 13-35 maken we kennis met deze zogenaamde Emmaüsgangers. Een prachtig verhaal dat laat zien wat God met mensen doet als de bijbel eens goed open gaat. Jezus wijst verrassend genoeg niet direct op zichzelf. Hij had in vers 25 als antwoord kunnen geven: “Kijk toch ’s goed naar me, ik leef weer!” Jezus wijst daarentegen op de Oudtestamentische geschiedenis die op hem móe(s)t uitlopen.

Je hoeft de opgestane Heer niet eens te zien om het Oude Testament te begrijpen. (Maar ja, nu nog goede uitleggers van dat OT tegenkomen. Jezus hoort onder de helaas weinige mensen die dat goed kunnen…)

Deze week kreeg ik iets nieuws over deze twee mensen te horen. Want wie waren zij precies? Is daar iets over te zeggen? Een reconstructie.

De ene man heette Kleopas. Dus we hebben een naam. De naam van de ander is niet bekend. Maar het gekke is dat iedereen er vanuit gaat dat die ander een man is. Hoe kan dat?

1. Misschien geven we onbewust mannen het voordeel van de twijfel, omdat de bijbel naar ons idee een vrij mannelijk boek is. (Maar ja, juist bij Jezus komen er vrouwen in beeld die hij gelijk behandelt.)

2. Misschien denken we onbewust dat Jezus alleen mannelijke leerlingen (vers 13) had? (Maar ja, we weten dat Jezus ook ook genoeg vrouwen onder zijn gehoor en volgelingen had.)

Het hoeven dus niet per se twee mannen te zijn. Er is zelfs voor te pleiten dat de Emmaüsgangers een man en een vrouw zijn. Dit is totaal niet belangrijk (ik zou hier in een preek niet teveel over uitwijden natuurlijk), maar het idee is wel grappig.

1. De twee gaan naar huis en eten er. Ze nodigen Jezus in dat huis uit. Dan kunnen het altijd nog twee broers of twee vrienden zijn, maar het lijkt me veel aannemelijker dat het huis van henzelf ís. Ze wonen er.

2. De maaltijd geeft weinig ruimte aan de gedachte dat er méér mensen in dat huis aanwezig waren. Geen broers, geen ouders, alleen deze twee.
(Samenwonende mannen kende men in die cultuur nog niet, by the way.)

3. De naam Kleopas komt nog een keer in de bijbel voor. Niet bij Lucas, maar in Johannes 19, 25. Dat vers maakt melding van een paar namen van mensen die bij het kruis op Golgota staan.

Johannes 19, 25 Bij het kruis van Jezus stonden zijn moeder met haar zuster, Maria, de vrouw van Klopas, en Maria uit Magdala.

Is Kleopas dezelde man als Klopas? Het Grieks staat toe dat een zelfde naam iets anders geschreven wordt. De ‘eo’ in Kleopas mag gerust een lange ‘o’ worden (Klopas). Zoals Simon Petrus ook wel Simeon Petrus mag worden genoemd zonder dat er sprake is van een ander persoon.

Concluderend zou dit alles kunnen betekenen dat de Emmaüsgangers Kl(e)opas en zijn vrouw Maria zijn.

Dat Lúcas Maria niet noemt zou te maken kunnen hebben met de (patriarchale) cultuur destijds. Een andere optie is dat Lucas de naam van de vrouw gewoon niet te weten is gekomen.

[Met dank aan mijn goedgelovige vriend René Barkema door en met wie ik de grote en dus ook kleine bijbelse geheimen van God ontdek]