Archief van: ‘Johannes 8’

Wie God is, weet alles. Ja toch?
Een God die zielig met zijn hoofd schudt, wanneer hij de vraag gesteld krijgt of hij nog weet wie Alexander de Grote, Homerus en Salomo waren, is geen God.

Daarom maakt de God en Vader van Jezus Christus zich in de Bijbel ook bekend als de God aan wie geen gebeurtenis of mens voorbijgaat. Zie bijvoorbeeld Job 38 of deze uitspraak van Jezus Christus, de Zoon van God.

En toch kan God vergeten! Ik las het vanmorgen in Jesaja 43. God, de HEER, stelt Israël (en de mensheid in z’n geheel) in staat van beschuldiging. Hij zegt:

Jesaja 43, 22-24

“Maar jij hebt niet tot mij geroepen, Jakob,
jij gaf je geen moeite voor mij, Israël.
Je hebt niet aan mij je schapen geofferd,
mij met je offers geen eer bewezen.
Ik heb je niet met graanoffers belast
en je niet vermoeid met de plicht
om wierook voor mij te branden.
Je hebt van je zilver geen kalmoes voor mij gekocht,
mij niet verzadigd met het vet van je offers.
Nee, je hebt mij met je zonden belast,
mij vermoeid met al je schulden.

Dit is de realiteit van ons bestaan, vanuit Gods perspectief.
Maar dan… het volgende vers:

Jesaja 43, 25

“Ik, ík ben het, die omwille van zichzelf
je misdaden tenietdoet en je zonden vergeet.”

God kan dus wel vergeten. Hij kan onze zonden vergeten. Maar hoe kan dat dan; hoe kan dé allesweter zonden vergeten?
Het antwoord staat in het vers, hoor. Want het staat er niet voor niets tweemaal. ‘Ik, ík ben het…!’

God kan onze zonden vergeten, omdat hij drie-enig is. Altijd al geweest ook. God vergeet de zonden van het Israël van toen, omdat hij dat volk bekijkt door de ogen en de daden van zijn Zoon Jezus Christus (die zijn goddelijk leven voor Israël zou geven).
En ook mijn persoon bekijkt God door de ogen en daden van Jezus Christus (die zijn goddelijk leven leven voor mij gegeven heeft).
En het is de derde persoon in de drie-eenheid, de Geest van Vader en Zoon, die mij hiervan – ook vanmorgen – opnieuw heerlijk overtuigd heeft.

Als ik aan God zou vragen hoeveel zonden ik heb gedaan en wat hij daarvan vindt, dan zegt hij vandaag tegen me: “Zonden, welke zonden? David, je hebt toch wel in je hart en leven laten landen dat die zijn vastgespijkerd en vernietigd aan het kruis van Golgota?”

“Maar waarom heeft u dat gedaan?” vraag ik. En mijn God antwoordt: “Omwille van mezelf. Mijn naam, mijn daden, mijn persoon, mijn hele eeuwige leven is uit op de aanbidding waaraan geen eind komt.”
Vergeet jij niet, David, dat ik God ben, en blijf.

Jesaja 43, 11-13

“Ik, ík ben de HEER!
Buiten mij is er niemand die redt.
Ik heb redding aangekondigd en redding gebracht,
jullie hoorden het van mij, niet van een vreemde.
Jullie zijn mijn getuige – spreekt de HEER –,
dat ik werkelijk God ben
en dat ik blijf wat ik ben.

Niemand kan zich aan mijn macht onttrekken.
Wat mijn hand doet, wie maakt het ongedaan?”

Als Jezus één wens heeft, dan is het wel dat al zijn volgelingen één in hem zijn. Hij bidt dat bijvoorbeeld in een machtig gebed waarvan wij nu nog getuige kunnen zijn. Met dank aan Johannes. Die kon waarschijnlijk goed luisteren.

Eén in Christus. Dat klinkt mooi, maar je kunt er ook wel je bedenkingen bij hebben. Want: als alle christenen één in hem zullen zijn, betekent dat dan niet dat we allemaal hetzelfde zullen zijn? Dat lijkt me namelijk echt een doembeeld. Niet dat ik anderen haat ofzo, maar iedereen wil – en dat is zijn en haar goed recht – iets eigens hebben en houden. Uniek zijn. Maakt Christus dat niet kapot?

Lees meer »

Johannes 8, 30 Toen Jezus deze dingen zei, kwamen velen tot geloof in hem.

Hoe kan dat toch? vroeg ik me vanmorgen af. Jezus houdt een toespraak en ‘velen kwamen tot geloof in hem’. Wat moet je verteld hebben dat zoveel mensen hun leven op jou gaan instellen? Jezus vraagt in zijn toespraak niet eens expliciet om geloof of bekering. Mensen móeten blijkbaar wel.

Ik heb Jezus’ toespraak (Johannes 8, 21-29) geprobeerd te analyseren. Wat zegt-ie nu precies over zichzelf?

Dé vraag is: Hoe komt een mens bij God?

Antwoord van Jezus: “Alleen door mij.”

Want Jezus…

1 …is de enige die Gods wereld kan bereiken (vers 21-22). Het is dus niet een kwestie van sterven en je bent er. Ook het veel gehoorde en geloofde adagium ‘Probeer zo goed mogelijk te leven’ kan veel mensen een leven lang op het verkeerde been zetten.

2. …is de enige die in Gods wereld thuis is en hoort (vers 23). Alleen als ik als Jezus ben krijg je zuurstof om in zijn wereld te kunnen leven.

3. …is de enige die mij van mijn inktzwarte status-quo (mijn zonden, uitlopend op de dood) kan verlossen (vers 24). Ik kan mezelf niet van mijn zonden bevrijden.

4. …is de enige die God persoonlijk en vertrouwelijk kent (vers 26). Ik kan God dus alleen via Jezus leren kennen. Elke vorm van religie drukt Jezus hiermee de kop in.

5. …is de enige die deze vertrouwelijke relatie bewijzen kan (vers 28). Zijn keuze voor de kruisdood op Golgota is het bewijs dat Jezus niet voor zichzelf, maar voor zijn Vader leefde. Ikzelf zou dit nooit kunnen, triester nog: ik sta erbij en kijk ernaar. (En hoe vaak kruisig ik hem opnieuw?)

6. …is de enige die – op Golgota na – nooit door zijn Vader is verlaten, omdat Jezus zijn Vaders wil altijd doet (vers 29). Dat kan ik hem niet nazeggen.

Zes stevige redenen om in Jezus te moeten geloven. Je moet gewoon op deze woorden reageren.
Want: óf hij zwetst en je laat hem in z’n waan, óf je vindt jezelf foutloos, óf je wijst die andere wereld af en gaat voor deze, óf je gelooft in eigen kunnen en de bereikbaarheid van Gods wereld, óf… je geeft je over – aan hem.