Archief van: ‘Kolossenzen 2’

Wie God is, weet alles. Ja toch?
Een God die zielig met zijn hoofd schudt, wanneer hij de vraag gesteld krijgt of hij nog weet wie Alexander de Grote, Homerus en Salomo waren, is geen God.

Daarom maakt de God en Vader van Jezus Christus zich in de Bijbel ook bekend als de God aan wie geen gebeurtenis of mens voorbijgaat. Zie bijvoorbeeld Job 38 of deze uitspraak van Jezus Christus, de Zoon van God.

En toch kan God vergeten! Ik las het vanmorgen in Jesaja 43. God, de HEER, stelt Israël (en de mensheid in z’n geheel) in staat van beschuldiging. Hij zegt:

Jesaja 43, 22-24

“Maar jij hebt niet tot mij geroepen, Jakob,
jij gaf je geen moeite voor mij, Israël.
Je hebt niet aan mij je schapen geofferd,
mij met je offers geen eer bewezen.
Ik heb je niet met graanoffers belast
en je niet vermoeid met de plicht
om wierook voor mij te branden.
Je hebt van je zilver geen kalmoes voor mij gekocht,
mij niet verzadigd met het vet van je offers.
Nee, je hebt mij met je zonden belast,
mij vermoeid met al je schulden.

Dit is de realiteit van ons bestaan, vanuit Gods perspectief.
Maar dan… het volgende vers:

Jesaja 43, 25

“Ik, ík ben het, die omwille van zichzelf
je misdaden tenietdoet en je zonden vergeet.”

God kan dus wel vergeten. Hij kan onze zonden vergeten. Maar hoe kan dat dan; hoe kan dé allesweter zonden vergeten?
Het antwoord staat in het vers, hoor. Want het staat er niet voor niets tweemaal. ‘Ik, ík ben het…!’

God kan onze zonden vergeten, omdat hij drie-enig is. Altijd al geweest ook. God vergeet de zonden van het Israël van toen, omdat hij dat volk bekijkt door de ogen en de daden van zijn Zoon Jezus Christus (die zijn goddelijk leven voor Israël zou geven).
En ook mijn persoon bekijkt God door de ogen en daden van Jezus Christus (die zijn goddelijk leven leven voor mij gegeven heeft).
En het is de derde persoon in de drie-eenheid, de Geest van Vader en Zoon, die mij hiervan – ook vanmorgen – opnieuw heerlijk overtuigd heeft.

Als ik aan God zou vragen hoeveel zonden ik heb gedaan en wat hij daarvan vindt, dan zegt hij vandaag tegen me: “Zonden, welke zonden? David, je hebt toch wel in je hart en leven laten landen dat die zijn vastgespijkerd en vernietigd aan het kruis van Golgota?”

“Maar waarom heeft u dat gedaan?” vraag ik. En mijn God antwoordt: “Omwille van mezelf. Mijn naam, mijn daden, mijn persoon, mijn hele eeuwige leven is uit op de aanbidding waaraan geen eind komt.”
Vergeet jij niet, David, dat ik God ben, en blijf.

Jesaja 43, 11-13

“Ik, ík ben de HEER!
Buiten mij is er niemand die redt.
Ik heb redding aangekondigd en redding gebracht,
jullie hoorden het van mij, niet van een vreemde.
Jullie zijn mijn getuige – spreekt de HEER –,
dat ik werkelijk God ben
en dat ik blijf wat ik ben.

Niemand kan zich aan mijn macht onttrekken.
Wat mijn hand doet, wie maakt het ongedaan?”

Wie kent het niet? Je bent een Word-document aan het typen en ineens is je scherm leeg. Je hele tekst weg. Maar gelukkig, met een simpele druk op CTRL-Z heb je je tekst weer terug. En kun je verder.

Gods meest felle tegenstander (en dus ook God zelf, want hij staat boven satan) had ook zo’n document. Lappen tekst met aanklachten tegen ons. Ik denk dat elk mens (christen of niet) wel kan bedenken hoe hij schuldig tegenover (een eventuele) God staat.
Al ga je er maar eenvoudig van uit dat een god rechtvaardig, heilig en goed moet zijn, je eigen leven botst geregeld met deze kwalificaties. God had een aanklacht tegen ons, en de satan deed niets liever dan hem telkens op dat document te wijzen.

Maar God is gestopt met typen. Hij heeft het document nog één keer bekeken en het toen gewist: CTRL-A en Delete. Maar dat is niet alles. Om te voorkomen dat hij ook maar op het idee zou komen om het document te herstellen (CTRL-Z) heeft hij het WORD-programma vernietigd. God kan en wil niet meer typen.

Dat is Golgota in het kort. We staan blanco voor God, omdat hij onze zonden niet meer kennen kan. Zijn Zoon Jezus heeft zichzelf met het document aan het kruis laten verscheuren (Kolossenzen 2, 14).

Iedereen die dit gelooft heeft deel aan het nieuwe blanco leven. Als christen mag je met de opgestane Heer mee.
Dat betekent: samen met die Jezus Golgota ver achter je laten (Kolossenzen 2, 13). En je hier op aarde voorbereiden om voor altijd dat goede leven met de HEER te beleven.

Wie dit niet gelooft moet weten dat er nog altijd een forse aanklacht tegen hem bestaat.

Kolossenzen 2, 13-14 U was dood door uw zonden en door uw onbesneden staat, maar God heeft u samen met Christus levend gemaakt toen hij ons al onze zonden kwijtschold. Hij heeft het document met voorschriften waarin wij werden aangeklaagd, uitgewist en het vernietigd door het aan het kruis te nagelen.

En satan? Hij heeft geen poot meer om op te staan. Het aanklachtsformulier is weg. Vandaar dat de bijbel geregeld spreekt dat zijn macht op dit punt is ingedamd! Nu rent hij als een doldwaze stier op aarde rond, zoekend wie hij dan zelf nog verslinden kan.

Hoewel ik er kritiek op heb gaat men ervan uit dat er drie mono-theïstische godsdiensten in deze wereld zijn. Dat wil zeggen: godsdiensten met één god. De Islam (met Allah), het jodendom (met Jahweh) en het christendom (ook met Jahweh). Mijn kritiek hierop is dat het christendom drie-enig van aard is, zonder dat er sprake is van een drie-godendom.

Maar wist je dat er mensen (christenen!) zijn die er een vierde godsdienst bij verzinnen? Daar schrijft Paulus over in zijn brief aan broers en zussen die in Kolosse wonen.

Kolossenzen 2, 16-23 Laat niemand u iets voorschrijven op het gebied van eten en drinken of het vieren van feestdagen, nieuwemaan en sabbat. Dit alles is slechts een schaduw van wat komt – de werkelijkheid is Christus. Laat u niet veroordelen door mensen die opgaan in zelfvernedering en engelenverering, zich verdiepen in visioenen of zich laten voorstaan op eigen bedenksels. Zulke mensen richten zich niet naar het hoofd, van waaruit God het hele lichaam, door gewrichtsbanden en pezen ondersteund en bijeengehouden, doet groeien. Als u met Christus dood bent voor de machten van de wereld, waarom laat u zich dan geboden opleggen alsof u nog in de wereld leeft? ‘Raak dit niet aan, proef dat niet, blijf daarvan af’ – het zijn menselijke voorschriften en principes over zaken die door het gebruik vergaan. Dat moet allemaal voor wijsheid doorgaan, maar het is zelfbedachte godsdienst, zelfvernedering en verachting van het lichaam; het heeft geen enkele waarde en dient alleen maar tot eigen bevrediging.

Lees meer »

Soms vind ik het jammer dat ik mijn doop niet bewust heb meegemaakt. Dan zou ik er vast vaker aan terug denken. Maar ik vertrouw mijn ouders als ze zeggen dat ik toch echt gedoopt ben. (Doopkaarten zijn na 1981 ingevoerd.) Lang geleden; mijn oude doop.

Dat ik mijn doop niet bewust heb meegemaakt is niet de enige reden waarom ik weinig aan mijn doop denk.
De andere reden is namelijk dat het me vrij weinig doet. Ik kan het prima verwoorden, maar het doet me gewoon weinig. Er hangt voor mijn gevoel een sfeer van dogmatiek om heen, waaraan maar moeilijk te ontkomen is.

Mijn kerk maakt het ook gewoon tot een saaie bedoening. Met een lang, sterk dogmatisch getint formulier en bijbels-theologische gebeden. Bovendien ontbreekt het in mijn kerk aan het meest essentiele van de doop: water. Ja, als je goed kijkt zie je een paar spetters. Maar kan het nóg zuiniger?

Ik mis de onderdompeling. Ik mis de zichtbare symboliek van het sterven én opstaan in Jezus Christus. Ik mis de spanning die God met deze symboliek wel bedoeld moet hebben.
Mocht ik ooit besluiten predikant te worden, dan zal ik er alles aan doen de doop haar glans en diepte terug te geven.

Die symboliek vind ik schitterend. Goddelijk zelfs. Want het geheim van Jezus Christus voor mijn leven wordt zichtbaar gemaakt. Ik begrijp er nog steeds niets van (daar hoef je geen kind voor te zijn), maar het is dus af te beelden.

Met mijn doop gebeurt al heel vroeg wat in de rest van mijn leven zo vaak terugkomt. Sterven, opstaan, sterven, opstaan.

Vanaf het begin is God met mij bezig om een nieuw mens van mij te maken. Dat is voor mij de waarde van mijn doop. Hij is bij mij. Hij wast. Hij geeft zijn Geest en nieuwe kleren. Net zulke kleren als Jezus altijd aan had.
God weigert mij los te laten. Dat vind ik ongelofelijke liefde. Want hoe beter ik mezelf ken, hoe liefdevoller God wordt.

Alleen ik… kan hem loslaten. Het is het domste wat ik kan doen, maar het kan. Daarom zegt Paulus in Kolossenzen 2 tegen me:

6 Volg de weg van Christus Jezus, nu u hem als uw Heer aanvaard hebt. 7 Blijf in hem geworteld en gegrondvest, houd vast aan het geloof dat u geleerd is en wees vervuld van dankbaarheid.