Archief van: ‘Matteüs 13’

Wanneer mensen me vertellen dat het in hun kerkelijke gemeente ‘helemaal niet zo verkeerd gaat’ of dat ‘het bij ons altijd erg gezellig en geweldig is’, kan ik een glimlach niet vermijden.

De reden daarvan is dat de mate van gezelligheid en het aantal (geestelijke) prestaties wel belangrijk zijn in onze westerse maatschappij, maar Bijbels gezien totaal irrelevant zijn. Eenheid, betrouwbaarheid, Bijbelse waarheid en de gezindheid van Jezus Christus, zijn enkele maatstaven die Paulus in een christelijke gemeente hanteert.

Wanneer het in gemeentes altijd erg fijn en gezellig is, vraag ik mij af of Jezus Christus er wel verkondigd wordt. Want hoe kan het zijn dat waar deze Jezus kwam een zeer klein gedeelte hem bleef volgen maar dat het gros van de mensen wegliep, kwaad werd, zich aangevallen voelde, en hem ten slotte kruisigde?
Zal dat in een christelijke gemeente dan anders zijn?

Nu denk ik dat veel christenen zullen zeggen: “Maar David, er zitten in een christelijke kerk toch allemaal mensen die Jezus juist willen volgen? Die zijn toch wedergeboren? Hoe kun je dan verwachten dat die kwaad gaan zitten worden op Jezus?”

Ik denk dat we onszelf wat dit betreft geregeld voor de gek houden. In een kerk van 400 gereformeerde (of evangelische of baptistische of katholieke) mensen zitten geen 400 wedergeboren christenen.
Ik denk dat we elkaar wat dat betreft de hand boven het hoofd houden. Ook vanaf de kansel. Ik denk dat in veel gemeentes jarenlang de lieve vrede (in plaats van Jezus, die Gods vrede is) verkondigd en in standgehouden wordt en dat we als gevolg daarvan één-pot-nat-gemeentes kweken.

Bovendien denk ik dat we vanaf de kansel vaak de verkeerde vragen toegeworpen krijgen, waardoor dit één-pot-nat-denken-en-leven in stand gehouden wordt.
Voorbeeld. Ik hoor vaak vanaf de kansel dat we moeten geloven dat Jezus Heer is (of is opgestaan uit de dood o.i.d.). Dan denk ik: ‘Ja, dat is lekker gemakkelijk! Want welke gereformeerde gelooft nu niet dat Jezus Christus zijn of haar Heer is, of dat hij écht is opgestaan (en niet in de harten van zijn leerlingen o.i.d.)?

En dus reageert elke kerkganger met ‘Ik geloof het’ en lijkt het net of er 400 wedergeboren christenen in een en dezelfde gemeente zitten.
En dat allemaal omdat gewoon de verkeerde vraag gesteld is.
(Het gaat er niet om of je gelóóft dat Jezus je Heer is, maar of hij álles voor je is! (Slik?))

Ik zie de gemeente als een snijplank met witlof erop.
Als ik voor m’n vrouw en kind witlof kook, snij ik natuurlijk altijd het niet te eten kontje eraf. En dan liggen er op één en dezelfde snijplank de eetbare witlof en de stukjes witlof die ik even later weg ga gooien.
Ik zie de gemeente als zo’n snijplank.
Een christelijke gemeente kent zowel rechtvaardige, wedergeboren mensen (de goede, eetbare witlof) als onrechtvaardige, niet-wedergeboren mensen (de stukjes witlof die weggegooid worden).

Dit beeld, dat ik aan Jezus’ onderwijs meen te ontlenen, doet meer recht aan de werkelijkheid. Maar dit is nog niet het einde van het verhaal.

Want… het punt is dat in een christelijke gemeente deze kontjes witlof geduld worden! En dat we Jezus hebben te volgen in het liefhebben van iedereen! We kunnen elkaar dus nooit een ‘gebrek aan wedergeboorte’ verwijten. Want hoe weet je dat bij een ander? Wie kan in het hart van een ander kijken?
Je weet het alleen van jezelf. En je merkt het bij jezelf – of niet.

Tot het moment dat Jezus Christus zelf het kaf van het koren gaat scheiden hebben we elkaar allemaal lief, en confronteren (gebeurt dit nog?) en verblijden we elkaar met deze Jezus, de Godmens.

Maar stop alsjeblieft met het verspreiden van die onzalige, onware, onbijbelse gedachte dat jouw kerkelijke gemeente de hemel op aarde is.
Streef er wel naar – waarom niet? Niet jagend en frustrerend, maar biddend, en biddend en biddend. En lezend, en lezend en lezend.

Matteüs 13, 37-43

37 Jezus antwoordde hun: ‘Hij die het goede zaad zaait is de Mensenzoon, 38 de akker is de wereld, het goede zaad dat zijn de kinderen van het koninkrijk [waaronder kerkgangers, DH]; het onkruid dat zijn de kinderen van het kwaad [waaronder kerkgangers, DH], 39 de vijand die het zaait is de duivel, de oogst staat voor de voltooiing van deze wereld en de maaiers zijn de engelen. 40 Zoals het onkruid bijeengebonden wordt en in het vuur verbrand, zo zal het gaan bij de voltooiing van deze wereld: 41 de Mensenzoon zal zijn engelen eropuit sturen, en ze zullen uit zijn koninkrijk allen die anderen ten val hebben gebracht en de wetten hebben verkracht bijeenbrengen 42 en hen in de vuuroven werpen; daar zullen ze jammeren en knarsetanden. 43 Dan zullen de rechtvaardigen in het koninkrijk van hun Vader stralen als de zon. Laat wie oren heeft goed luisteren!

Wat maakt een christen tot een christen? Zou het niet zijn dat je moet geloven in Jezus Christus?
Ja, inderdaad: geloven.

Toch vind ik dat maar een vaag woord. Want ik ken genoeg christenen die geloven in Jezus Christus, maar dat is dan ook alles. Uit niets of uit heel weinig blijkt dat deze Jezus alles voor hen is.

Ik denk dat de vraag of je in Jezus gelooft vandaag de dag niet meer zo van belang is. Omdat het begrip te vaag is, er zit vaak geen leven meer in. Het betekent in eerste instantie meer zoiets als: geloof je in het bestaan van God? Of: begrijp je de Bijbel in grote lijnen?
Ik merk dan ook vaak dat predikanten er een hele preek aan moeten wijden voordat enigszins duidelijk is wat met geloof in Christus bedoeld wordt.

Ik stel daarom een andere kernvraag voor. Niet: “Beste christen, geloof jij in Jezus Christus?” maar: “Beste christen, is Jezus Christus jouw vreugde?” Of: “Is Jezus Christus jouw schat, jouw alles?”

Kijk, dat is duidelijk. En daar schrikt menig christen misschien ook wel van. “Moet dat dan? Geloof is toch genoeg…?”

Gisteren las ik hoe Jezus Christus over zijn koninkrijk spreekt. Het staat in Matteüs 13, 44.

Matteüs 13, 44 Het is met het koninkrijk van de hemel als met een schat die verborgen lag in een akker. Iemand vond hem en verborg hem opnieuw, en in zijn vreugde besloot hij alles te verkopen wat hij had en die akker te kopen.

‘Schat’, ‘in zijn vreugde’, ‘alles verkopen’… hallo hé!

Dit evangelie doet geweldig recht aan mijn verlangen. Het brengt ook glashelder aan de oppervlakte waar het in mijn jeugd en in de kerk van mijn jeugd faliekant is misgegaan. Het ging nooit over vreugde in Jezus en God zelf. Ik kende dat gevoel gewoon niet. (Gevoel was zelfs een taboe, want evangelisch.)

Jezus Christus als mijn schat (in de akker) zien! Vreugde aan hem beleven. Blij van hem worden. Genieten van de herstelde eenheid met God dankzij de verlossende tussenkomst van Jezus Christus. Dat is geloof dat mij emotioneert! Dat is geloof dat me doet verlangen naar de nabijheid van God. Nu en ooit.

Ik denk dat veel christenen wel geloven dat Jezus hun Heer is. Maar dat kan je helemaal niets zeggen of doen. Bovendien kun je je met tegenzin (dus zonder vreugde!) aan hem onderwerpen.
Ik denk ook dat veel christen wel geloven dat Jezus hun verlosser is. Wie wil nou niet van de verschrikking van de hel verlost worden? Maar of deze mensen persoonlijk door de kracht van Jezus verlost willen worden, is een vraag waar ik vraagtekens bij durf te zetten.

Laat ik het bij mezelf houden: is Jezus Christus mijn vreugde?
Zo ja, geweldig! Dan ben ik klaar voor Gods koninkrijk.
Zo nee, dan ben ik beklagenswaardig. Ja echt, ik begrijp geen snars van het evangelie (en ik heb waarschijnlijk andere goden waarin ik dagelijks mijn vreugde vind!). Ik heb me diepgaand te bekeren, wil ik God ooit kunnen zien en eeuwig met hem kunnen leven.

Ik kan dus geloven, terwijl ik geen christen ben!

Is geloof in Jezus Christus de kern? Nee, in onze tijd kan dat niet meer de kern zijn.
Is Jezus Christus jouw en mijn vreugde? Dát is de vraag!

[Meer weten? Koop en lees Verlangen naar God van John Piper, bij wie ik deze grondige analyse gelezen en van harte aangenomen heb]