Archief van: ‘Matteüs 5’

Hoi JW,

ik begrijp je punt en ben het daar ook mee eens. Ik begrijp alleen niet dat we als christenen ook het morele leven niet bij Jezus Christus en zijn onderwijs beginnen.

Christenen als Paulus en Petrus hebben dat prachtig uitgewerkt En wat te denken van Jakobus? Wist je dat zijn brief boordevol en soms letterlijke verwijzingen staat naar Jezus’ bergrede (en dus niet naar de wet, wat je misschien wel van de Jood Jacobus zou verwachten)?

Natuurlijk is er principieel niets mis met de voorlezing van Gods goede wet, maar het voelt ongeveer aan alsof je in een oude BMW (de wet) blijft rijden, terwijl er een nieuwere en betere versie voor je klaarstaat (Jezus en zijn onderwijs) waarin je de
kenmerken van de eerste versie zult herkennen.

Jezus helpt ons duidelijker en beter op weg richting zelfreflectie dan de korte wet van zijn Vader.

Ik vraag me zwaar af of de jongste generaties kerkleden de ernst van Gods wet meemaken als hun de duidelijke en ernstige verdieping van die wet structureel onthouden wordt.

Voorbeeld: Weinig mensen plegen een moord of overspel (zesde en zevende gebod) en de voorlezing daarvan zal dus weinig mensen wat doen. Laat staan dat zij zich zullen verootmoedigen. Hoogmoed ligt eerder voor de hand.
Maar lees Jezus’ uitwerking hiervan in Matteüs 5, 21-30 en de hele kerk zal het schaamrood op de kaken krijgen. En zich hopelijk kleinmaken voor Jezus, hun Heer.

Matteüs 5, 21-30 21 Jullie hebben gehoord dat destijds tegen het volk is gezegd: “Pleeg geen moord. Wie moordt, zal zich moeten verantwoorden voor het gerecht.” 22 En ik zeg zelfs: ieder die in woede tegen zijn broeder of zuster tekeergaat, zal zich moeten verantwoorden voor het gerecht. Wie tegen hen “Nietsnut!” zegt, zal zich moeten verantwoorden voor het Sanhedrin. Wie “Dwaas!” zegt, zal voor het vuur van de Gehenna komen te staan. 23 Wanneer je dus je offergave naar het altaar brengt en je je daar herinnert dat je broeder of zuster je iets verwijt, 24 laat je gave dan bij het altaar achter; ga je eerst met die ander verzoenen en kom daarna je offer brengen. 25 Leg een geschil snel bij, terwijl je nog met je tegenstander onderweg bent, anders levert hij je uit aan de rechter, draagt de rechter je over aan de gerechtsdienaar en word je gevangengezet. 26 Ik verzeker je: dan kom je niet vrij voor je ook de laatste cent betaald hebt.
27 Jullie hebben gehoord dat gezegd werd: “Pleeg geen overspel.” 28 En ik zeg zelfs: iedereen die naar een vrouw kijkt en haar begeert, heeft in zijn hart al overspel met haar gepleegd. 29 Als je rechteroog je op de verkeerde weg brengt, ruk het dan uit en werp het weg. Je kunt immers beter een van je lichaamsdelen verliezen dan dat heel je lichaam in de Gehenna geworpen wordt. 30 En als je rechterhand je op de verkeerde weg brengt, hak hem dan af en werp hem weg. Je kunt immers beter een van je lichaamsdelen verliezen dan dat heel je lichaam naar de Gehenna gaat.

Met vriendelijke groet,
David

De laatste tijd ben ik veel bezig met de heiliging van m’n leven. Vragen die mijn gedachten en leven (en weblog) dan beheersen zijn: ‘Hoe laat ik God alles voor me zijn?’, ‘Wat brengt God voor goeds of anders in mijn leven teweeg?’, ‘Hoe komt het dat ik weinig heiliging bij de christenen om me heen opmerk?’, ‘Laat de kerkelijke praktijk die ik ken een onheilig leven toe?’, ‘Wil ik überhaupt wel een heilige zijn?’, ‘Geeft het eeuwige gesprek over de verhouding tussen rechtvaardiging en heiliging niet blijk van een te smal en dus onbevredigend vraagstuk?’

En toen las ik op een goeie morgen iets van C.S. Lewis, een van de inspirators van mijn leven.

‘[Jezus de dag wel of niet laten beheersen] is het verschil tussen lak die alleen van buiten wordt aangebracht en een verf of kleurstof die alles doortrekt. Wat Jezus zei was nooit vage, idealistische kletspraat. Als hij zei: “Je zult volmaakt zijn”. dan bedoelde hij ook wat hij zei.

Hij bedoelde dat we het complete programma moeten volgen. Dat is moeilijk; maar het soort compromis waar we allemaal zo naar hunkeren is nog moeilijker – en in feite onmogelijk.
Het is voor een ei misschien wel moeilijk om in een vogel te veranderen; het zou nog heel wat moeilijker zijn te leren vliegen terwijl het een ei blijft.

Wij zijn momenteel een soort eieren. En men kan niet onbeperkt een gewoon, fatsoenlijk ei blijven. We moeten uitkomen of anders bederven.’

[Uit: C.S. Lewis, Onversneden christendom, IV/8. Gelezen in: C.S. Lewis, Hemelse zaken - Dagboek, 15]

Gisteravond zag ik Louis van Gaal eindelijk ’s redelijk geïnterviewd worden. Vorige week kreeg Matthijs van Nieuwkerk, niet de minste onder de interviewers, tijdens DWDD werkelijk geen originele zin uit de mond van ‘de heer’ Van Gaal (sidekick Marc-Marie Huijbregts kwam wat dat betreft verder dan Van Nieuwkerk), maar Andries Knevel lukte het gisteren aardig.
Het ging dan ook niet over voetbal, wat zelfs ik wel leuk vond…

Het ging meer over Van Gaal en God.
Van Gaal kwam er eerlijk voor uit niet meer met God overweg te kunnen. Op jonge leeftijd verloor hij zijn vader en na het verschrikkelijke (over)lijden van zijn eerste vrouw is God voorgoed uit zijn gedachten en leven verdwenen.
Knevel stelde hem even later een geweldige vraag; erg indringend vind ik ‘m: “Wat zou God moeten doen om het weer goed met je te maken?”
Van Gaals antwoord: “Dat kan hij niet meer. Een God heeft in te grijpen als het de verkeerde kant dreigt op te gaan. Precies zoals ik dat doe. Als mijn spelers de verkeerde kant op gaan, laat ik me horen…”

Ik denk dat Van Gaal – helaas onbewust – schreeuwde om Jezus Christus. Want schreeuwde deze Zoon van God ook niet naar God, toen hij alleen aan een kruis hing te sterven? ‘Waarom God, mijn (!) God, waarom?’
Jezus hield geloof, stierf in vertrouwen, en liep na drie dagen dood-zijn weer levend rond. Als eerste mens van een immens aantal volgelingen: Jezus-christenen.

Dat betekent niet dat de mens pijn- en lijdensvrij door het leven gaat (zie het leven van Van Gaal, mijn leven, het leven van mijn vrouw, en vast ook dat van jou, beste lezer), maar er is hoop. Gefundeerde, realistische hoop, omdat die Jezus nog altijd leeft én het laatste woord zal hebben.

Er blijft nog een vraag staan. Waarom grijpt God zo vaak niet corrigerend in, zoals Van Gaal dat wel doet bij zijn eigen spelers en staf?
Mijn antwoord is op dit moment dit:

1. Doet God dat in de meeste gevallen écht niet? Hoe weet je dat?

2. Vanuit Gods perspectief en vanuit het perspectief van christenen is het lijden ondergeschikt aan het leven. Wie lijdt, leeft nog (hoe moeilijk dat soms ook te verdragen is). En wie leeft, kan zich verblijden in God. Daarom: een christen kan zwaar lijden, maar dat lijden is nooit vreugdeloos! (Vaak merk je dit bij ernstig zieke christenen; als bezoeker van het ziekbed word je dan jaloers als je de doodzieke hoort praten over God en hoop.)

3. God stelt ons soms (misschien wel vaak) op de proef. Hij doet dit om ons te leren focussen en vertrouwen op hem. Zoals een goede trainer zijn training soms bewust de verkeerde kant op laat lopen. Als check of zijn spelers ook zélf nog nadenken.
Een trainer die dat nooit doet, geeft daarmee aan geen lef te hebben. Zo’n trainer is bang voor z’n eigen persoontje, het wegvallen van zijn gezag.

God kent die angst niet. Omdat hij liefde is, kent hij helemaal geen angst.
God heeft wel een sterk verlangen, namelijk het verlangen om zoveel mogelijk mensen in zijn glorie te krijgen. En met dat doel laat hij de mens(heid) geregeld lijden. Hij heeft dat niet nodig, en in dat lijden op zich heeft hij geen plezier. Wij hebben dat nodig.
Gods visie is dit: beter al lijdend tenslotte in zijn nabijheid komen, dan totaal onwetend voor altijd buiten zijn glorie moeten bivakkeren (de hel). Vergelijk Jezus’ uitspraken hierover.

Er is niets beter voor een mens dan in de glorie van God te zijn. Hoe erg het lijden op aarde ook kan zijn, het weegt nooit op tegen de heerlijke nabijheid van God.
Alleen wie God via de persoon van Jezus Christus wil leren kennen, krijgt het lef en de kracht om het lijden te accepteren én te doorstaan.

En laten we eerlijk zijn, zou God alles voor ons zijn wanneer hij geen lijden in de wereld zou brengen en toestaan? Ik denk dat we allemaal, opstandig en tegennatuurlijk als we zijn ten opzichte van God, achteloos en hoogmoedig zouden doorgaan met onze rijke, westerse leventjes.

Wie de vraag naar het lijden stelt (zoals Van Gaal terecht deed), moet ook het lef hebben om zichzelf met die God te confronteren. Hij liep hier op aarde rond!
Ik hoop dat Louis van Gaal dit alsnog doet.

Romeinen 8, 18-21

[Paulus schrijft:] ‘Ik ben ervan overtuigd dat het lijden van deze tijd in geen verhouding staat tot de glorie die ons in de toekomst zal worden geopenbaard. De schepping ziet er reikhalzend naar uit dat openbaar wordt wie Gods kinderen zijn. Want de schepping is ten prooi aan zinloosheid, niet uit eigen wil, maar door hem die haar daaraan heeft onderworpen. Maar ze heeft hoop gekregen, omdat ook de schepping zelf zal worden bevrijd uit de slavernij van de vergankelijkheid en zal delen in de vrijheid en glorie die Gods kinderen geschonken wordt.’

Omdat mama vandaag werkt, heeft papa een ‘papadag’. Hoewel dat woord verschrikkelijk is – want: hoezo, de overige dagen zijn geen papadagen? – is het wel waar dat ik op maandag en donderdag meer tijd met Joram doorbreng dan op andere dagen.

Dus ik liep met Joram in de wagen naar de C1000. Heerlijk te genieten van zijn omhooggestoken wijsvingertje en de direct daaraan gekoppelde woorden ‘die’ en ‘da(ar)’. Hij wees naar het weiland.
De woorden ‘koe’ en ’schaap’ zullen niet meer lang op zich laten wachten, denk ik.

We liepen over een weggetje, de zogenaamde ‘Botermarkt’, waar het op het heetst van de dag bloedheet kan zijn. Vanmorgen was het er nog aangenaam en genoot ik van de warmte en van de tientallen bomen langs de zogenaamde Stadsgracht. Ik dacht: grappig, ze zwaaien allemaal op dezelfde manier naar God.

Heerlijk dus, die zon.
Maar ik dacht door. Wat is hij óók verraderlijk. Want hoeveel mensen zijn er niet die genoegen nemen met de zon, en het licht en de warmte die hij afgeeft.

Natuurlijk, de mens kan niet zonder zonlicht en -warmte. Maar het kan niet anders of God is een groot risico met de mensheid aangegaan. Hij wist dat de mensheid hem in zou ruilen voor de zon. Dat de mens de schepping zou gaan vereren in plaats van hem, de schepper.
Je zou kunnen zeggen: God heeft de zon te heerlijk, te mooi gemaakt en te goed op de mens afgestemd. Aan de andere kant: dat is ook precies wat hij wilde. Omdat hij het beste, het állerbeste met de mens voorheeft. Ik noemde de zon daarom vanmorgen Gods liefdevolle risico met de mensheid.

God laat de zon schijnen voor zowel rechtvaardige als voor onrechtvaardige mensen. Rechtvaardige mensen willen de schepper erom grootmaken, onrechtvaardige mensen gaan aan hem voorbij.

Er zullen mensen zijn die ooit recht in de ogen van hun schepper zullen kijken. Daar staan ze dan. Vóór God met een zongebruind lichaam, maar met een pikzwarte ziel.
Ik wil mijn tijd gebruiken vaak voor hen te bidden en hen actief proberen te bereiken met dit heftige nieuws dat op zoveel goeds gericht is.

Matteüs 5, 43-45 [Jezus, de Zoon van de schepper van de zon, zegt:] 43 Jullie hebben gehoord dat gezegd werd: “Je moet je naaste liefhebben en je vijand haten.” 44 En ik zeg jullie: heb je vijanden lief en bid voor wie jullie vervolgen, 45 alleen dan zijn jullie werkelijk kinderen van je Vader in de hemel. Hij laat zijn zon immers opgaan over goede en slechte mensen en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.

Romeinen 1, 25 [Paulus zegt in de naam van de schepper van de zon:] Ze [nl. de ongelovigen/onrechtvaardigen] hebben de waarheid over God ingewisseld voor de leugen; ze vereren en aanbidden het geschapene in plaats van de schepper, die moet worden geprezen tot in eeuwigheid. Amen.

‘Ze aanbidden het geschapene.’
Ik heb het wel eens eerder geschreven: christenen zijn anders. Ze zijn geen zonaanbidders, maar Godaanbidders.

Gisteravond sprak ik met iemand door over de preek van gistermorgen. Hij vertelde me dat ze bij hem thuis dachten dat ik de wet van God wilde afschaffen.

Ook in de gemeente werd dat gedacht, getuige het feit dat sommigen het verrassend vonden dat ik toch de wet na de preek las.
Ik moet dus even een eventueel opgelopen misverstand uit de wereld helpen.

De wet van God is rechtvaardig, heilig en goed. Dat is niet zo gek, want de wet komt rechtstreeks van God. Gods eigen vingers hebben geschreven wat hij zelf heeft bedacht.
Het zijn topregels, ik noem ze ook wel ‘de geheimen van God’. Ik wil ze dus absoluut niet afschaffen. Bovendien zet Jezus, de Zoon van God, daar een flinke straf op: Matteüs 5, 19.

Als je goed geluisterd hebt, heb je

1. moeten ontdekken dat ik niet tegen Gods wet heb gepreekt, maar tegen het farizeïsme en in het verlengde daarvan: moralisme en wetticisme. Dat houdt in dat je met je goeie gedrag God tevreden wilt stellen of in plaats van hem de lieve vrede wilt dienen. Je leeft gehoorzaam, maar met de verkeerde intenties.
Dan heb je God tegen je, want zijn genade zegt je niets. En heb je niet nodig (vergelijk Galaten 5, 2-4).

2. moeten ontdekken dat de letter – de wet an sich – ons te zwaar valt. De diepte daarvan botst vaak met onze oppervlakkigheid. Met onze zonde ook (vergelijk Romeinen 8, 3-4).

Ik heb de wet dus niet willen afschaffen, maar ik heb de gemeente in beide gevallen gewezen op Jezus, de unieke vervuller van Gods wet. En dat is voluit bijbels.

Matteus 5, 17 Denk niet dat ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen. Ik ben niet gekomen om ze af te schaffen, maar om ze tot vervulling te brengen.

PS. Misschien had ik in de preek explicieter moeten zeggen dat ik Gods wet niet wilde afschaffen. Dan was het voor die enkelingen ook geen verrassing geweest dat ik Gods wet toch heb voorgelezen.

Google het woord ‘geluk’ en je krijgt de meest uiteenlopende resultaten. Het web staat er vol mee, alleen in Nederland al. Dat is ook logisch: iedereen wil (later) gelukkig zijn of worden.

Op www.verrasjezelf.nl vond ik de volgende 10 gouden regels voor geluk:

10 GOUDEN REGELS VOOR GELUK

1. Verwonder je zo vaak als je kan en verbaas je over wat je vanzelfsprekend vindt maar dat helemaal niet is.
2. Geniet van eenvoudige goede dingen als wandelen, een appel eten, even de ogen sluiten.
3. Wees dankbaar en waarderend voor wat dankbaarheid en waardering verdient.
4. Zoek mensen op die een positieve houding hebben.
5. Ontvang in alle rust complimentjes en opbouwende opmerkingen; weiger kalm maar duidelijk afbrekend commentaar.
6. Blijf je realiseren dat jouw leven van jou is. Laat het niet door anderen leven.
7. Gun jezelf de ruimte en tijd voor dingen die je graag doet.
8. Zoek naar activiteiten waarbij het nuttige ook aangenaam is. Alles heeft aangename kanten.
9. Kies er voor je gelukkig te voelen. Wacht niet op anderen of het lot om je gelukkig te maken.
10. Lach veel, zo vaak als je zin hebt. Er zijn redenen in overvloed.

Lees meer »

Gisteren heb ik de bergrede van Jezus weer eens gelezen. Dat kan geen kwaad, dacht ik. En bovendien houd ik me weer wat bezig met de wet en het evangelie. Ik ben ervan overtuigd dat de wet evangelie is, maar dat moet ik wel steeds weer opnieuw ontdekken.

Tsjonge, wat vind ik die toespraak van Jezus altijd weer absurd. De kracht van die woorden vind ik groots. En ze raken me diep.

Ik vraag me af wat ik met Jezus’ uitleg van de wet kan en moet. Als ik Matteus 5 serieus neem en als ook zij die zich christen noemen dat doen, zou de wereld voor een groot gedeelte uit mensen bestaan die handen en ogen missen (vers 29-30), keer op keer in elkaar geslagen worden (vers 39), weinig kleren (aan) hebben (vers 40) en zo goed als blut zijn (vers 41).

En Matteus 5 eindigt met een uitspraak waar ik al helemaal niets mee kan: ‘Wees dus volmaakt, zoals jullie hemelse Vader volmaakt is.’ Dat moet Jezus vooral zeggen tegen iemand die vaak tegen zijn perfectionisme aanloopt.

In mijn ogen legt Jezus hier een groot aantal idealen neer die voorbestemd zijn ideaal te blijven. Onnavolgbare uitspraken. Wat moet ik ermee?

Ik heb er over nagedacht en concludeer voorlopig:

1. Jezus tekent hier vooral zijn eigen lijdensweg. Hij werd in elkaar geslagen zonder terug te slaan; hij gaf niet alleen zijn jas, maar ook zijn leven, bovendien liet hij bij zijn dood niet meer dan een mantel na; als iemand aan hem vroeg om te blijven logeren deed hij dat; hij bevredigde zijn verlangens bij God, in de bergen, ’s nachts, in gebed.

2. Tegelijk is duidelijk dat Jezus hier mensen en dus ook mij aanspreekt. Deze uitgesproken hoge idealen hebben eeuwig leven nodig om zichtbaar te worden.
Dus als iemand mij vraagt hoe ik weet dat er leven na dit leven is, dan zou ik wel eens kunnen antwoorden: “Lees de bergrede maar eens.”

3. Blijkbaar kan de kracht van God zo sterk zijn dat wij volmaakt kunnen zijn zoals de Vader dat is.
Dat betekent dat ik waarschijnlijk te weinig verwacht van Gods kracht. Of dat ik als westers, materialistisch christen ten diepste geen zin heb om christelijk te leven (m’n geloof is zoetsappig: Jezus belooft alleen goede dingen. Ja, leuk!).