Archief van: ‘Openbaring 21’

Ik weet dat de Bijbel het Woord van de eeuwige, goede God is. Ik weet waar de verschillende edities in m’n huis liggen (beneden, slaapkamer en werkbureau). Maar wat besluit ik toch vaak om het cadeau ongeopend te laten. Vanuit on- of kleingeloof. Vanuit gebrek aan vertrouwen en verwachting.

Gelukkig is het God zelf die me vaak uit geloofsdallen naar boven laat kruipen. Hij pakt me door zijn Geest bij mijn verstand, bij mijn hart, hij laat me zonden belijden, hij pakt mijn handen, en ja hoor, de Bijbel gaat open.
En hij laat de vreugde weer ouderwets naar binnen stromen.

En wat komt dan weer aan de oppervlakte hoe beperkt ik over God en mezelf denk. Want ik verwacht weer te lezen hoe ik vergeven word, hoe ik door God gerechtvaardigd en geheiligd ben, hoe hij me in Christus ziet, wat hij me allemaal geeft, hoe het christelijk leven er hoort uit te zien.
Maar daar het God niet om. Niet ten diepste.

Ik las vanmorgen Jesaja 62. En daarin maakt mijn God bekend dat hij niet stil zal blijven ‘totdat het licht van Jeruzalems gerechtigheid daagt en de fakkel van haar redding brandt’ (vers 1). Ook roept hij ons op zichzelf geen rust te gunnen ‘totdat hij Jeruzalem weer heeft gegrondvest en haar roem op aarde heeft bevestigd’ (vers 7).
Als christen mag ik dan natuurlijk meteen denken aan het nieuwe Jeruzalem dat uit de hemel zal neerdalen. En dat is dan weer het nieuws dat Jezus Christus zelf is komen aankondigen maar dan met de term ‘koninkrijk van God’.
God gunt zichzelf geen rust voordat die nieuwe wereld staat als een huis.

Ook geeft hij die stad een nieuwe naam (vers 2, 4 en 12) en kroont hij haar met een schitterende kroon en koninklijke tulband (vers 3). Prachtig allemaal, en het mooie is: het zal me allemaal overkomen! Ikzelf ben totaal nog niet in beeld geweest. Mijn redding, lot en toekomst ligt in Gods gedachten en handen, niet in de mijne.
Het is de kunst, die Gods Geest me telkens moet laten inzien en leren, om terug te vallen op die trouwe God en Heer.

En nu heb ik het mooiste nog niet genoemd. Want naast de goddelijke gift van een nieuwe stad, die nieuwe namen, die schitterende kroon, de onverwoestbare belofte van een nieuw en eeuwig leven, verlang ik het meest naar God zelf. En concreter: dat hij naar mij lacht. Dat hij plezier in mij heeft. Dat hij naar mij verlangt.
En laat hij dat nou vanmorgen opnieuw tegen mij hebben gezegd. Het zijn zijn eigen woorden.

Jesaja 62, 4-5

“Men noemt je niet langer ‘Verlatene’
en je land niet langer ‘Troosteloos oord’,
maar je zult heten ‘Mijn verlangen’
en je land ‘Mijn bruid’.
Want de HEER verlangt naar jou
en je land wordt ten huwelijk genomen.
Zoals een jongeman een meisje tot vrouw neemt,
zo zullen jouw zonen jou ten huwelijk nemen,
en zoals de bruidegom zich verheugt over zijn bruid,
zo zal je God zich over jou verheugen.”

De gereformeerde kerk (vrijgemaakt) in Leerdam is er een uit tientallen. Een man of 300 (gok ik), die trouw naar de kerk gaan en behoefte hebben aan een zondagse preek – en als ze zin hebben twee preken op een dag – en het zingen van liederen.

En al die keren dat ik er nu een dienst geleid heb, kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat ook deze gemeente grote moeite heeft om een aantrekkelijke gemeente te zijn. Het gaat er zo z’n bekende gangetje.
Maar nogmaals… ik denk dat de meeste GKV’s zich hierin zullen herkennen.

Vanmorgen mocht ik spreken over Gods uitspraak in Openbaring 21, 5: “Ik maak alles nieuw!”
De preek is hiernaast (na) te lezen: Openbaring 21, 1-8

God heeft voor zichzelf en voor ons een totaal nieuwe wereld in petto. Jezus Christus is die nieuwe toekomst zelfs al (liefdevol, confronterend én vernieuwend) komen inluiden.
En nu zijn wij, met Gods hulp [lees: krachtige, creatieve en bemoedigende Geest], aan de beurt.

Maar ja, hoe? Hoe word je als een standaard-GKv met ál je gebruiken, rituelen, symbolen en gewoontes een aantrekkelijke kerk in je stad (Leerdam)?

Ik denk dat je twee kanten op kunt.
1. Je staat als kerkenraad of beleidsbepalers stevig in je geestelijke schoenen en zet een totaal vernieuwende koers in. Je oriënteert jezelf door middel van goede boeken (ik noemde tijdens de kerkdienst al ‘De werkers van het laatste uur’ en ‘Als een kerk (opnieuw) begint’) en vraagt je af wat jouw gemeente nodig heeft.

Nogmaals: hiervoor moet je stevig in je geestelijke schoenen staan, want in de GKv krijg je veel tegengas als het om vernieuwingen gaat. Ben je als gemeente bijvoorbeeld bereid om de mééste energie niet te steken in je kerkdiensten, maar in je wijk? En heb je het lef om je wijkgroep ook als kerk te beschouwen, misschien wel dé kerk van de 21ste eeuw?

Deze laatste opmerking heeft te maken met deze belangrijke, actuele vraag voor gereformeerden: Is het terecht dat wij onze wekelijkse kerkdiensten als de ‘ware eredienst’ zien?
Zo niet, dan is er alle ruimte voor vernieuwing.
Zo ja, dan moet het je verbazen dat Paulus in Romeinen 12, 1-2 totaal niet spreekt over een gestructureerde kerkdienst van een uur als hij het over onze ‘ware eredienst’ heeft!
Is het wel terecht dat veel, zo niet de meeste gereformeerden de wekelijkse kerkdienst(en) als het kernpunt van hun geloofsbeleving beschouwen? Ik vraag me dat op basis van Romeinen 12 zwaar af.

Natuurlijk zijn die kerkdiensten op zich niet fout. Ik zei het al in de kerk: er gebeuren best wel goede dingen, en je hoort er misschien wel goede prekenseries. Maar is het de bedoeling dat we daarmee ooit voor onze God komen? “Luister, God, ik ben te weten gekomen hoe je over homoseksualiteit moet denken door als volgeling van Jezus Christus trouw naar de kerkdiensten te gaan?” Is God daarin geïnteresseerd?
Ik denk niet dat dit nu zo vernieuwend is. En wees eerlijk, de reden dat je lid bent van de GKv is toch niet omdat je van de kinderdoop en de kerkorde houdt? De meeste gereformeerden zijn toch gewoon lid van hun GKV-gemeente omdat ze erin zijn geboren en opgegroeid? Laten we alsjeblieft ophouden met de schijn hoog te houden dat de GKv in de huidige vorm ons na aan het hart ligt!

Echt, van mij mag de GKv morgen ophouden te bestaan, als het gevolg daarvan is dat we ons eindelijk vrij voelen om kerk te worden die op een vernieuwende, schurende, confronterende manier aansluit bij de huidige generatie(s) Nederlanders. Want op dit moment gedragen grefo-christenen zich – echt niet alleen op zondag – als grijze muizen of als wereldvreemde snuiters.
En de jeugd loopt of gillend of stilletjes de kerken uit. Begrijpelijk, en terecht!

2. Maar ik kan me ook voorstellen dat je het als beleidsbepalers niet aandurft met je bestaande gemeente. Omdat het waarschijnlijk een collectieve ruzie wordt als blijkt dat slechts een kleine kern in de gemeente daadwerkelijk hun denken en doen en gezindheid wil vernieuwen.
Ik denk dat je dan bereid moet zijn om (een) dochtergemeente(s) te stichten.

Dat houdt in dat je als oude, wijze (maar hopelijk niet seniele, lachwekkende) moeder zorg draagt voor je dochter. Al biddend en gevend (uw geld, beste mensen!) sta je als trotse moeder achter je nieuwe kind.
Onderzoek of er in je gemeente de wens, de denkkracht en het vermogen beschikbaar is om middenin je dorp of stad een totaal vernieuwende gemeenschap te stichten. Geef hen alle ruimte om hun creativiteit te gebruiken om mensen te winnen voor Jezus Christus.

Betaal zo nodig deze mensen, of stel een gemeentestichter aan. Geld heeft u toch in overvloed. Kijk maar ’s naar uw huis, uw keuken, uw overvolle bankrekening, uw auto(’s) en de vakantie(s) die u al geboekt heeft. Dus daar hoeft het niet aan te liggen.

Echt, het is mijn grote wens dat er een opwekking in Nederland plaatsvindt. En dat we de Bijbel ’s met vernieuwde ogen gaan lezen, in plaats van dat er vanaf de kansel naar de mens en z’n wens gesproken wordt.
Houd toch op met die eindeloos repeterende preken over onze ellende, de (kinder)doop, het heilig avondmaal en het Onzevader! Wat moet je ermee? Is dat echt elk jaar weer opnieuw vernieuwend? (Ja, misschien als je een goede voorganger in je gelederen hebt, maar anders echt niet.)

Het is mijn wens dat de GKv, ook op synodaal niveau, leren in te zien dat vernieuwingen niet vanuit de kerk beginnen (beamers, podia, goedgekeurde liedjes en dergelijke onzin), maar vanuit de wedergeboren harten van de gemeenteleden.
En dat is ook precies de reden waarom (niet alleen) ik de komende jaren mijn hart vasthoud als het om de GKv gaat. Er gebeurt niks en we vieren zondag in zondag uit onze eigen feestjes, omdat we ten diepste totaal niet geïnteresseerd zijn in (het Woord van) God en in de eeuwige redding van onszelf en de redding van de mensen in onze omgeving. Een redding die Gods hart deed verscheuren aan een kruis in Israël.

Maar misschien ben ik nu wel te somber en te negatief.

Wie wil er nu niet in de hemel komen? Na dit leven voor altijd doorleven in een wereld waar je het goed hebt. Als het even kan beter dan hier, op aarde.

Ik denk dat veel christenen op een plek in de hemel hopen. En trouwens, ik lees het vaak terug. In rouwadvertenties, of wanneer iemand wordt opgehemeld – leuk woord, in dit verband – in een in memoriam.

Het beeld dat over de hemel bestaat, wordt volgens mij gevoed door veel romantiek en fantasieën. Het zou de plek zijn waar de bloemetjes bloeien, de zon altijd schijnt, en je wordt er nooit moe.

Nou, vergeet het maar! Als ik de Bijbel lees, en er al eens iets over de hemel geschreven staat (want zo vaak gebeurt dat niet), krijg ik een heel ander beeld overgeleverd. Lees dit eens in Openbaring 6:

Openbaring 6, 9-11 Toen het lam het vijfde zegel verbrak, zag ik aan de voet van het altaar de zielen van al degenen die geslacht waren omdat ze over God hadden gesproken en vanwege hun getuigenis. Ze riepen luid: ‘O heilige en betrouwbare Heer, wanneer zult u de mensen die op aarde leven eindelijk straffen en ons bloed op hen wreken?’ Ieder van hen kreeg witte kleren. Verder werd hun gezegd nog een korte tijd geduld te hebben, totdat ook de andere dienaren, hun broeders en zusters die net als zij zouden worden gedood, zich bij hen gevoegd zouden hebben.

Daar word je nou niet echt blij van. Er is mij verteld dat dit het enige stukje in de Bijbel is waar wordt gesproken over de hemel én (mensen)zielen. Kijk, de engelen brengen God al eeuwig de lof toe, maar de mensen die na hun (martel)dood bij God komen, ja, die zijn allesbehalve blij. Ze hebben maar geduld te hebben.
Het heeft er dus alle schijn van dat de hemel het eindstation niet is.

En dat klopt ook. Want als je het boek Openbaring doorleest, kom je op een gegeven moment bij de volgende waarheid:

Openbaring 21, 1 Ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Want de eerste hemel en de eerste aarde zijn voorbij, en de zee is er niet meer.

Het uiteindelijke doel van God en de nieuwe mensheid is: een nieuwe hemel (!) en een nieuwe aarde. Dat wil zeggen: een hemel op aarde, waar God zo heerlijk dichtbij ons zal zijn dat de zon, zoals we die nu kennen, een overbodig ding wordt.

Daarom verlang ik niet naar de hemel, maar naar God. De rest krijg ik er nieuw en gratis bij. En ik verheug me bij de gedachte dat die nieuwe hemel en aarde (evenals God zelf) niet in woorden te vatten zijn.
Ik laat me graag verrassen.

Een van de grootse eigenschappen van God vind ik zijn creativiteit en vindingrijkheid. Mijn God houdt van diversiteit, onbegrensde mogelijkheden en uitdagingen. Hij wil zich verwonderen. Niet een dag, niet een jaar, ook geen eeuw, maar een eeuwigheid.

De kunst is dat te ontdekken. En iets waarin ik dit merk is het gegeven dat er vele volken zijn. God wilde dat er vele volken zouden ontstaan. Ik denk trouwens dat dit vanzelf was gebeurd. Mensen trokken namelijk uit zichzelf steeds verder weg van het gebied waar het paradijs lag (Genesis 11, 1-2). Met het voortschrijden van de tijd die God ons hier geeft, zouden vanzelf verschillende dialecten en talen ontstaan. Taal is namelijk gebonden aan de plek waar je je begeeft. En taal ontwikkelt zich.

(Voorbeeld: vroeger betekende het woord ‘dierbaar’ dat iets duur was (’duurbaar’ dus). Tegenwoordig heeft het een emotionele betekenis gekregen: iets gaat je aan het hart of heeft emotionele waarde.
Om het woord ‘dierbaar’ in de oorspronkelijke betekenis te begrijpen, moeten we nu het woord ‘kostbaar’ gebruiken.)

Ik denk dat God het niet erg vindt dat er verschillende talen en volken zijn ontstaan. Hij geniet van die diversiteit en de verschillende culturen. Dat we elkaar niet begrijpen en verstaan is wel een vloek van God (lees Genesis 11 maar eens verder).

Het unieke van het christelijk geloof is dan ook dat Jezus Christus zich in werkelijk elke cultuur kan manifesteren. Christenen hoeven de vreemde cultuur niet eerst om te vormen of omver te gooien, voordat Christus er beleefd kan worden.

Vergelijk dat eens met de Islam, het boeddhisme en het hindoeïsme! Zijn de meeste moslims nog niet steeds rond de ontstaanstreek van de Islam te vinden? En leven de meeste aanhangers van het Hindoeïsme nog niet steeds in India?

Het christendom vind je overal. En het verschuift van tijdperk tot tijdperk. Was het lange tijd (West-)Europa waar de meeste christenen leefden, nu zijn het Afrika en Azië waar het christelijk geloof hoogtij viert.
En dat komt dus door het karakter van het christelijk geloof, en zelfs: door God zelf. Hij kan door iedereen in elk land en elke cultuur worden gekend en vereerd.

Wat moet het een feest zijn als die volken ooit bij elkaar gaan komen. In de hemelse stad van God, op aarde. Het zou mij niet verbazen als de verschillende talen blijven bestaan. Waar ik echter wel versteld van zal staan, is dat ik mijn broers en zussen zal verstaan en begrijpen.

Eeuwig leven met God en mijn broers en zussen = Pinksteren, maar dan voor altijd!

Openbaring 21, 24-26 De volken (en niet: het ene volk van God, DH) zullen in haar licht leven en de koningen op aarde betuigen daar hun lof. De poorten zullen overdag nooit gesloten worden, en nacht zal het er niet meer zijn. De volken zullen in haar hun lof en eer komen betuigen.

[Met dank aan mijn grote leermeesters: John Piper en Tim Keller (lees Reason for God!)]