
Vannacht had ik een droom. Nu droom ik wel vaker, maar dit was een speciale. Misschien dat ik hem me daarom wel herinner.
Ik droomde dat ik preekte in een dorp, in een bomvolle kerk. En ik hoorde mezelf spreken. Ik preekte fel en betrokken. Over Jezus, die ook de Heer van dát dorp was. Ik bewees dat Jezus meer kan bieden dan alles wat dat dorp aan moois te bieden had. Ik ontmaskerde het dorp van z’n halve waarheden en het lukte me verborgen verlangens bloot te leggen.
M’n woorden raakten de dorspmensen in het hart. Ik zag dat het aansloeg. Mensen raakten ontroerd, en er ontstond een sfeer van blijdschap.
Na de dienst kwam er iemand naar me toe. Een vrouw. Ze zei: “Ik heb altijd geweten dat het evangelie krachtig was, maar ik kreeg het maar niet te horen. Hoe kan het dat het nu zo anders is?”
Ik reageerde: “Je weet dat het evangelie het woord van God is. En God vergelijkt dat woord met een zwaard. Niet zomaar een zwaard, maar een vlijmscherp tweesnijdend zwaard. Door die scherpte kunnen harten met precisie veranderd worden, zoals een visboer met z’n fileermes met precisie een vis kan behandelen.”
Waarop de vrouw vraagt: “Maar wat is dan het verschil met de preken van vorige week?”
“Veel predikanten gebruiken het woord van God niet als zo’n scherp zwaard”, antwoord ik. “Zij hanteren het liever als een stompe hakbijl. En daarmee hakken ze er wekelijks lustig op los. Dát is het verschil.”
JOHANNES ZIET JEZUS
Openbaring 1, 12-16 Ik draaide me om, om te zien welke stem er tegen mij sprak. Toen zag ik zeven gouden lampenstandaards, en daartussen iemand die eruitzag als een mens. Hij was gekleed in een lang gewaad en had een gouden band om zijn borst. Zijn hoofd en zijn haren waren wit als witte wol of als sneeuw, en zijn ogen waren als een vlammend vuur. Zijn voeten gloeiden als brons in een oven. Zijn stem klonk als het geluid van geweldige watermassa’s. In zijn rechterhand had hij zeven sterren en uit zijn mond kwam een scherp, tweesnijdend zwaard. Zijn gezicht schitterde als de felle zon.