Archief van: ‘Jesaja 63’

Vooral jonge christenen komen er geregeld mee op de proppen. Ze vinden dat ze te weinig bidden. En omdat ze geleerd is dat ze moeten bidden, doen ze het dan (soms) toch maar. Voordat ze gaan slapen: even de ogen dicht en dan in gedachten enkele zinnen richting de hemelse gewesten prevelen.
En als ik hun dan vraag wat ze bidden, komen ze zo goed als standaard uit bij de volgende antwoorden:

1. Danken voor de dag.
2. Vergeving vragen voor hun zonden.
3. Bidden voor een goede nacht.

Dan zeg ik: ja, vind je het écht gek dat je dan op een gegeven moment niet meer bidt?! Hoe saai en voorspelbaar kun je het voor jezelf maken…

Het zelfverwijt, zo valt me op, is als het over het gebed gaat groot onder jongeren. (Mijn vermoeden is dat oudere christenen er vaak al mee hebben leren leven óf het zelfverwijt niet meer hardop (durven/mogen?) uitspreken óf de hoop op verandering in hun relatie met God hebben opgegeven.)

Maar goed, de vraag blijft natuurlijk wel hoe je van dat zelfverwijt, dat zich behoorlijk hardnekkig in je geloofsleven kan nestelen, bevrijd kunt worden. Want dat moet natuurlijk kunnen. Het christelijk geloof rust namelijk op het leven en de dood en andermaal het leven van Jezus Christus. En Jezus kreeg die naam om geen andere reden dan mensen te bevrijden van alles wat op ons leven een druk legt.
Het zelfverwijt hoort daar zonder twijfel bij. Het is zonde als je het in je eigen leven herkent én accepteert.

Hoewel er meerdere oorzaken voor dit zelfverwijt zijn aan te wijzen (zoals kerk(cultuur), (groot)ouders, egocentrisme en neiging tot zelfrechtvaardiging) denk ik dat de vinger allereerst bij de volgende reden gelegd moet worden.
Ik heb het idee dat christenen te snel vergeten of maar moeilijk kunnen laten landen hoe groots het is dat de eeuwige God onze Vader is. Dat wil zeggen: hij heeft zich bekendgemaakt, het duidelijkst in zijn Zoon Jezus Christus maar dus ook duidelijk in het Oude Testament, als een Vader die niet zit te wachten op plichtplegingen maar op de liefde van zijn kinderen.

Op zich heb ik geen moeite met een gezond zelfverwijt. Wie structureel langs zijn of haar biologische vader voorbijloopt, hem niet ziet staan of aanspreekt, ja, die heeft alle reden zichzelf genoeg te verwijten. (Al weet ik best dat er genoeg vaders rondlopen die het met hun vaderschap niet zo nauw nemen of genomen hebben. Niet in de laatste plaats omdat ze zelf ook een dramatisch slechte vader hebben gekend.)

God, de Vader van Jezus Christus, is volmaakt goed en volmaakte liefde; een Vader die elke vader en elk kind voor zichzelf wenst.

Dé reden waarom (ik denk: veel) christenen niet of weinig bidden is dat ze niet weten dat God hun Vader is. Eerder laten we het beeld van een kille politie-agent of parkeerwachter in afstandelijk uniform in onze gedachten binnen. Of iemand die als een secretaresse dagelijks een christo-checklist afwerkt. Of een vader/opa die je per elk gemaakt doelpunt 2 euro geeft – en anders niets of alleen een snicker in de kantine). Of als een levende klok, waarin je bij tijd en wijlen wel een batterij (gebed) moet stoppen omdat hij anders geen nut meer heeft.

Neem dit Bijbelse advies ter harte: laat te allen tijde Jezus Christus jouw beeld van God bepalen. Elk ander beeld schiet tekort of stelt teleur.

Praktisch nu.
1. Als je niets tegen je Vader te zeggen hebt, nou, zeg dan niets! Is dat nou zo erg?
2. Als je al tijden niets tegen je Vader te zeggen hebt, sla dan de Bijbel ’s open, lees wie hij was en is, lees hoe zijn Zoon niet zonder hem kan leven, lees over de Naam, het koninkrijk en de wil van God. En leer zo langzaam maar zeker de duivelse gedachte uit je leven te verbannen dat God en de Bijbel saai zouden zijn.
Dan denk ik dat je op een (door God zelf) gegeven moment helder voor ogen komt waarom je weinig of niet bidt. We denken dat de dagen om onszelf draaien…
En weet je wat dat is? Dat is nog ’s saai, man!

Matteüs 6, 7-10

[Jezus:] “Bij het bidden moeten jullie niet eindeloos voortprevelen zoals de heidenen, die denken dat ze door hun overvloed aan woorden verhoord zullen worden [zie hier die saaie, ongelukkig makende en vervloekte zelfrechtvaardiging, DH]. Doe hen niet na! Jullie Vader weet immers wat jullie nodig hebben, nog vóór jullie het hem vragen. Bid daarom als volgt:
Onze Vader in de hemel,
laat uw naam geheiligd worden,
laat uw koninkrijk komen
en uw wil gedaan worden
op aarde zoals in de hemel.”

Nee. Laat ik maar meteen duidelijk zijn. God is niet toorn. Hij is (wel) liefde.
Net zoals hij ook niet in de Bijbel bekendmaakt dat hij duisternis is, maar (wel) licht.

Toch wordt in de Bijbel wel duidelijk dat God onnoemelijk kwaad kan zijn, bijvoorbeeld tijdens de zondvloed, de tien rampen over Egypte en de verbanning die Israël moest ondergaan. Ook kan God zich terugtrekken en complete duisternis veroorzaken. Het bekendste en meest indrukwekkende voorbeeld hiervan is de duisternis tijdens het sterven van zijn Zoon Jezus Christus aan een kruis op een heuvel: drie uur dikke duisternis.

Het is belangrijk om Gods toorn en duisternis niet aan zijn identiteit toe te schrijven. Alsof God verraderlijke of onbetrouwbare kanten zou hebben. De ene dag licht, de andere dag donker. Nu eens laat hij liefde zien en voelen, dan weer laat hij vanuit het niets zijn woede uitbarsten. Hij zou een God zijn die zijn eeuwige leven laat beheersen door onberekenbare, humeurige buien.
De Bijbel is gelukkig duidelijk: God is liefde. God is licht.

Hoe zit dat dan met die woede en die duisternis? Volgens mij zit het zo: Gods woede en duisternis zijn noodzakelijke uitingen van zijn liefde en zijn licht-zijn. Noodzakelijk bedoel ik dan op twee manieren.

1. Een God die zegt wel liefde te zijn, maar niet woedend kan worden, is geen God van liefde!
Als ik zeg van mijn zoontje Joram te houden, terwijl ik niet kwaad word en optreed als hij mijn waarschuwingen ondermijnt, hou ik niet van hem. Dan bestaat mijn liefde voor hem slechts uit zoetige woorden. Woede komt voort uit gekrenkte liefde. Zoals duisternis voortkomt uit ‘gekrenkt’ licht.

2. Als God niet kwaad kon zijn, zou ik nooit gered kunnen worden!
Stel je eens voor dat God mij liet begaan in m’n gebrekkige, zondige leventje. Dat hij vanuit ‘liefde’ zou zeggen: “Ach, laat David ook maar. Het zou zonde zijn om nog boos op hem te worden.”
Dan zou ik dus nooit bij God kunnen komen. Als God zijn woede om de zonde van de wereld in toom zou houden, had ik een groot probleem. God en mens zouden geen meter dichterbij elkaar kunnen komen.
Daarom is het kruis van Golgota, het noodzakelijke slotstuk van Jezus’ leven waarin hij namens God de zonde van de wereld draagt (dus ook die van mij), mijn geluk. Golgota is de tweede, noodzakelijke stap van God naar de mens. (De eerste stap is natuurlijk de incarnatie, Kerst: God als mens op aarde. De derde stap is Pasen, de dag waarop het nieuwe leven met die God begint, met Jezus als de eerste nieuwe mens!)

God is niet toorn op de wijze waarop hij liefde is. Hij is éérst liefde, daaruit volgt zijn woede. Liefde kan uitlopen op gekrenkte liefde. Andersom kan niet. Gekrenkte liefde kan uit zichzelf geen liefde worden. Een God die van zichzelf toorn is, kan nooit een God van liefde zijn of worden. Toorn is afhankelijk van liefde, liefde niet afhankelijk van toorn.
Hetzelfde geldt voor licht. Licht kan uit zichzelf duisternis worden (wanneer het dimt of uitdooft), maar duisternis kan vanuit zichzelf geen licht worden (daarvoor heb je een tweede (licht)bron nodig).
Daarom is God liefde, en licht.

Maar zonder zijn concrete, gekrenkte liefde zouden jij en ik een groot probleem hebben. Zonder zijn geuite woede zou geen mens gered kunnen worden.

Jesaja 63, 1-6 [met kort commentaar]

[Jesaja:] ‘Wie is het die uit Edom komt, uit Bosra,
in purper gekleed, met praal getooid,
die zich groots en machtig verheft?’
[De HEER:] Ik ben het die in gerechtigheid spreekt
en bij machte is te redden.
[Jesaja:] ‘Hoe komen uw kleren zo rood,
als de kleren van iemand die de wijnpers treedt?’
[De HEER:] Ik heb de perskuip alleen getreden,
geen van de volken hielp me daarbij. [We zijn van Gods gekrenkte liefde afhankelijk. Geen mens maakt zich kwaad mét hem.]
Ik trad hen in mijn woede,
vertrapte hen in mijn toorn.
Hun bloed bespatte mijn kleren,
al mijn kleren werden besmeurd. [Wij houden onszelf liever schoon; zien het mondiale probleem (van de zonde) niet in.]
Ik had besloten tot een dag van wraak,
het jaar van vergelding was aangebroken.
Toen zag ik dat er niemand was die hielp,
ik was geschokt dat niemand mij aanmoedigde.
Op eigen kracht bracht ik redding,
door mijn woede aangespoord
. [Zonder die aansporing vanuit God zelf was ik verloren. God is gelukkig niet lui en gemakkelijk.]
Ik heb de volken in mijn woede vertrapt,
met mijn toorn heb ik hen dronken gevoerd. [Wie Gods liefde en redding niet wil, wil liever Gods woede drinken. Dit is de hel.]
Hun bloed liet ik op aarde neervloeien. [Wie Gods liefde en redding niet wil, wil niet leven. ESV: 'And I poured out their lifeblood on the earth.']