Ik ben blij dat ik een christen ben. Ik vind het evangelie van Jezus Christus schitterend. Ik kan er uren over vertellen en ik begrijp hem steeds beter. Ik krijg hem ook steeds meer lief.
Maar die God treft me ook in negatieve zin. Want God zit me soms ook helemaal niet lekker. Ik vind hem zo anders, zo groots, zo goddelijk dat hij me tegenstaat. Dan komt hij te dichtbij en vind ik hem streng. En dan krijgt hij soms zelfs iets weg van een chagrijnige tiran.
Gisteren lazen Margreet en ik dit huiveringwekkende stuk in Numeri 15:
Numeri 15, 32-36 Tijdens hun verblijf in de woestijn troffen de Israëlieten eens een man aan die op sabbat hout aan het sprokkelen was. Degenen die hem aangetroffen hadden, brachten hem voor Mozes en Aäron en voor de hele gemeenschap. Hij werd in bewaring gesteld, omdat nog niet was bepaald wat er met zo iemand moest gebeuren. De HEER zei tegen Mozes: ‘Die man moet gedood worden. De hele gemeenschap moet hem buiten het kamp stenigen.’ Toen brachten ze hem met zijn allen buiten het kamp, en daar doodden ze hem door hem te stenigen, zoals de HEER Mozes had opgedragen.
De beste man had het misschien koud, hielp zijn vrouw met koken, of dacht aan de dag van morgen. Ok, misschien was hij wel hebberig, maar dan denk ik: een beetje hout op zondag zoeken. Kom op, zeg.
Als ik God niet beter zou kennen, zou ik hem niet moeten. Wat een overdreven straf, zeg.
Ik heb hier twee dagen lang geregeld over moeten nadenken. Het spookte maar door m’n hoofd.
En ik moet me schamen, heb ik geconcludeerd. Want, zo denk ik nu, wie was er eerder: God of ik? Wie bepaalt wat goed en fout is: God of ik? Wie bepaalt hoe het leven met God het best geleefd kan worden: God of ik? Wie gaat er überhaupt over het leven: God of ik? Kortom, wie is er nu God: God of ik?