Archief van: ‘Psalm 119’

In de preek van gisteren heb ik anderen opgeroepen maar in ieder geval mezelf voorgenomen om tien persoonlijke Bijbelteksten uit het hoofd te leren. Niet om zomaar kennis te vergaren, maar om m’n hart (d.w.z. m’n gedachten en gevoelens) te verrijken.
Dat voorkomt namelijk dat ik ga zondigen.

Psalm 119, 11

Uw woord heb ik in mijn hart geborgen,
zo zal ik niet tegen u zondigen.

Die tekst zit er in elk geval al goed in. ;)
Maar nogmaals: deze tekst vraagt om daden.

MIJN TIEN TEKSTEN

1. 2 Korintiërs 3, 18
Wij allen die met onbedekt gezicht de glorie van de Heer aanschouwen, zullen meer en meer door de Geest van de Heer naar de glorie van dat beeld worden veranderd.

2. Johannes 3, 19a
Dit is het oordeel: het licht kwam in de wereld en de mensen hielden meer van de duisternis dan van het licht, want hun daden waren slecht.

3. Genesis 3, 9
Toen de mens en zijn vrouw God, de HEER, in de koelte van de avondwind door de tuin hoorden wandelen, verborgen zij zich voor hem tussen de bomen. Maar God, de HEER, riep de mens: ‘Waar ben je?’

4. Psalm 42, 2-3
Zoals een hinde smacht
naar stromend water,
zo smacht mijn ziel
naar u, o God.
Mijn ziel dorst naar God,
naar de levende God,
wanneer mag ik nader komen
en Gods gezicht zien?

5. Psalm 73, 28 (Eigen vertaling)
Ik? Ik wil dicht bij God zijn.

6. Efeziërs 1, 4-6
In Christus immers heeft God, voordat de wereld gegrondvest werd, ons uitgekozen om voor hem heilig en zuiver te zijn in liefde, en hij heeft ons naar zijn wil en verlangen voorbestemd om in Jezus Christus zijn kinderen te worden, tot eer van de grootheid van Gods genade, ons geschonken in zijn geliefde Zoon.

7. Galaten 5, 1
Christus heeft ons bevrijd opdat wij in vrijheid zouden leven; houd dus stand en laat u niet opnieuw een slavenjuk opleggen.

8. Romeinen 6, 1
Betekent dit nu dat we moeten blijven zondigen om de genade te laten toenemen?

9. Galaten 6, 24
Wie Christus Jezus toebehoort, heeft zijn eigen natuur met alle hartstocht en begeerte aan het kruis geslagen.

10. Matteüs 27, 46
Aan het einde daarvan, in het negende uur, gaf Jezus een schreeuw en riep luid: ‘Eli, Eli, lema sabachtani?’ Dat wil zeggen: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?’

De titel van deze blog is voor gereformeerden een van de bekendste vragen uit een kerkelijk leerboekje dat in de 16de eeuw geschreven werd.
Het antwoord heb ik vroeger uit het hoofd moeten leren, en dat was simpel want zeer kort: ‘Uit de wet van God’.

Paulus schrijft dat de wet van God ons de zonde laat kennen. Zijn redenering is simpel: de wet is Gods maatstaf voor ons leven, wij mensen halen die maatstaf niet vanwege onze doodlopende natuur, en dus leren wij onze tekortkomingen en zonden kennen.

Op grond van de Bijbel wil ik er graag wat meer over zeggen. Want een christen leert niet slechts zijn zonde kennen door Gods wet. Gods wet is op zichzelf genomen namelijk geweldig mooi en goed.
We zouden daarom veel te kort door de bocht gaan als we Gods wet alleen gebruiken om ons op onze zonde te wijzen. Niet in de laatste plaats omdat dat weinig vreugde geeft.

Op grond van Psalm 119, 92 stel ik ook een ander antwoord voor.

Vraag: Waaruit kent u uw ellende?
Antwoord: U bent een ellendig mens wanneer u zich niet verblijdt in de wet van uw God.

Psalm 119, 92-93

Verheugde ik mij niet in uw wet,
ik zou vergaan van ellende
.
In eeuwigheid zal ik uw regels niet vergeten,
daardoor houdt u mij in leven.

Als ik die vraag aan een (gereformeerde) kerkganger zou stellen, blijft het denk ik stil.

De wet van God wordt zo goed als elke week in een kerkdienst voorgelezen. Vandaag de dag gebeurt dat vaak (en hopelijk) op allerlei manieren. Als ik voorga probeer ik er altijd wat van te maken door die wet bijvoorbeeld aan het thema van de dienst te koppelen.

Een predikant zei het laatst nog tegen me: “Als ik de eerst zin uitgesproken heb, zie ik de gemeente onderuitzakken. Een paar centimeter, maar het gebeurt.”

We vinden het dus vaak saai. En dat is door die wekelijkse herhaling heel begrijpelijk. En als je dan de vraag gesteld wordt of je Gods wet liefhebt, ja, dan denk je zeer waarschijnlijk als eerste aan de situatie waarin je die wet te horen krijgt: dat saaie moment in de kerkdienst.
En dan wordt het een behoorlijk ongemakkelijke vraag.

Ikzelf ontdek steeds meer wie God is. In de wet, maar ook in de hele thora, de eerste vijf boeken van het Oude Testament, waarin die wet tweemaal staat. En ik krijg hem steeds meer lief.

Het is mijn ideaal (en opdracht) om de gemeente van Jezus Christus ook op dit pad te krijgen.
Dat betekent dat de wet niet in de eerste plaats gebruikt moet worden om onze schuld voor God aan te tonen (door de Heidelberse Catechismus, Zondag 2, gebeurt dit naar mijn mening veel teveel), maar om aan te tonen wie God voor ons is.
Want hij laat zich in de wet zien. En daarin onderscheidt hij zich van elke andere god.
En het gegeven dat de meeste grondwetten bepalingen uit die wet hebben overgenomen (bijvoorbeeld het zesde en achtste gebod), is één groot compliment aan deze God.

Psalm 119, 97-98

Hoe lief heb ik uw wet,
heel de dag is hij in mijn gedachten.
Uw gebod maakt mij wijzer dan mijn vijanden,
ik ben er eeuwig mee verbonden.